Hoofdstuk 2: Laarzen in de modder

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Om half tien stond Lotte al bij de rode deur. Ze had haar laarzen aan en een oude regenjas van oma, want de lucht was die ochtend wit en winderig.

„Je bent vroeg”, zei oma. Ze stond in de moestuin bonen te plukken.

„Ik heb niks anders te doen.”

„Dat is waar.” Oma glimlachte. „Doe Jelmer de groeten. En luister naar hem als het over het water gaat. Daar weet hij meer van dan de burgemeester.”

Jelmer zat al op de dijk. Hij had dezelfde rode pet op, en een lange stok in zijn hand.

„Waar is die stok voor?”

„Om te prikken. Dan weet je of de grond zacht is.” Hij keek naar haar laarzen. „Goed. Die zijn hoog genoeg.”

Ze liepen de dijk af aan de zeekant. Eerst kwam het groene stuk met de paarse bloemetjes. „Dat is de kwelder”, zei Jelmer. „Die loopt soms onder water, als het hoog vloed is. Daarom groeien hier alleen planten die tegen zout kunnen.” Hij plukte een groen sprietje met kleine knobbeltjes. „Proef maar.”

Lotte keek hem wantrouwig aan.

„Echt. Het is zeekraal. Mensen eten het in dure restaurants.”

Ze beet erop. Het was knapperig en heel zout. Een beetje als een augurk die in de zee had gezwommen.

„Best lekker”, gaf ze toe.

„De paarse bloemen zijn lamsoor”, zei Jelmer. „Die moet je laten staan, zegt mijn vader. Mijn opa plukte ze vroeger met bossen tegelijk. Daarom zijn er nu minder.”

Na de kwelder begon het wad. Lotte zette haar eerste stap. Haar laars zakte weg in de grijze modder, tot over haar enkel. Het maakte een geluid als een grote kus.

„Bah!”

„Niet blijven staan”, zei Jelmer. „Gewoon doorlopen. Dan zak je niet zo diep.”

Bij de volgende stap bleef haar laars bijna achter. Ze trok haar voet omhoog en wankelde. Jelmer greep haar arm.

„Zie je”, zei hij. „Zo ben je je schoenen kwijt.”

Na een tijdje werd de grond harder. Het was nu meer zand dan modder. Er stonden kleine ribbeltjes in, zoals op een wasbord. Overal lagen hoopjes. Ze leken op kleine slierten spaghetti, van zand.

„Wat zijn dat?”

„Poep van de wadpier.” Jelmer hurkte. „Hij zit hier onder de grond, in een gang die eruitziet als een U. Aan de ene kant eet hij zand. Aan de andere kant poept hij het weer uit. Al het eten haalt hij eruit.” Hij wees naar een klein kuiltje naast het hoopje. „Daar zit zijn kop. En hier zijn achterkant.”

„Dus hij eet zijn eigen huis op?”

„Zo ongeveer.”

Lotte moest lachen. Ze had niet verwacht dat ze vandaag zou lachen. Het kwam er gewoon uit.


Ze liepen verder. Jelmer wees haar van alles. Kleine slakjes, niet groter dan een rijstkorrel, die met duizenden tegelijk op de natte grond lagen. „Wadslakjes. Die eten de vogels.” Schelpen die dicht waren en zwaar. „Kokkels. Die leven nog.” Een krab die zijwaarts wegrende en zijn scharen omhoog hield, alsof hij wilde vechten.

„Die is boos”, zei Lotte.

„Die is bang. Dat lijkt hetzelfde.”

Overal liepen vogels. De zwart-witte met de oranje snavels waren scholeksters, zei Jelmer. Ze prikten met hun snavel in de kokkels en wrikten ze open. Verderop stonden grote witte vogels met een snavel als een soeplepel. Ze zwaaiden hun kop van links naar rechts door het water.

„Lepelaars”, zei Jelmer. „Die vangen zo garnaaltjes. Ze voelen ze met hun snavel.”

„Hoe weet jij dat allemaal?”

Jelmer haalde zijn schouders op. „Ik woon hier. Mijn vader vist hier. Mijn opa viste hier. Als je hier woont, weet je het gewoon.” Hij trapte tegen een schelp. „Weet jij dan alles van Utrecht?”

Lotte dacht na. Ze wist waar de beste ijswinkel was. Ze wist dat je op de Dom kon klimmen en dat het meer dan vierhonderd treden waren. Ze wist welke stoeptegels in haar straat loszaten.

Ze wist niet meer welk huis ze straks het hare moest noemen.

„Een beetje”, zei ze.


Ze waren al een heel eind van de dijk. Lotte draaide zich om. Het dorp was klein geworden. De scheve kerktoren stak er net bovenuit. Oma's huisje kon ze niet eens meer zien.

„Hoe ver gaan we?”

„Niet veel verder.” Jelmer prikte met zijn stok in de grond. „Je mag nooit alleen ver het wad op. En ook niet met mij. Alleen met een gids. Echte wadlopers gaan soms helemaal naar een eiland. Maar die weten precies hoe laat het water komt. En waar de geulen zijn.”

„Geulen?”

„Diepe stroompjes. Als het vloed wordt, lopen die het eerst vol. Heel snel. Dan kun je opeens niet meer terug.” Hij keek naar de lucht, en toen naar het water in de verte. „Het water is er straks over een uur of drie weer. Maar we gaan zo terug. Mijn vader zegt: het wad is mooi, maar het is niet van jou.”

Lotte vond het een rare zin. Maar ze onthield hem.

Ze bleven nog even staan. Het was stil. Niet stil zoals in een lege klas, maar stil met geluiden erin. Het tikken van slakjes. Het fluiten van de scholeksters. Ergens, heel ver weg, het brommen van een boot. En de wind, die over alles heen streek.

Lotte haalde diep adem. De lucht rook naar zout en modder en een beetje naar rotte eieren.

„Het stinkt hier”, zei ze.

„Ja”, zei Jelmer trots.

Toen zag ze het.

Ver weg, rechts van hen, lag iets op een zandbank. Iets donkers. Het was te groot voor een vogel en te rond voor een steen. Het lag heel stil.

„Wat is dat?” Ze wees.

Jelmer kneep zijn ogen tot spleetjes. Hij zei een tijdje niets.

„Een zeehond, denk ik”, zei hij toen. „Of een stuk hout.”

„Een zeehond? Echt?”

„Ze liggen hier vaak. Op de platen, als het eb is. Dan rusten ze uit.” Jelmer deed een stap terug. „We moeten niet dichterbij gaan.”

„Waarom niet? Ik wil hem zien!”

„Omdat het niet mag. En omdat het te ver is.” Hij klonk opeens net als een volwassene. „Je loopt er niet zomaar naartoe. Kom, we gaan terug.”

Lotte bleef staan. Ze tuurde naar het donkere stipje. Het bewoog. Heel even maar. Het tilde iets op, een kop misschien, en liet het weer zakken.

„Hij leeft”, fluisterde ze.

„Natuurlijk leeft hij. Kom nou.”

Ze liep met Jelmer mee terug. Maar bij elke tien stappen keek ze om. Het stipje werd kleiner en kleiner. Tot ze het niet meer kon zien.


Thuis waste oma de modder van haar laarzen met de tuinslang. Er zat zelfs modder in haar haar.

„Nou, nou”, zei oma. „Jij bent echt op het wad geweest.”

„We hebben een zeehond gezien.”

„Zo. Dan heb je geluk gehad.”

„Gaat hij daar dood? Als hij daar alleen ligt?”

Oma draaide de kraan dicht. Ze keek Lotte aan met haar heldere grijze ogen. „Zeehonden horen daar”, zei ze. „Ze liggen op het zand om te rusten en om warm te worden. Als het water komt, gaan ze weer zwemmen. Je hoeft je geen zorgen te maken.”

Lotte knikte. Maar die avond, toen ze in bed lag, dacht ze nog steeds aan het stipje. Aan het kopje dat even omhoog ging en weer zakte. Het had er niet uitgezien alsof hij uitrustte.

Het had eruitgezien alsof hij moe was.

Ze pakte haar telefoon, die eigenlijk alleen voor bellen was, en zocht in de getijdenapp die Jelmer haar had laten zien. Overmorgen was het eb om tien voor twaalf.

Ze zette een wekker.