Hoofdstuk 10: De witte plek
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Op donderdag regende het. Niet een beetje, maar echt. De regen kwam schuin over de weilanden en sloeg tegen de ramen van Siegers bestelbus. De ruitenwissers zwiepten heen en weer.
„Mooi weer voor zeehonden”, zei Sieger.
Jelmer zat weer in het midden, met een nieuwe zak drop. Lotte zat bij het raam. Ze had haar handen tussen haar knieën. Ze waren koud, en tegelijk zweterig.
„Wat als ik haar niet herken?” vroeg ze.
„Je herkent haar wel”, zei Jelmer.
„Maar wat als ze veranderd is? Ze is nu veel dikker. Misschien is die witte plek weg.”
„Witte plekken gaan niet weg”, zei Sieger. „Mijn opa had een witte pluk in zijn baard. Die had hij al toen hij twintig was. Toen hij negentig was, zat hij er nog steeds.”
Lotte wist niet of dat waar was. Maar het hielp toch.
Femke stond hen op te wachten bij de ingang. Ze had een regenpak aan, knalgeel, met een capuchon. Ze zag eruit als een grote, natte banaan.
„Daar zijn mijn redders”, zei ze. „Kom mee. Ze ligt in bassin vier.”
Ze liepen langs de bassins. De regen tikte op het water en maakte overal kleine kringetjes. De zeehonden vonden het niet erg. Ze zwommen rondjes en staken hun koppen boven water, met de regen op hun neus.
Bij bassin vier bleef Femke staan. Er zwommen vijf jonge zeehonden in. Ze waren allemaal zilvergrijs met vlekjes. Ze leken allemaal precies op elkaar.
Lotte greep het hek met twee handen. Ze keek. Ze keek naar elke kop die bovenkwam. Eén, twee, drie…
„Ik zie haar niet”, zei ze. Haar stem was dun.
„Wacht maar”, zei Femke zacht.
Een van de zeehonden dook onder. Hij zwom langs de rand, vlak langs het hek, met zijn buik naar boven. Toen kwam hij omhoog. Hij snoof. Hij keek, met grote zwarte ogen, naar de lucht.
Op zijn voorhoofd zat een witte plek. Als een vingerafdruk van zilver.
„Zilver”, fluisterde Lotte.
Ze herkende haar. Natuurlijk herkende ze haar. Ze was dikker, veel dikker. Haar nek was bijna weg. Ze was glad en glanzend en snel. Maar het was Zilver. Het kleine hoopje van de modder. Het huilende hoopje.
Zilver keek niet naar Lotte. Ze keek naar een andere zeehond, die een rondje om haar heen zwom. Toen dook ze achter hem aan, met een plons, en waren ze allebei weg onder water.
Lotte lachte. Ze lachte en ze huilde tegelijk. De regen liep over haar gezicht, dus het maakte niet uit.
„Ze kijkt niet eens naar me”, zei ze.
„Nee”, zei Femke. „En dat is goed. Dat is precies wat we willen. Ze moet niet aan mensen wennen. Ze moet een wilde zeehond blijven. Als ze naar jou had gekeken, had ik me zorgen gemaakt.”
Jelmer stond naast Lotte. Hij zei niets. Hij gaf haar een drop. Ze stopte hem in haar mond. Zout, en nat van de regen.
In de kantine kregen ze warme chocolademelk. Femke trok haar capuchon af. Haar vlecht was toch nat geworden.
„Ze weegt nu vijftien kilo”, zei Femke. „Ze eet zes haringen per dag. En ze vecht om de vis met de anderen. Dat moet ook. Op zee moet ze ook zelf haar eten vangen.”
„Wanneer mag ze terug?” vroeg Lotte. „Naar zee?”
„Als ze gezond is. En als ze zwaar genoeg is. Een jonge zeehond moet genoeg vet hebben om het op zee te redden. In het begin vangt ze nog niet zoveel. Dan moet ze een tijdje op haar vet kunnen leven.” Femke dacht na. „Ik denk rond de vijfentwintig kilo. Over een week of vier, als alles goed gaat.”
„Vier weken.” Lotte telde. „Dat is half september.”
„Ongeveer, ja.”
„Maar ik ga zaterdag naar huis.” Ze had het zelf geweten. Ze had het de hele week geweten. Maar nu ze het hardop zei, werd het echt. „Naar Utrecht. Dan is het school.”
Femke keek haar aan. Ze zette haar beker neer.
„Weet je wat we doen?” zei ze. „Vrijlaten doen we altijd op een plek aan de Waddenkust. Soms komen er mensen kijken, van een afstandje. Als ik weet wanneer het is, bel ik je. Een paar dagen van tevoren. Het is meestal op een zaterdag of een zondag. Misschien kun je dan komen.”
„Beloofd?”
„Beloofd. Ik heb jou de vorige keer toch ook gebeld?”
„Drie keer”, zei Jelmer.
„Drie keer”, gaf Femke toe. „Dus.”
De laatste dag in Zwartdijk was een gewone dag. Dat had Lotte niet verwacht. Ze had gedacht dat het een bijzondere dag zou worden, met iets groots aan het eind. Maar het was gewoon een dag. Ze ontbeten met oma. Ze hielp met de bonen. Ze aaide Sjors, die zich voor het eerst helemaal op zijn rug liet draaien.
's Middags zat ze met Jelmer op de dijk. Het was eb. Het wad glom in de zon. De scholeksters riepen. Een lepelaar zwaaide met zijn kop door een plas. Het schaap met het zwarte gezicht lag een paar meter verderop en kauwde.
„Dag, Kauwgom”, zei Lotte.
„Heet hij nu Kauwgom?”
„Van papa.”
Jelmer knikte. Hij vond het blijkbaar een goede naam. Hij haalde iets uit zijn broekzak. Een schelp. Een witte kokkelschelp, met een klein rond gaatje erin, bij de punt.
„Die heb ik gevonden”, zei hij. „Het gaatje is van een slak. Die boort erin om de kokkel op te eten. Je kunt er een touwtje door doen.”
Lotte nam de schelp. Hij was glad aan de binnenkant, en ribbelig aan de buitenkant.
„Dank je”, zei ze. Ze voelde dat ze rood werd. Ze haalde snel iets uit haar eigen zak. Een opgevouwen tekening. Ze had hem gisteravond gemaakt. Het was Zilver, in het water, met haar witte plek. Ze had er heel lang aan gewerkt. De snorharen waren het moeilijkst.
Jelmer vouwde hem open. Hij keek er lang naar.
„Die hang ik op”, zei hij. „In mijn kamer. Hier. En dan maak jij er nog een, voor Leeuwarden.”
„Goed.”
Ze zaten nog een tijdje. Ze zeiden niet veel. Dat hoefde ook niet.
Op zaterdag kwam mama. Ze had een nieuw kort kapsel. Ze rook naar verf. Ze tilde Lotte op en zwierde haar rond, in de tuin, tussen de bonen, tot Lotte gilde dat ze moest stoppen.
Mama en oma dronken koffie. Lotte pakte haar tas. Ze stopte de schelp aan een touwtje om haar nek. Ze stopte de knuffelzeehond bovenop. Die had oma een week geleden met de post laten opsturen, uit een van mama's dozen. Hij had de hele tijd op Lottes kussen gelegen.
Bij de auto gaf oma haar een kus. Een stevige, met haar handen om Lottes gezicht.
„Je komt terug”, zei oma. „Voor Zilver. Dat weet ik zeker.”
„Hoe weet je dat?”
„Omdat ik jou ken.”
Toen de auto wegreed, draaide Lotte zich om. Ze zwaaide naar oma, die bij de rode deur stond. Ze zwaaide naar Jelmer, die op de dijk stond met zijn rode pet. Ze zwaaide naar Kauwgom, die het niet zag.
Ze zwaaide tot alles achter de kerk was verdwenen.
„Moi”, zei ze zacht. Want dat zei je hier ook, had Jelmer haar geleerd, als je weggaat.