Hoofdstuk 11: Grijsblauw

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De muur was grijsblauw.

Lotte stond in de deuropening van haar nieuwe kamer en keek. De kamer was kleiner dan haar oude. Hij had een schuin plafond en een raam dat uitkeek op een tuin met een appelboom. Er stonden nog drie dozen in de hoek. Haar bed stond onder het raam.

En de muur was grijsblauw. Niet grijs en niet blauw, maar allebei. Precies zoals het wad, als het net vloed werd.

„Is het goed?” vroeg mama achter haar. „Ik ben drie keer naar de verfwinkel geweest. De man daar werd gek van me.”

Lotte liep naar binnen. Ze legde haar hand op de muur. Hij voelde koel en glad.

„Het is precies goed”, zei ze.

Mama ademde uit. Lotte hoorde het. Alsof ze al die tijd haar adem had ingehouden.

Die eerste avond lag Lotte in bed en keek naar de muur. In het donker leek hij bijna zwart. Toen de maan door het raam scheen, werd hij weer grijsblauw. Ze legde de knuffelzeehond naast haar hoofd. Ze voelde aan de schelp om haar nek. Toen viel ze in slaap.


De eerste week was ze bij mama. De tweede week bij papa. Zo zou het gaan, hadden ze afgesproken. Elke vrijdag na school wisselen.

Het was raar, die eerste vrijdag. Lotte stond met haar tas in de gang. Ze had alles ingepakt: haar schoolspullen, haar pyjama, haar tandenborstel. En de knuffelzeehond.

„Je hebt bij papa ook een tandenborstel”, zei mama.

„Weet ik. Maar dit is mijn tandenborstel.”

Mama glimlachte. Ze zei er verder niets van.

Papa haalde haar op met de fiets. Ze fietsten samen door de stad, over de grachten, langs de Dom. Het rook naar friet en naar regen op warme stenen. Bij papa's flat zette ze de knuffelzeehond op het dekbed met de sterren.

„Zo”, zei ze. „Nu woont hij hier ook.”

„Hij is welkom”, zei papa. „Zolang hij niet naar vis ruikt.”

„Hij ruikt een beetje naar vis.”

„Dan is hij half welkom.”

Lotte lachte. Papa had pannenkoeken gebakken. Ze waren niet aangebrand. Bijna niet.


Toen begon school. Groep zes. Een nieuwe juf, juf Samira, met grote gouden oorringen en een stem die je tot in de gang kon horen.

„Wie heeft er iets bijzonders meegemaakt in de vakantie?” vroeg ze op de eerste dag, in de kring.

Daan was naar Spanje geweest en had een kwal aangeraakt. Hij liet de rode plek op zijn arm zien. Iris had een puppy gekregen. Mohammed was bij zijn opa in Marokko geweest en had op een kameel gereden.

Toen keek juf Samira naar Lotte.

Lotte had niet van plan gehad om iets te zeggen. Maar opeens zei ze het toch.

„Ik heb een zeehond gered.”

Het werd stil in de kring.

„Nou ja”, zei Lotte. „Niet echt gered. Ik heb hem gevonden. En ik heb hem níét aangeraakt. Dat is het belangrijkste.”

En toen vertelde ze het. Over het huilen en het wachten en het tij. Over Harm en de handdoek. Over de nek en het slangetje en de koorts. Over de haring. De hele klas luisterde. Zelfs Daan, die nooit luisterde.

„Waarom mocht je hem niet aanraken?” vroeg Iris.

„Omdat hij kan bijten. En omdat zijn moeder misschien terug zou komen. En omdat hij wild moet blijven.”

„Maar dat is toch zielig”, zei Daan. „Als hij alleen ligt.”

„Ja”, zei Lotte. „Het voelt heel zielig. Maar het is het beste. Soms is het beste iets wat helemaal niet goed voelt.”

Ze merkte pas toen ze het had gezegd dat het papa's woorden waren.

In de pauze kwam er een meisje naast haar zitten op het bankje. Ze heette Sanne. Ze zat al jaren bij Lotte in de klas, maar ze hadden nooit echt samen gespeeld.

„Woon jij nu ook in twee huizen?” vroeg Sanne. „Ik hoorde het van mijn moeder.”

Lotte knikte.

„Ik al twee jaar”, zei Sanne. „Het is eerst stom. Daarna is het minder stom.” Ze haalde een koek uit haar tas en brak hem doormidden. Ze gaf Lotte de helft. „Je moet wel altijd je gymspullen in je tas laten zitten. Anders liggen ze in het verkeerde huis.”

„Dat is een goede tip”, zei Lotte.

„Ik heb er nog meer”, zei Sanne. „Heel veel.”


Er gingen twee weken voorbij. Toen drie.

Lotte keek elke dag op haar telefoon. Bij het ontbijt. Na school. Voor het slapen. Ze had Femkes nummer opgeslagen onder Femke Zilver. Er kwam niets.

Ze appte Jelmer. Heb jij iets gehoord?

Nee, appte Jelmer terug. Mijn vader zegt dat geen nieuws goed nieuws is.

Zegt je vader dat echt?

Nee. Mijn vader zegt bijna nooit iets. Maar hij keek wel zo.

Lotte moest lachen. Maar 's avonds lag ze wakker. Wat als Zilver weer ziek was geworden? Wat als ze de vrijlating vergeten waren? Wat als ze al was vrijgelaten, zonder dat Lotte het wist?

Op een woensdagavond in september, bij papa, ging haar telefoon.

Femke Zilver.

Lotte liet bijna haar bord macaroni vallen.

„Hallo?”

„Lotte! Met Femke. Ik heb nieuws.”

„Is ze ziek?”

„Nee! Waarom denk jij altijd dat ze ziek is?” Femke lachte. „Ze is kerngezond. Ze weegt zesentwintig kilo. Ze is een van de dikste in haar bassin. En ze heeft gisteren een vis van een andere zeehond gestolen. Ze is helemaal klaar voor de zee.”

Lotte drukte de telefoon tegen haar oor. Papa keek haar aan over de tafel. Hij hield zijn vork stil in de lucht.

„Zaterdag laten we haar vrij”, zei Femke. „Samen met nog drie andere. Om twee uur, bij de dijk van Zwartdijk, als het hoog water is. Daar vonden jullie haar toch? We dachten: dat is een mooie plek. Daar hoort ze.”

„Zwartdijk”, herhaalde Lotte.

„Kun je komen?”

Lotte keek naar papa.


Die avond belde papa met mama. Lotte zat op de trap van de flat. Ze kon het gesprek niet helemaal horen. Papa liep heen en weer in de kamer. Ze hoorde „zaterdag” en „drie uur rijden” en „ja, natuurlijk wil ik ook”.

Toen kwam papa de trap op. Hij ging naast haar zitten.

„We willen allebei mee”, zei hij. „Mama en ik.”

„Allebei?”

„Ja. Als jij dat wilt.”

Lotte dacht na. Ze dacht aan oma en papa aan de keukentafel. Aan de koffie die eerst raar was en daarna minder raar. Aan Sanne, die zei: eerst stom, daarna minder stom.

„Ik wil het”, zei ze. „Maar kunnen jullie dan in één auto? Met mij in het midden?”

Papa keek haar lang aan. Toen begon hij te lachen. Een beetje.

„Dat wordt een lange rit”, zei hij.

„Drie uur”, zei Lotte. „Dat is niet zo lang. Ik heb een zak drop.”

„Ik bel mama nog even”, zei papa.

Hij belde. Hij liep weer heen en weer. Deze keer duurde het korter.

„Ze zegt ja”, zei hij toen hij terugkwam. „Ze zegt: als ik maar niet hoef te luisteren naar die muziek van jou.”

„Welke muziek?”

„Alle muziek van mij.”

Die nacht sliep Lotte bijna niet. Ze lag onder het dekbed met de sterren en keek naar het plafond. De knuffelzeehond lag tegen haar wang. De schelp lag in haar hand.

Nog drie nachten.