Hoofdstuk 8: Een haring en een vader
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Lotte belde met trillende vingers. Ze stond op de kade, tussen de visbakken. Jelmer stond naast haar. Oma had haar fiets tegen een paal gezet en was er ook bij komen staan.
„Femke”, zei de stem.
„Met Lotte. U had gebeld. Drie keer.” Lotte slikte. „Is ze…”
„Nee! Nee, nee.” Femke klonk geschrokken. „O, sorry. Ik had meteen moeten zeggen dat het goed nieuws is. Ik was gewoon zo blij.”
Lotte merkte dat ze haar ogen dicht had. Ze deed ze open. De meeuwen schreeuwden. De zon scheen op het water.
„De koorts is weg”, zei Femke. „Al twee dagen. En vanochtend heeft ze voor het eerst zelf een vis gegeten.”
„Zelf?”
„Helemaal zelf. Een haring. We geven ze eerst vis met de hand, weet je. We doen hun bek open en stoppen de vis erin, met de kop eerst. Dan leren ze slikken. Dat hebben we deze week een paar keer gedaan. Ze vond het vreselijk. Ze blies en ze spuugde hem uit. Maar vanochtend gooide ik er een in haar bak, en ze keek ernaar, en ze zwom erheen, en hap.” Femke lachte. „Weg haring. Ik had beloofd dat ik je zou bellen.”
Lotte draaide zich om naar Jelmer en oma. „Ze heeft een haring gegeten”, zei ze. „Helemaal zelf.”
Jelmer gooide zijn pet in de lucht. Hij landde in een visbak. Sieger viste hem eruit met twee vingers en gaf hem zonder iets te zeggen terug.
„Ze is nog niet beter”, zei Femke door de telefoon. „Ze weegt nu negen en een halve kilo. Dat is nog steeds weinig. Maar als ze zo doorgaat, mag ze over een paar weken naar buiten. Naar een buitenbassin. Dan kun je haar zien.”
„Dank u wel”, zei Lotte. „Echt. Dank u wel.”
„Bedank Zilver maar”, zei Femke. „Zij heeft het gedaan.”
Die zaterdag kwam papa.
Lotte stond al een uur voor het raam. Ze zag de auto pas toen hij al voor de deur stopte. Het was een andere auto dan vroeger. Een kleine, rode. Papa had hem geleend van een collega.
Papa stapte uit. Hij had een nieuwe trui aan. Hij zag er een beetje moe uit. Hij keek naar het huisje, naar de rode deur, en hij bleef heel even staan. Alsof hij moed moest verzamelen.
Lotte rende naar buiten.
„Papa!”
Hij tilde haar op. Dat had hij al lang niet meer gedaan. „Wat ben jij bruin”, zei hij. „En je ruikt naar vis.”
„Dat is van de kotter. Dat gaat er niet meer uit.”
Oma stond in de deuropening. Ze had haar schort af. Lotte merkte dat ze haar goede blouse aan had, de blauwe met de witte knoopjes.
„Ruben”, zei oma.
„Wiep.” Papa zette Lotte neer. Hij wist niet zo goed wat hij met zijn handen moest doen. „Ik… Goed je te zien.”
„Kom binnen”, zei oma. „De koffie is klaar. En ik heb appeltaart.”
Papa ging zitten aan de keukentafel. Op dezelfde stoel waar hij vroeger altijd zat, als ze met kerst bij oma kwamen. Lotte zag het. Ze zag dat oma het ook zag.
Het was een beetje raar, die koffie. Papa zei dat de appeltaart heerlijk was. Oma zei dat ze er een snufje kaneel extra in had gedaan. Ze praatten over het weer en over de wegen en over een wegwerkzaamheid bij Zwolle. Lotte keek van de een naar de ander, als bij een tenniswedstrijd.
Toen zei oma: „Lotte heeft een zeehond gered. Heeft ze dat verteld?”
„Een beetje”, zei papa. „Ik wil het nog een keer horen.”
En toen vertelde Lotte het. Alles. Over het huilen en het wachten. Over de handdoek en het busje en het slangetje en de koorts. Over de haring. Ze praatte zo lang dat haar koffie met melk koud werd.
Papa luisterde. Oma luisterde. Halverwege lachten ze allebei om hetzelfde: om Jelmers pet in de visbak. Ze lachten tegelijk. Daarna was het minder raar.
's Middags liep Lotte met papa over de dijk. De schapen keken hen na. Lotte stelde het schaap met het zwarte gezicht voor. „Dit is mijn vriend”, zei ze. „Hij heet nog niks. Hij kauwt alleen maar.”
„Dan noemen we hem Kauwgom”, zei papa.
Lotte lachte. „Dat is een stomme naam.”
„Hij heeft een stom gezicht.”
Het schaap kauwde. Het leek het niet erg te vinden.
Ze gingen op het wad. Lotte had papa oma's oude laarzen gegeven. Ze waren hem eigenlijk te klein. Hij wankelde bij elke stap.
„Gewoon doorlopen”, zei Lotte, precies zoals Jelmer het tegen haar had gezegd. „Niet stilstaan.”
Papa bleef stilstaan. Hij wilde een wadpierhoopje bekijken. En toen hij weer verder wilde, bleef zijn laars zitten. Hij trok. De laars bleef. Papa trok harder. Zijn voet schoot eruit, in zijn sok, en hij stapte met een sok vol in de modder.
„Bah!”
Lotte lag dubbel van het lachen. Ze moest op haar knieën gaan zitten, in de modder, zo hard moest ze lachen. Papa stond op één been, met een modderige sok in de lucht, en keek haar aan. Toen begon hij ook te lachen.
„Zo ben je je schoenen kwijt”, zei Lotte, toen ze weer kon praten.
„Dat had je wel eerder mogen zeggen.”
„Dat heb ik gezegd! Je moest doorlopen!”
Ze trokken samen de laars uit de modder. Het maakte een geluid als een grote, vieze kus.
Daarna zaten ze op de dijk. Papa had zijn sok uitgedaan. Zijn voet was nog steeds grijs. Hij probeerde hem schoon te vegen met gras.
„Lot”, zei hij. „Mag ik je iets vragen?”
„Hmm.”
„Vind je het erg? Dat je straks bij mij woont, de helft van de tijd?”
Lotte dacht aan het dekbed met de sterren. Aan de parkeerplaats onder het balkon. Aan de pannenkoeken die papa had gebakken op de eerste avond, en die allemaal waren aangebrand, en die ze toch hadden opgegeten met heel veel stroop.
„Nee”, zei ze. „Ik vind het niet erg bij jou. Ik vind het erg dat het niet meer bij ons is.”
Papa knikte. Hij keek naar zijn grijze voet.
„Dat vind ik ook erg”, zei hij. „Echt. Mama en ik hebben het heel lang geprobeerd. Maar het ging niet meer. We maakten elkaar ongelukkig. En dan word jij uiteindelijk ook ongelukkig. Ook al merk je dat niet meteen.”
„Ik merkte het wel”, zei Lotte zacht. „Jullie praatten heel zacht in de keuken. Als jullie dachten dat ik sliep.”
Papa keek haar aan. Hij sloeg een arm om haar heen.
„Dat spijt me”, zei hij.
Ze bleven zo zitten. Het water kwam weer op. Het kroop door de geulen, glinsterend. Lotte dacht aan de moeder op de zandbank, die haar kop optilde en keek of alles veilig was. Papa tilde ook zijn kop op, af en toe. Hij keek naar haar. Dan keek hij weer naar het water.
Toen papa die avond wegreed, zwaaide ze wel. Ze zwaaide tot de rode auto achter de kerk verdween.
Een uur later, toen ze in haar pyjama zat, kreeg ze een appje van Jelmer.
Er ligt weer een zeehond. Bij het strandje achter de haven. En er loopt een man met een grote hond. Zonder lijn. Kom je?