Hoofdstuk 12: Terug naar zee
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
De eerste twintig minuten zei niemand iets.
Papa reed. Mama zat naast hem en keek uit het raam. Lotte zat achterin, precies in het midden, met de zak drop op haar schoot. Ze keek naar de achterkant van hun hoofden. Papa's hoofd met het kale plekje dat steeds groter werd. Mama's hoofd met het nieuwe korte haar.
Zo hadden ze vroeger ook gezeten. Op weg naar oma, of naar de camping in Frankrijk.
Het was hetzelfde, en het was helemaal niet hetzelfde.
„Wil iemand drop?” vroeg Lotte.
„Graag”, zei mama.
„Graag”, zei papa. Op hetzelfde moment.
Ze keken elkaar even aan. Toen keken ze allebei snel weer weg. Lotte gaf ze allebei een drop. Mama trok een gezicht.
„Zoute drop”, zei Lotte. „Van Jelmer. Daar moet je aan wennen.”
„Aan veel dingen moet je wennen”, zei papa. Hij zei het niet gemeen. Hij zei het gewoon.
Bij Zwolle zette papa de radio aan. Mama zette hem zachter. Papa zei niets. Bij Assen zette mama hem weer harder, omdat er een liedje kwam dat ze allebei kenden. Een oud liedje, van toen ze jong waren. Papa begon mee te neuriën. Toen mama ook. Ze hielden allebei op toen ze merkten dat de ander meedeed.
Lotte keek uit het raam en glimlachte. Soms was niets zeggen beter, had ze van Sieger geleerd.
Het was een heldere dag, met een frisse wind. Langs de sloten stonden de rietpluimen al bruin.
Oma stond bij de rode deur. Ze had haar blauwe blouse aan. Ze omhelsde Lotte. Daarna omhelsde ze mama. Daarna, na een heel klein momentje, gaf ze papa een hand. En toen trok ze hem toch even tegen zich aan.
„Kom maar binnen, allebei”, zei ze. „Er is koffie. En krentenbollen.”
Om half twee liepen ze met z'n vieren de dijk op. Kauwgom lag er nog. Hij kauwde.
Boven op de dijk stonden al mensen. Een stuk of twintig. Er was een lint gespannen tussen een paar paaltjes, een flink eind van de waterkant. Daarachter stonden ze allemaal te wachten.
„Lotte!”
Jelmer kwam aanrennen. Hij had zijn rode pet op, achterstevoren. Hij bleef vlak voor haar staan. Hij wist niet zo goed wat hij moest doen. Lotte ook niet. Toen gaven ze elkaar een soort halve knuffel, met één arm, en lieten elkaar snel weer los.
„Moi”, zei Jelmer.
„Moi.”
Achter hem stond Sieger. Hij gaf papa en mama een hand. „Sieger”, zei hij. Dat was alles.
Verderop, bij het water, stond een busje. Een oud busje, met een deuk in de zijkant. Ernaast stond een lange man met grijze krullen.
„Harm!” riep Lotte.
Harm keek op. Hij stak een hand op. Hij had weer de rubberen handschoenen aan, tot aan zijn ellebogen.
Het water was bijna op zijn hoogst. Het glinsterde in de zon, tot vlak bij de kwelder.
Femke kwam over de dijk aanlopen, in haar groene trui. Ze zag Lotte en zwaaide.
„Daar is ze!” zei ze. „De belangrijkste gast.”
Ze legde aan de mensen uit wat er ging gebeuren. Vier zeehonden gingen vandaag terug naar zee. Iedereen moest achter het lint blijven, en stil zijn. De zeehonden zouden zelf beslissen wanneer ze gingen.
„Ze hebben allemaal een klein merkje op hun achterflipper”, zei Femke. „Met een nummer. Als iemand ooit een van deze zeehonden vindt, weten we wie het is.”
„Welk nummer heeft Zilver?” vroeg Lotte.
Femke gaf haar een papiertje met letters en cijfers. Lotte vouwde het heel klein en stopte het in haar jaszak. Bij de andere papiertjes. Die had ze nog steeds.
Toen droegen Harm en twee anderen vier grijze benches naar beneden. Ze zetten ze op een rij bij het water, met de deurtjes naar de zee.
Iedereen werd stil. Zelfs de kinderen. Alleen de meeuwen niet.
Femke en Harm liepen langs de benches. Ze deden de deurtjes open, één voor één. Toen liepen ze snel terug, naar het lint.
Uit de eerste bench kwam meteen een zeehond. Hij schoof eruit, plat op zijn buik, en rook aan het zand. Toen ging hij. Met grote schokken, zijn achterlijf omhoog en omlaag, als een rups. Hij plonsde in het water en was weg.
Er klonk zacht gejuich achter het lint.
Uit de tweede bench kwam er ook een. Hij was snel. Hij ging bijna zonder te kijken het water in.
De derde bench bleef even leeg. Toen stak er een kop uit. Een ronde kop, zilvergrijs, met grote zwarte ogen. En op het voorhoofd een witte plek.
Lotte greep haar mama's hand. En met haar andere hand greep ze die van papa. Ze merkte het niet eens. Ze kneep er gewoon in.
Zilver keek naar buiten. Ze keek naar het zand en naar de zee. Haar snorharen trilden in de wind. Ze snoof. Ze bleef zitten.
„Kom op”, fluisterde Lotte. „Kom op, Zilver. Daar is het.”
Zilver schoof een stukje naar voren. Ze was helemaal uit de bench nu. Ze was zo dik en zo rond dat ze geen nek meer had. Haar vacht glom in de zon.
Ze tilde haar kop op. Heel even dacht Lotte dat ze haar ging aankijken. Dat ze haar zou herkennen. Maar Zilver keek niet naar het lint. Ze keek naar het water.
Toen ging ze. Eén schok, twee schokken, drie. Het water spoelde over haar flippers. Ze schoof verder. En toen was ze in de zee, en opeens was ze iemand anders. Snel en glad en soepel. Ze dook onder.
Lotte hield haar adem in.
Een eind verderop kwam een kop boven. Rond en glanzend, met de witte plek, die schitterde in de zon. Zilver draaide een rondje. Toen dook ze weer onder.
En toen kwam ze niet meer boven. Niet waar Lotte het kon zien.
Toen ook de vierde zeehond weg was, merkte Lotte pas dat ze nog steeds de handen van mama en papa vasthield. Mama huilde een beetje. Papa ook, maar hij deed alsof er iets in zijn oog zat.
„Ze keek niet eens om”, zei Lotte.
„Nee”, zei mama zacht. „Ze hoefde ook niet om te kijken. Ze wist waar ze naartoe ging.”
Harm kwam naar hen toe. Hij trok zijn handschoenen uit. Voor het eerst gaf hij Lotte een hand. Hij had een ruwe, warme hand.
„Goed werk, Lotte”, zei hij. „Van het begin tot het eind.”
Jelmer gooide zijn pet in de lucht. Hij landde op het hoofd van Sieger. Sieger liet hem daar gewoon zitten. Zelfs hij moest lachen, een beetje, in zijn baard.
's Avonds zaten ze met z'n allen aan oma's keukentafel. Oma, mama, papa, Lotte. Jelmer en Sieger waren ook gebleven. Er was erwtensoep. Sjors zat onder de tafel en wachtte op stukjes rookworst.
Het was een rare tafel. Er zaten mensen aan die niet meer bij elkaar hoorden, en mensen die er nooit eerder bij hadden gehoord. Maar het was goed. Lotte keek naar de klok met het schip. Bij elke tik wiebelde het schip een klein stukje heen en weer. Naar de ene kant. Naar de andere kant. Het bleef gewoon varen.
Ze dacht aan het wad. Zes uur van het land, zes uur van de zee. En toch één plek.
Ze dacht aan haar grijsblauwe muur, en aan het dekbed met de sterren. Aan de knuffelzeehond die in de auto in haar tas zat, en die morgen weer mee zou gaan naar de plek waar zij was.
Ze haalde de schelp onder haar trui vandaan en draaide hem tussen haar vingers.
„Ik kom terug”, zei ze. „In de herfstvakantie. Mag dat, oma?”
„Dat mag altijd”, zei oma.
„Dan gaan we weer op de kotter”, zei Jelmer. „Dan zien we misschien grijze zeehonden. Die krijgen hun jongen in de winter.”
„En dan kijk ik of ik een witte plek zie.”
„Die zie je nooit”, zei Jelmer. „Dat is veel te ver.”
„Weet ik”, zei Lotte. „Maar ik kijk toch.”
Na het eten liep ze nog één keer de dijk op. Alleen. Het was bijna donker. Het water was weer aan het zakken. Over een paar uur zou het wad er weer liggen, glimmend en grijs, vol pieren en slakjes en scholeksters.
Ergens daar, in al dat water, zwom een zeehond met een witte plek op haar kop. Ze wist niet dat Lotte bestond. Niet meer.
Dat was niet erg, besloot Lotte. Zij wist het wel.
„Moi, Zilver”, zei ze tegen de zee.
Toen liep ze terug naar het huis met de rode deur, waar het licht aan was, en waar ze op haar wachtten.