Hoofdstuk 5: Achter het glas

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Jelmers vader heette Sieger. Hij was groot en breed, met handen als schoppen en een baard die al grijs begon te worden. Hij rook naar diesel en naar zout. Hij zei niet veel.

„Moi”, zei hij, toen Lotte op zaterdagochtend in zijn auto stapte.

„Moi”, zei Lotte.

Dat was het hele gesprek, tot aan de eerste rotonde.

De auto was eigenlijk een bestelbus. Achterin lagen kratten en opgerolde touwen. Er hing een dennenboompje aan de spiegel dat allang niet meer naar dennen rook. Jelmer zat in het midden, tussen Lotte en zijn vader. Hij had een zak drop meegenomen. Zoute drop, natuurlijk.

„Vandaag vist hij niet”, legde Jelmer uit. „Op zaterdag gaat de kotter niet uit. Dan doet hij de netten.”

„Maar vandaag doe ik de netten niet”, zei Sieger. „Vandaag rijd ik twee wadpieren naar de zeehonden.”

Jelmer grinnikte. Lotte keek opzij. Sieger keek gewoon naar de weg. Maar in zijn baard zag ze iets wat op een glimlach leek.


De opvang lag een uur rijden verderop. Het waren een paar lage gebouwen achter de dijk, met een parkeerplaats vol auto's met kinderzitjes. Er hing een bord met een getekende zeehond. Het rook er naar vis. Heel erg naar vis.

„Bah”, zei Lotte.

„Lekker, hè”, zei Jelmer.

Binnen was het druk. Er liepen gezinnen met ijsjes. Er waren borden met foto's en tekeningen. Lotte las dat er twee soorten zeehonden in de Waddenzee leven: de gewone zeehond en de grijze zeehond. De grijze zeehond is groter en krijgt zijn jongen in de winter. De gewone zeehond krijgt zijn jongen in juni en juli.

„Zilver is dus een gewone”, zei Lotte.

„Niks gewoon aan”, zei Sieger. Het was het langste wat hij die ochtend had gezegd.

Buiten waren bassins. Grote ronde bakken vol water, met een hek eromheen. In het water zwommen zeehonden. Ze waren groter dan Zilver, en dikker. Ze draaiden rondjes en doken onder en kwamen weer boven, met hun neus in de lucht. Eentje lag op de rand te slapen, met zijn ogen dicht en zijn voorflippers over zijn buik gevouwen. Alsof hij een dutje deed na een groot diner.

Lotte liep langs alle bassins. Ze keek naar elke kop. Ze zocht een witte plek.

Ze vond hem niet.

„Ze is hier niet”, zei ze.

„Misschien ligt ze binnen.”

Ze liepen terug naar de balie. Er stond een jonge vrouw achter, met een vlecht en een groene trui met het logo van de opvang erop. Op haar naamkaartje stond FEMKE.

„Ik kom voor de huiler van Zwartdijk”, zei Lotte. „Zilver. Ik bedoel, ze heeft een nummer, maar ik noem haar Zilver. Ik heb haar gevonden. Nou ja, wij.” Ze wees naar Jelmer.

Femke keek op. „O! Zijn jullie dat? Harm vertelde over jullie. Dat jullie urenlang op de dijk hebben gezeten.” Ze kwam achter de balie vandaan. „Kom even mee. Ik heb tien minuten pauze.”


Femke nam hen mee naar een bankje in de schaduw. Ze ging zitten met een beker koffie. Lotte bleef staan.

„Kan ik haar zien?”

„Nee”, zei Femke. „Dat gaat niet. Het spijt me.”

Lotte had het geweten. Ergens had ze het geweten. Toch voelde het als een steen in haar maag.

„Ze ligt in de quarantaine”, legde Femke uit. „Alle zeehonden die binnenkomen, gaan eerst daar naartoe. Een aparte ruimte. Zodat ze geen ziektes doorgeven aan de anderen. Daar mag niemand komen, behalve de verzorgers. En wij moeten ons elke keer omkleden en onze handen wassen en door een bak met ontsmettingsmiddel lopen.”

„Hoe gaat het met haar?”

Femke dacht na. Lotte zag dat ze haar woorden uitkoos. Dat deden volwassenen altijd als het niet zo goed ging.

„Ze is zwak”, zei Femke. „Ze is uitgedroogd en ze is te mager. Daarom krijgen ze eerst vocht. En daarna vispap. Dat is een soort smoothie van vis, met vitamines erin. Die krijgt ze via een slangetje in haar maag. Want zelf eten kan ze nog niet.”

„Waarom niet?”

„Omdat haar moeder haar melk gaf. Ze heeft nog nooit een vis gezien. Ze weet niet eens dat vis eten is.” Femke nam een slok koffie. „Dat moet ze allemaal nog leren. Eerst moet ze sterker worden. We hebben ook gekeken of ze longwormen heeft. Dat hebben veel jonge zeehonden.”

„Wormen? In haar longen?” Lotte trok een vies gezicht. „Net als de wadpieren?”

Femke lachte. „Nee, die zijn een stuk kleiner. Maar ze kunnen je wel heel ziek maken. Zilver heeft ze een beetje. Daar krijgt ze medicijnen voor.”

„En gaat ze dan beter worden?”

Femke keek Lotte recht aan. „Ik weet het niet”, zei ze. „Dat is eerlijk. De eerste weken zijn het moeilijkst. Sommige pups worden heel snel sterker. Andere hebben meer tijd nodig. En sommige redden het niet. Maar ik kan je wel vertellen dat ze vecht. Ze blies vanochtend naar me toen ik haar slangetje gaf. Dat is een goed teken. Een zeehond die boos wordt, heeft nog energie.”

Lotte dacht aan de kleine tandjes. Ze dacht aan Harm met de handdoek. Ze glimlachte een beetje.

„Mag ik bellen? Om te vragen hoe het gaat?”

„Je mag altijd bellen.” Femke schreef iets op een kaartje. „En als ze naar buiten mag, naar de bassins, dan laat ik het je weten. Dan kun je haar zien. Achter het hek. Van een afstandje.”

„Wanneer is dat?”

„Als ze zelf vis eet. Eerder niet.”

Lotte stopte het kaartje bij het papiertje van Harm, in haar broekzak.


Op de terugweg zat Lotte bij het raam. De weilanden schoven voorbij. Overal stonden koeien, zwart-wit, met hun koppen allemaal dezelfde kant op.

Sieger zette de radio aan. Er was een man die over het weer praatte. Hij zei iets over wind en buien. Sieger luisterde heel aandachtig en zette de radio daarna weer uit.

Jelmer bood haar de zak drop aan. Lotte nam er één. Hij was zo zout dat haar tong ervan prikte.

„Je bent stil”, zei Jelmer.

„Jij ook altijd.”

„Ik ben niet altijd stil. Mijn vader is altijd stil.”

„Ik hoor je wel”, zei Sieger.

Lotte keek naar de drop in haar hand. „Jelmer. Waar is jouw moeder eigenlijk?”

Ze had het willen vragen sinds de eerste dag. In Jelmers huis was niets van een moeder. Geen tweede jas aan de kapstok. Geen bloemetjes. Alleen netten en laarzen en een stapel kranten.

„In Leeuwarden”, zei Jelmer. Hij zei het heel gewoon. „Ze woont daar met Rik. En met mijn kleine zusje. Die is twee. Om het weekend ga ik erheen.”

Lotte keek naar hem. Hij keek naar buiten.

„Is dat…” Ze wist niet hoe ze het moest vragen.

„Raar?” Jelmer haalde zijn schouders op. „Eerst wel. Ik was zeven. Ik wilde niet. Ik heb mijn tas een keer in de sloot gegooid zodat ik niet hoefde te gaan.” Hij grinnikte. „Mijn vader heeft hem eruit gevist. Met een net.”

„Met een garnalennet”, zei Sieger. „Er zaten twee stekelbaarsjes in je sokken.”

Jelmer lachte. Lotte lachte ook. Toen werd het weer even stil.

„Nu is het gewoon”, zei Jelmer. „Ik heb daar een kamer. Met een bed dat in de muur kan worden geklapt. Mijn zusje kruipt er elke ochtend in. Ze noemt me Jemme. Ze kan geen L zeggen.”

Lotte dacht aan het dekbed met de sterren. In papa's flat. Ze had er drie keer onder geslapen. Ze had het lekker gevonden, en ze had dat aan niemand verteld. Alsof het verraad was.

Haar telefoon zoemde. Een bericht van mama.

Hoi schat! Ik heb nieuws over je kamer in het nieuwe huis. Bel je me vanavond? Ik moet je iets vragen. X

Lotte keek lang naar het scherm. Toen stopte ze de telefoon weg.