Hoofdstuk 1: Het huis achter de dijk

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De auto rook naar zonnebrandcrème en boterhammen met kaas. Lotte zat achterin met haar knieën opgetrokken. Ze keek naar buiten, naar de weilanden. Ze waren groen en plat en heel erg leeg.

„Kijk, Lotte, een kerktoren”, zei mama. „Daar is het bijna.”

Lotte zei niets. Er waren al zeker tien kerktorens voorbij gekomen. Ze leken allemaal op elkaar. Een dorp, een kerk, een paar bomen. Weer een dorp, weer een kerk.

„Zes weken”, zei ze toen toch. „Dat is veertig dagen.”

„Tweeënveertig”, zei mama zacht. „Maar ik bel elke avond. En papa ook.”

Lotte trok haar knieën nog wat hoger. Papa belde nu ook elke avond. Dat was nieuw. Vroeger hoefde papa niet te bellen. Vroeger zat hij gewoon aan tafel, met zijn bril op zijn hoofd, en deed hij alsof hij de krant las terwijl hij stiekem naar het voetbal keek.

Sinds april woonde papa in een flat. Hij had twee kamers en een balkon met uitzicht op een parkeerplaats. In de kleine kamer stond een bed voor Lotte, met een nieuw dekbed met sterren erop. Lotte vond het een mooi dekbed. Ze had dat niet gezegd.

En nu moest mama verhuizen. Hun eigen huis werd verkocht. Mama ging naar een kleiner huis, aan de andere kant van de stad. Daar moest geschilderd worden, en gesjouwd, en uitgezocht. „Dat wil ik je niet aandoen”, had mama gezegd. „Zes weken met dozen en verf. Bij oma is het veel fijner.”

Fijner. Lotte had het woord in haar hoofd steeds opnieuw gezegd, tot het niets meer betekende.


Het dorp heette Zwartdijk. Het lag zo ver in het noorden van Groningen dat het bijna in de zee viel. Er was één straat met huizen, een kerk met een scheve toren, een kleine haven en een snackbar die De Zeemeeuw heette. En er was een dijk. Een lange, groene dijk, die het hele dorp in zijn armen hield.

Oma Wiep woonde in het laatste huis, vlak onder de dijk. Het was een laag huisje met een rode deur en een moestuin vol bonen. Toen de auto stopte, ging de deur al open.

„Daar zijn jullie!” Oma veegde haar handen af aan haar schort. Ze rook naar deeg en naar zeep. „Lotte, meid, wat ben je groot geworden. Je bent zeker een kop gegroeid.”

„Twee centimeter”, zei Lotte.

„Dat is een heleboel, twee centimeter.” Oma knipoogde. „Kom binnen. Ik heb krentenbollen gebakken. En Sjors heeft zich onder de bank verstopt, want hij houdt niet van auto's.”

Sjors was oma's kat. Hij was dik en oranje en hij had maar één heel oor. Het andere was half. „Van een vechtpartij met een meeuw”, zei oma altijd. Lotte wist niet of dat waar was.

Ze aten krentenbollen aan de keukentafel. Ze waren nog warm. De boter smolt erop. Lotte at er twee, ook al wilde ze eigenlijk geen honger hebben.

Mama en oma praatten met zachte stemmen over dozen en makelaars. Lotte deed alsof ze niet luisterde. Ze keek naar de klok aan de muur. Het was een klok met een schip erop. Bij elke tik wiebelde het schip een klein stukje heen en weer.

„Nou”, zei mama ten slotte. Ze stond op. „Ik moet weer, schat. Het is drie uur rijden.”

Lotte bleef zitten.

„Lot.” Mama hurkte naast haar stoel. „Kijk me eens aan.”

Lotte keek naar mama's oorbellen. Kleine zilveren maantjes. Die had papa ooit voor haar gekocht.

„Het is niet voor altijd”, zei mama. „Het is een zomer. Eén zomer. En daarna heb je twee huizen, met allebei een eigen kamer. Dat hebben niet veel kinderen.”

„Ik wil geen twee huizen”, zei Lotte. „Ik wil één huis, maar dan goed.”

Mama zei even niets. Toen gaf ze Lotte een kus op haar haar. Het was een lange kus, zo een waarbij je de adem van iemand voelt.

„Ik weet het, lieverd”, zei ze. „Ik weet het.”

Lotte zwaaide niet toen de auto wegreed. Ze stond bij het raam en keek tot hij achter de kerk was verdwenen. Toen ging ze op de bank zitten. Onder haar voeten hoorde ze Sjors spinnen.


„Je moet even naar buiten”, zei oma na een tijdje. „Anders word je zo grijs als het weer.”

„Het is helemaal niet grijs.”

„Nee”, gaf oma toe. „Vandaag niet. Daarom moet je juist naar buiten. Ga maar eens op de dijk kijken. Wie op de dijk staat, ziet de hele wereld.”

Lotte zuchtte. Maar ze trok haar gympen aan.

Achter het huis liep een smal paadje omhoog. Het gras was kort, kortgegeten door de schapen. Overal lagen keutels. Lotte stapte er voorzichtig omheen. Een schaap keek haar aan en kauwde rustig verder. Het had een zwart gezicht en heel gele ogen.

„Wat kijk jij”, zei Lotte.

Het schaap kauwde.

Boven op de dijk woei het harder. De wind trok aan haar paardenstaart en blies in haar oren. Lotte draaide zich om, naar de andere kant.

En toen bleef ze staan.

Ze had gedacht dat er zee zou zijn. Blauwe zee, met golven, zoals in Zandvoort. Maar dit was geen zee. Dit was iets anders. Voor haar lag een strook groen land met paarse bloemetjes erin. Daarachter begon een enorme vlakte. Grijs en bruin en glimmend. Er liepen kleine riviertjes doorheen, die schitterden in de zon. Hier en daar stonden plassen. En helemaal aan het eind, zo ver weg dat het bijna niet meer echt was, zag ze een smalle, blauwe streep.

Overal op die glimmende vlakte liepen vogels. Zwart-witte vogels met lange oranje snavels. Ze prikten in de grond en riepen naar elkaar. Het klonk als een heleboel kleine fluitjes tegelijk.

„Waar is het water?” vroeg Lotte hardop.

„Dat komt zo terug.”

Lotte schrok. Een paar meter verderop zat een jongen in het gras. Ze had hem niet gezien. Hij had een rode pet op, achterstevoren, en sproeten. Heel veel sproeten. Naast hem lag een emmertje.

„Wat?” zei Lotte.

„Het water.” De jongen wees naar de verte. „Het is nu eb. Dan is het weg. Straks wordt het vloed, dan komt het terug. Twee keer per dag.” Hij zei het alsof iedereen dat wist. Alsof Lotte had gevraagd of de zon morgen weer zou opkomen.

„Dat weet ik heus wel”, zei Lotte, al wist ze het eigenlijk maar half.

„Ben jij die van Wiep?”

„Ik ben van niemand.”

De jongen haalde zijn schouders op. „Je lijkt op haar. Je kijkt net zo.” Hij stond op en pakte zijn emmertje. Er zat modder in, en iets wat bewoog.

„Wat zit daarin?”

„Wadpieren. Voor mijn vader. Hij vist er niet mee, maar hij wil weten of ze dik zijn dit jaar.” De jongen grijnsde. „Grapje. Ik wil weten of ze dik zijn. Mijn vader vist op garnalen.”

Lotte keek in het emmertje. Er lagen lange, roodbruine wormen in de modder. Ze kronkelden langzaam. Ze waren zo dik als haar pink.

„Gadver”, zei ze. Maar ze bleef kijken.

„Ik ben Jelmer”, zei de jongen. „Moi.”

„Wat?”

„Moi. Dat zeg je hier. Dat is hallo.”

„O.” Lotte dacht even na. „Moi”, zei ze toen. Het voelde raar in haar mond.

Jelmer knikte tevreden. Hij liep de dijk af, naar de kant van het dorp. Halverwege draaide hij zich nog één keer om.

„Morgen is het eb om tien uur”, riep hij. „Als je wilt, laat ik je het wad zien. Maar je moet laarzen aan. Anders ben je je schoenen kwijt.”

„Hoe kun je nou je schoenen kwijt zijn?”

Jelmer lachte alleen maar. Toen was hij weg, achter de daken.

Lotte bleef nog lang op de dijk staan. Ze keek hoe het licht veranderde. Hoe de riviertjes langzaam breder werden en de glimmende vlakte kleiner. Het water kwam terug, precies zoals Jelmer had gezegd. Het kwam heel stil. Zonder golven. Alsof iemand ergens een kraan had opengedraaid.

Die avond belde papa. Hij vroeg hoe de reis was geweest. Hij vroeg of oma lief was. Hij vroeg of ze al iets leuks had gezien.

„Een jongen met wormen”, zei Lotte.

Papa lachte. Het klonk een beetje ver weg. „Dat klinkt als een goed begin”, zei hij.

Lotte wist niet of het een goed begin was. Maar toen ze in bed lag, in het kleine kamertje onder het schuine dak, zocht ze toch haar oude regenlaarzen op. Ze zette ze naast haar bed. Voor het geval dat.