Hoofdstuk 6: Twee kamers
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
„Ik heb twee kleurtjes uitgezocht”, zei mama. „Voor je muur. Ik stuur je zo een foto. Je mag kiezen.”
Lotte lag op haar buik op bed. Sjors lag naast haar, als een warme oranje kussen. De telefoon lag op het kussen, met de luidspreker aan.
„Oké”, zei Lotte.
Er kwam een foto binnen. Twee stukjes karton met verf erop. Eén lichtgeel. Eén zachtgroen.
„En?” vroeg mama. „Welke vind je mooi?”
„Weet ik niet.”
„Neem je tijd.” Mama klonk vrolijk. Te vrolijk. Zo klonk ze altijd als ze heel erg haar best deed. „O, en nog iets. Ik ben aan het inpakken. Je knuffels. Wil je ze allemaal bij mij, of wil je er een paar meenemen naar papa? Je hebt daar nog niks op je bed. Alleen dat dekbed.”
Lotte ging rechtop zitten. Sjors keek beledigd op.
„Moet ik dat nu kiezen?”
„Nee, nee. Het hoeft niet nu. Ik dacht alleen…”
„Ik wil niet kiezen!” Het kwam er harder uit dan Lotte had bedoeld. Maar nu het eruit was, kon ze niet meer stoppen. „Ik wil niet kiezen welke knuffels waar gaan! Ik wil niet kiezen welke kleur! Ik wil niet kiezen welk huis! Jullie kiezen alles en dan moet ik het leuk vinden!”
Het was stil aan de andere kant.
„Lotte…”
Lotte drukte op het rode rondje. Toen gooide ze de telefoon aan het voeteneind van het bed. Sjors sprong eraf en verdween onder het bed.
Ze bleef zitten. Haar hart bonsde. Haar wangen waren heet. Beneden hoorde ze oma de afwas doen. Het rinkelen van borden. Toen werd het stil in de keuken.
De telefoon trilde. Mama. Lotte nam niet op. Hij trilde nog een keer. Toen niet meer.
De volgende dagen deed Lotte alsof er niets gebeurd was. Ze speelde met Jelmer op de dijk. Ze hielpen Sieger met het schoonmaken van de netten. Er zaten krabbetjes in en stukjes zeewier en één keer een hele kleine platvis, die Jelmer terug in het havenwater gooide. Ze aten patat bij De Zeemeeuw, met mayonaise en uitjes.
Mama belde elke avond. Lotte zei „goed” en „niks” en „ja hoor”. Over de kleuren zei ze niets. Mama vroeg er ook niet meer naar.
Elke ochtend belde oma de opvang. Elke ochtend zei een stem hetzelfde: „Stabiel.” Lotte wist niet precies wat het betekende. Oma zei dat het betekende dat het niet slechter ging. En ook niet beter.
Maar op woensdag was het anders.
Lotte stond naast oma in de gang. Ze hoorde de stem niet goed. Ze hoorde alleen oma. „O. Ja. Ja, ik begrijp het.” Oma's gezicht werd ernstig. „Dank u wel. Ja. We bellen morgen weer.”
Oma legde de telefoon neer. Ze legde een hand op Lottes schouder.
„Ze heeft koorts gekregen”, zei oma. „Een ontsteking, denken ze. Ze is wat afgevallen. Ze krijgt nu andere medicijnen.”
„Afgevallen? Maar ze was al te mager!”
„Ja.” Oma zei verder niets. Ze kon niets zeggen wat het beter maakte. Dat wist ze, en Lotte wist het ook.
Lotte draaide zich om. Ze trok haar laarzen aan, zonder sokken. Ze rende naar buiten, langs de bonen, het paadje op. Ze rende tot ze boven op de dijk stond, met de wind in haar gezicht.
Het was hoog water. Het wad was verdwenen. Er was alleen nog grijs water, met kleine golfjes, tot aan de horizon. Een eind verderop dobberden eenden. Ze dreven gewoon, zonder iets te doen. Lotte had zin om een steen naar ze te gooien. Ze deed het niet.
Ze ging zitten in het natte gras. Haar broek werd koud. Het kon haar niet schelen.
Na een hele tijd hoorde ze iemand hijgen. Oma klom het paadje op. Ze deed het langzaam, met één hand op haar knie. Toen ze boven was, bleef ze even staan om op adem te komen.
„Die dijk wordt elk jaar hoger”, zei ze.
„Dat is niet waar.”
„Voor mij wel.” Oma ging naast haar zitten. Ze had een vest bij zich. Ze legde het om Lottes schouders.
Ze zaten daar. Oma zei niets. Dat vond Lotte fijn. Als oma iets had gezegd, zoals „het komt wel goed”, dan was Lotte opgestaan en weggegaan.
„Ik heb tegen mama geschreeuwd”, zei Lotte na een tijd.
„Dat dacht ik al.”
„Ik heb opgehangen.”
„Hmm.”
„Ze wil dat ik kies. Welke kleur. Welke knuffels. Alsof ik een winkel ben.” Lotte trok aan een grassprietje. „Als ik iets bij papa leg, dan is het niet meer bij mama. En als ik het leuk vind bij papa, dan is mama misschien verdrietig. En andersom ook.”
Oma knikte langzaam. Ze keek naar het water.
„Weet je wat ik denk?” zei ze toen. „Ik denk dat jij overal tegelijk verdrietig probeert te zijn. Voor mama. Voor papa. Voor die zeehond. Dat is heel veel voor één meisje.”
Lotte zei niets. Haar ogen prikten.
„Opa zei vroeger altijd iets over het wad”, zei oma. „Dat het nooit van één ding is. Het is van het land en van de zee. Zes uur van het ene, zes uur van het andere. En toch is het één plek. Het wordt er niet minder van. Juist meer. Er leven meer dieren op het wad dan bijna waar ook.”
„Dat is gewoon iets wat opa zei.”
„Ja.” Oma lachte zacht. „Opa zei veel. Hij had niet altijd gelijk. Maar hier wel.”
Ze bleven zitten tot de zon heel laag stond. Het water was oranje en roze geworden. Een rij ganzen vloog over, in een lange schuine streep. Ze riepen naar elkaar.
„Ik ben ook boos op Zilver”, zei Lotte opeens. „Dat ze ziek is. Is dat raar?”
„Nee”, zei oma. „Dat is niet raar. Dat is houden van, maar dan aan de verkeerde kant.”
Toen ze thuiskwamen, pakte Lotte haar telefoon. Ze ging op de trap zitten en belde mama.
Mama nam meteen op. „Lot?”
„Sorry”, zei Lotte. „Dat ik ophing.”
„O, lieverd.” Mama's stem klonk dik, alsof ze verkouden was. „Ik ook sorry. Ik had het niet zo moeten vragen. Alsof het een boodschappenlijstje was.”
„Ik wil geen geel en geen groen”, zei Lotte.
„Nee?”
„Ik wil grijsblauw. Zoals het wad. Als het net vloed wordt. Dan is het niet grijs en niet blauw, maar allebei.”
Mama was even stil. „Dat zal ik zoeken”, zei ze toen. „Ik ga morgen naar de verfwinkel. Ik neem een foto van het wad mee. Stuur je er een?”
„Ja.”
„En de knuffels?”
Lotte dacht na. „Die mag je allemaal bij jou houden. Behalve de zeehond. Die neem ik mee. Naar waar ik ben.”
„Dat vind ik heel verstandig”, zei mama.
Daarna vertelde Lotte over Zilver. Over de koorts. Mama luisterde. Ze zei niet dat het goed zou komen. Ze zei: „Wat rot, Lot. Wat rot voor jou.” En dat was precies goed.
Toen Lotte had opgehangen, kwam er een appje binnen. Van Jelmer.
Mijn vader vraagt of je maandag mee wil op de kotter. Om 5 uur s ochtends. We gaan langs de platen waar de zeehonden liggen. Je moet wel een emmer meenemen voor als je moet overgeven.
Lotte las het drie keer. Toen stuurde ze een duim terug. En een zeehond. En nog een duim.