Hoofdstuk 12: Een huis

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Op veertien maart werd Joost om zes uur wakker van de merels. Het was zondag. Het was nog donker, maar de merels wisten dat het voorjaar was en zeiden het, vanaf de schutting, vanaf de regenton, vanaf de dakgoot van mevrouw Smit, zo luid dat het leek alsof ze in de kamer zaten.

Hij lag in zijn oude kamer, aan de achterkant, onder het haakje aan het plafond waar ooit een vliegtuigje had gehangen. Hij had in december het grote bed van zijn ouders kunnen nemen, aan de voorkant, met het raam op de singel. Ellen had het zelfs voorgesteld. Hij had het niet gedaan. Die kamer stond nu leeg, op de eikenhouten kast na, waar hij zijn winterjassen in had gehangen. Het slot deed het nog. Het sleuteltje met het groene lintje hing aan de binnenkant van de deur.

Hij stond op en ging naar beneden, op sokken, over de tree die kraakte, de vierde, en de negende. In de gang hing zijn jas aan de kapstok, en ernaast een jas van Ravi, die hij in februari had laten hangen na een weekend dat ze allebei voorzichtig waren gebleven en dat geen van beiden een naam had gegeven. Het was een jas. Het was een begin van iets of het einde van iets. Joost had geleerd dat je dat soms niet direct hoeft te weten.

In de keuken zette hij water op. Het fornuis deed het. De leidingen bonkten nog steeds, en dat zou hij nooit laten repareren.


Er stond één plank in de voorkamer. Hij had hem in januari opgehangen, naast de piano, op ooghoogte, en hij had er drie maanden over gedaan om te besluiten wat erop moest. Uiteindelijk was het vanzelf gegaan.

Links stonden de drie boeken van Bonnema, in linnen band, die Maarten in november uit zijn hotelkamer had opgehaald en hier had neergezet, zonder iets te zeggen, de dag dat Joost de sleutel kreeg. Ernaast het reisboekje over Portugal uit de theedoekenla, met het potloodstreepje onder de Douro. Daarnaast zijn eigen boek over de jongen in de vuurtoren, dat Hilde had teruggebracht omdat ze vond dat het niet in een schoolbibliotheek hoorde maar hier. En een boek dat hij zelf had gekocht. Het eerste boek dat hij in zijn leven had gekocht zonder dat iemand het hem had aangeraden, in de boekhandel in de Oude Boteringestraat, gewoon omdat het omslag hem beviel. Hij had het nog niet gelezen. Het mocht.

Verder was de kamer leeg, op de piano na en de staande lamp van zijn moeder en een oude bank van Marktplaats. Mensen die binnenkwamen, klanten, de buurvrouw, Hilde, keken altijd eerst naar de muren en dan naar hem, alsof ze iets verwachtten. Hij liet het zo.

Werk had hij genoeg. Meer dan in Amsterdam. Hilde had niet overdreven. De piano in de aula van haar school had hij in december gestemd, in een middag die drie middagen werd omdat de hamers van vilt waren dat nog uit de jaren zeventig stamde. Daarna waren er drie scholen gekomen, een muziekschool in Haren, twee kerken in het Westerkwartier, een dominee in Ten Boer die een harmonium had geërfd en niet wist wat hij ermee moest, en een heleboel mensen met een piano in de voorkamer die ze nooit bespeelden maar ook niet weg wilden doen. Hij reed erheen in een tweedehands bestelbusje dat hij met zijn deel van de Portugalpot had gekocht. Dat was het besluit geweest, in december, aan de keukentafel. Joost een busje en een nieuwe stemkoffer. Een steen voor Lieke. De reis. Wat er overbleef naar Maarten.

Ellen had het voorgesteld. Ze wilde zelf niets. Ze zei dat ze het meeste al had gekregen, in een verhuisdoos onder een bed, en dat het lang genoeg had geduurd voordat ze dat doorhad.


Om elf uur stonden ze bij de beuk.

Het was helder en koud, net als in september. De beuk had nog geen blad, maar de knoppen waren dik en bruin en glommen in het licht. Onder de boom, in het veld met het mos, waren de eerste krokussen opgekomen, paars en wit, tussen de bordjes en het gipsen engeltje met de afgebroken vleugel.

Ze waren met meer dan Joost had gedacht. Ellen en Fenna, die met de fiets uit de Oosterpoort was gekomen, in een te dunne jas, met een bos tulpen onder haar snelbinders. Maarten, met Thijs en Bram, die de avond ervoor uit Rotterdam waren gekomen en in de voorkamer op luchtbedden hadden geslapen, tegen de piano aan. Tante Wiep, in haar vest met de gebreide bloem, die Ellen uit Winsum had opgehaald en die nu met haar arm in die van Hilde Postma stond, alsof ze elkaar al jaren kenden. Mevrouw Smit, met een thermoskan. Mulder, die het van Ellen had gehoord en had gevraagd of hij mocht komen, en die nu wat achteraf stond in zijn tweedjasje, met zijn handen op zijn rug.

De steen was klein. Ze hadden er met de gemeente lang over gedaan; in het veld met de algemene graven mocht eigenlijk niets, omdat niemand wist wie waar lag. Uiteindelijk was er een regeling gekomen, voor alle kinderen die er lagen, een lage plaat van hardsteen bij de stam van de boom, waarop ouders een naam konden laten zetten. Er stonden er al zes op. Lieke was de zevende.

Lieke Wierenga. 14 maart 1982.

En daaronder, omdat Maarten het had voorgesteld en de anderen hadden geknikt, één regel in kleinere letters:

Overal neergelegd.

Naast de plaat lag de kei van hun vader. Ze hadden hem niet weggehaald. De L en het jaartal waren nog net te zien, onhandig, in het grijs.

Niemand hield een toespraak. Dat was ook afgesproken. Fenna legde de tulpen neer. Tante Wiep bukte, heel langzaam, met Hilde aan haar elleboog, en legde haar hand plat op de steen en hield hem daar. Joost zag haar lippen bewegen, maar hij hoorde niet wat ze zei. Misschien zei ze sorry. Misschien zei ze de naam.

Bram, dertien, stond naast hem, met zijn handen diep in de zakken van zijn jas.

„Oom Joost,” fluisterde hij. „Had opa nou echt geen boeken over Formule 1?”

„Eén,” fluisterde Joost terug. „Hij stond in het vak boeken die beter zijn dan hun reputatie.”

„Waar is hij nu?”

„Iemand heeft hem meegenomen op de singel. Een meneer met een rollator.”

Bram dacht daar een tijd over na, ernstig, met zijn wenkbrauwen samen. Toen zei hij: „Dat is eigenlijk wel goed.”


Daarna liepen ze met zijn allen naar vak D, naar de steen van hun ouders, waar nu twee namen op stonden. Hendrik Wierenga, 1942–2026. Er lag een bos narcissen die Joost niet had neergelegd, en hij keek op en zag Mulder, achteraan, die zijn blik ontweek.

Thijs zei die dag bijna niets, zoals hij de hele winter bijna niets had gezegd. Maar op de terugweg, op de Hereweg, liep hij naast zijn vader. Joost liep een paar meter achter hen en zag dat ze praatten. Hij kon niet horen waarover. Hij zag dat Maarten zijn handen gebruikte, wat hij alleen deed als hij iets uitlegde wat hij echt begreep, en dat Thijs op een gegeven moment lachte, een korte lach, met zijn hoofd achterover.

„Golfoverslag,” zei Ellen, die naast Joost kwam lopen. „Thijs doet een profielwerkstuk over de Afsluitdijk. Hij heeft het gisteravond verteld. Hij heeft het nog niet aan Maarten gezegd. Hij wilde het eerst zelf proberen.”

„Gaat Maarten dat begrijpen?”

„Dat hij het eerst zelf wilde proberen?” Ellen trok haar sjaal hoger. „Ik denk dat hij dat beter begrijpt dan wie ook.”

Maarten had sinds februari een nieuwe baan, bij een waterschap in Zuid-Holland. Minder geld, meer buiten, zei hij. Hij woonde in een flat in Kralingen met uitzicht op een vijver met een fontein, waarover hij zich elke keer dat ze belden beklaagde. Een fontein, Joost. Water dat omhoog gaat. Waar is dat goed voor. Het huis in Rotterdam was verkocht. Saskia woonde twee straten verderop. Ze hadden het met zijn tweeën zo geregeld, voor de jongens, en het ging, zei Maarten, het ging. Hij zei het zoals hij een dijk zou beschrijven die het hield. Niet mooi. Wel goed.


Thuis aten ze soep die mevrouw Smit had gemaakt en brood dat Ellen had gekocht en een taart die Hilde had meegenomen en waar Lieke op stond, in slagroom, wat ze allemaal een beetje te veel vonden en toch helemaal op aten. De keuken was te klein. Ze zaten op de vier stoelen en op het aanrecht en op de vloer, en tante Wiep zat in de enige leunstoel, die uit de voorkamer was gehaald, met een bord op haar knieën.

Om drie uur gingen de eerste mensen weg. Mulder als eerste, met een buiging naar Ellen die niemand van hem had verwacht. Toen mevrouw Smit, met haar lege thermoskan. Hilde bracht tante Wiep naar Winsum, omdat ze dat toch op haar weg had liggen, wat niet waar was. Fenna ging met Thijs en Bram naar de stad, om ze de Martinitoren te laten beklimmen, alle tweehonderdzestig treden, waarover Bram nu al klaagde.

Toen waren ze weer met zijn drieën.

Ze zaten in de voorkamer. Ellen op de bank, met haar benen onder zich. Maarten op de vloer, met zijn rug tegen de muur, waar vroeger de kolom met de achttiende-eeuwse preken had gestaan. Joost op het pianokrukje. Het was half vier en het licht kwam schuin over de singel naar binnen.

„De vlucht is op dinsdag elf mei,” zei Maarten. „Om tien over zeven, vanaf Schiphol. Ik heb de trein er al bij gezocht. We moeten om vier uur op.”

„Om vier uur,” zei Ellen. „Pa zou het vreselijk vinden.”

„Pa zou het verschrikkelijk vinden. Pa vloog niet.”

„Ma wel.”

„Ma wel,” zei Maarten. „Drie nachten Porto. Een boot over de Douro. Ze heeft het in dat boekje aangestreept. Ik heb het nagekeken; het bestaat nog, dat tochtje. Het is nu veel duurder.”

„Dat is wel een heel dure reis,” zei Joost, en ze lachten alle drie, om iets wat niet grappig was, wat het grappig maakte.


Later, toen Ellen thee was gaan zetten en Maarten op zijn telefoon de vertrektijden aan het vergelijken was, stond Joost op en pakte een van de boeken van Bonnema van de plank. Het middelste. Een geschiedenis van de Ommelanden, zwaar, met een linnen band waarop een kringvormige vlek zat van een kop koffie die iemand, Bonnema waarschijnlijk, er ooit op had gezet.

Hij sloeg het open. Voorin, op het schutblad, de naam van zijn vader, in zwarte vulpen, met een jaartal. H. Wierenga, 1988. Daaronder, in een ander handschrift, potlood: Van Wierenga. Terugbrengen. Verder was het boek schoon. In het hele boek stond niets in de kantlijn. Het was een van de weinige boeken uit het huis waarin zijn vader nooit had geschreven, omdat het dertig jaar niet in het huis was geweest.

Joost haalde de zwarte vulpen uit het bekertje op de vensterbank. Hij had hem bewaard, met het bekertje. De dop zat er stroef op.

Hij ging aan de keukentafel zitten. Hij sloeg de eerste bladzijde van de tekst op. In de witte rand naast de eerste alinea schreef hij, in zijn eigen hand, die niet schuin was en niet recht, maar iets daartussen:

14-3-2027. Lieke heeft een steen. In mei gaan we naar Porto. Het huis is niet meer vol. Het is ook niet leeg.

Hij schoof het boek over de tafel naar Ellen, die met de theepot in haar hand stond. Ze zette de theepot neer en las het. Ze zei niets. Ze pakte de pen van hem aan en schreef eronder, kleiner, blauw had ze niet, dus ook in zwart:

Het is half vier. Kom thee drinken.

Ze schoof het door naar Maarten. Maarten keek op van zijn telefoon, las wat er stond, en bleef er lang naar kijken. Joost dacht dat hij niets zou schrijven. Dat hij het boek zou dichtdoen en zeggen dat ze het niet moesten bederven, dat het een boek van Bonnema was, of van niemand, of van pa.

Toen pakte Maarten de pen.

Ik kom, schreef hij.