Hoofdstuk 7: De kotter
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Om kwart voor vijf was het nog bijna donker. Er hing een dunne mist boven de haven. De lantaarns maakten er gele bollen in. Lotte had twee truien aan en oma's regenjas, en ze had het nog steeds koud.
„Doe voorzichtig”, zei oma. Ze had Lotte op de fiets naar de haven gebracht, met Lotte achterop. „En doe wat Sieger zegt.”
„Ja, oma.”
„En als je moet overgeven, doe het dan aan de kant waar de wind naartoe waait. Niet ertegenin.”
„Oma!”
De kotter heette Grietje. Hij was blauw met wit, met een hoge stuurhut en twee lange armen aan weerszijden, die nu rechtop stonden, als een kever die zijn pootjes omhoog houdt. Aan de armen hingen netten. Op de boeg stond met grote witte letters een nummer.
Jelmer stond al op het dek. Hij had een oranje zwemvest aan. Hij gooide er ook een naar Lotte.
„Aan. Altijd. Ook als je kunt zwemmen.”
„Ik heb mijn A, B én C.”
„Maakt niet uit. De zee heeft geen diploma's.” Jelmer grijnsde. „Dat zegt mijn vader.”
Sieger stond in de stuurhut. Hij stak één hand op. De motor begon te brommen. Het hele schip trilde ervan, tot in Lottes tanden. Langzaam voeren ze de haven uit, door de sluis, naar buiten.
Op het water was het licht anders. Grijzer, en wijder. De mist trok langzaam op. Achter hen zag Lotte de dijk, als een lange groene streep. Het dorp was een plukje daken. Voor hen was alleen water.
Het schip schommelde. Eerst voelde Lotte het in haar knieën. Toen in haar buik.
„Kijk naar de horizon”, zei Jelmer. „Dan word je niet zo snel misselijk.”
Lotte keek naar de horizon. Het hielp een beetje.
Na een half uur liet Sieger de armen zakken. Ze kwamen met een gierend geluid naar beneden, aan elke kant één. De netten plonsden in het water en verdwenen. Daarna voeren ze heel langzaam verder. Achter het schip kwamen meeuwen. Eerst een paar. Toen tientallen. Ze vlogen krijsend boven het water en doken af en toe naar beneden.
„Die weten wat er komt”, zei Jelmer.
Na een uur haalde Sieger de netten op. De armen gingen omhoog. De netten hingen boven het dek, dik en druipend. Sieger trok aan een touw en alles viel in een grote bak.
Lotte boog zich eroverheen. Het krioelde. Duizenden kleine grijze garnalen, doorzichtig bijna, met lange voelsprieten. Ze sprongen en kronkelden. Daartussen zaten kleine visjes, krabben, een zeester met vier armen en een kwal als een klodder gelatine.
„Alles wat geen garnaal is, gaat terug”, zei Jelmer. Hij pakte de zeester voorzichtig op en gooide hem overboord. „Dat heet bijvangst.”
Lotte hielp mee. Ze pakte kleine visjes op, glibberig en spartelend, en liet ze over de rand vallen. Een krab kneep in haar handschoen. Ze gilde. Jelmer lachte zo hard dat hij bijna omviel.
De garnalen gingen over een trilplaat. De kleintjes vielen door gaatjes terug in zee. De grote gingen in een ketel met kokend zeewater, die midden op het dek stond. Er kwam stoom vanaf. Na een paar minuten waren de garnalen niet meer grijs, maar roze.
„Hier.” Sieger gaf haar een garnaal. Hij was nog warm. „Pellen. Kop eraf, dan het staartje.”
Lotte prutste. Het lukte pas bij de derde. Het garnaaltje was zo klein als haar vingertopje. Ze stopte het in haar mond.
Het smaakte naar de zee. Naar zout, en naar iets zoets daaronder.
„En?” vroeg Sieger.
„Lekkerder dan zeekraal”, zei Lotte.
Sieger knikte, alsof dat een heel goed antwoord was.
Halverwege de ochtend zette Sieger de motor zachter. Ze waren bij een plek waar het water ondiep werd. Een eind verderop stak een zandbank uit het water. Hij was lang en geel, met donkere vlekken erop.
„Pak de kijker maar”, zei Sieger. „Daar.”
Lotte hield de verrekijker voor haar ogen. Ze draaide aan het wieltje. En toen zag ze ze.
Zeehonden. Tientallen zeehonden. Ze lagen op het zand als dikke, glimmende worsten. Sommige lagen op hun rug. Sommige hadden hun kop en hun staart tegelijk omhoog, zodat ze leken op een banaan. Eentje krabde met een voorflipper aan zijn neus, heel langzaam, alsof hij diep nadacht.
„Dichterbij gaan we niet”, zei Sieger. „Dit is een rustgebied. Daar mogen we niet komen. Als we te dichtbij komen, schrikken ze. Dan gaan ze allemaal het water in.”
„Ook de kleintjes?”
„Ook de kleintjes. En dan raken ze elkaar kwijt.”
Lotte zocht de zandbank af. En daar, aan de rand van het water, lag een grote zeehond. Naast haar lag een kleine. Hij was zilvergrijs. Hij lag tegen de buik van de grote aan, met zijn neus tegen haar zij.
„Hij drinkt”, fluisterde Lotte.
„Ja.” Jelmer keek ook, door zijn eigen kijker. „Zie je hoe dik hij is? Die heeft geen nek.”
Lotte bleef kijken. De moeder lag heel stil. Af en toe tilde ze haar kop op en keek om zich heen. Dan legde ze hem weer neer. Het jong dronk en dronk.
Dat had Zilver ook moeten hebben, dacht Lotte. Een moeder die stil bleef liggen. Die keek of alles veilig was.
Ze voelde iets in haar keel. Ze legde de kijker neer.
„Waar is Zilvers moeder nu?” vroeg ze.
Sieger stond achter het roer. Hij keek naar de zandbank. Hij zei een tijdje niets.
„Dat weten we niet”, zei hij toen. „Misschien leeft ze nog. Misschien heeft ze een nieuw jong, volgend jaar. Ze weet niet dat Zilver bestaat. Niet meer.”
„Dat is gemeen.”
„Nee. Dat is de zee.” Sieger draaide aan het roer. De kotter draaide langzaam weg van de zandbank. „Maar de zee is niet alleen gemeen. Kijk.” Hij wees.
Boven de zandbank hing een vogel. Een grote, bruine vogel, met brede vleugels. Hij hing heel stil in de wind. Toen dook hij omlaag, naar het water, en kwam weer omhoog met iets zilverigs in zijn klauwen.
„Een zeearend?” vroeg Jelmer.
„Nee”, zei Sieger. „Een visarend. Die zie je niet vaak hier.”
Lotte keek de vogel na tot hij een stipje was boven de verre eilanden. Het was zo mooi dat het bijna pijn deed. En tegelijk dacht ze nog steeds aan Zilver. Dat kon blijkbaar allebei.
Op de terugweg werd Lotte toch misselijk. Ze hing over de rand, aan de goede kant, met de wind in haar rug. Jelmer hield haar paardenstaart vast. Hij zei niets. Hij lachte niet eens.
„Iedereen heeft dat de eerste keer”, zei hij toen ze klaar was. „Ik ook. Ik moest drie keer.”
„Echt?”
„Nee. Vier keer.”
Ze moest lachen, ook al voelde haar buik als een natte dweil.
Toen ze de haven binnenvoeren, was het bijna middag. De zon scheen. Op de kade stond oma, met haar fiets. Ze zwaaide.
Lotte haalde haar telefoon uit haar binnenzak. Op zee had ze geen bereik gehad. Nu zoemde hij een paar keer achter elkaar.
Drie gemiste oproepen. Allemaal van hetzelfde nummer. Het nummer van het kaartje van Femke.
En een bericht. Lotte, wil je me even bellen? Femke.
Lottes hart begon te bonken. Ze keek naar oma op de kade. Ze keek naar Jelmer.
„Wat is er?” vroeg hij.
Lotte kon niets zeggen. Ze hield hem alleen haar telefoon voor.