Hoofdstuk 9: Zaterdag 3 maart

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Het was een heldere ochtend, zaterdag 3 maart, met een hoge, bleke lucht en een koude wind uit het noorden. Truus stond om acht uur voor de deur, met haar handen in haar mouwen.

'Ik ga mee,' zei ze. 'Ik wil je oma's balkon zien. Je zegt altijd dat er honderd bloempotten op staan.'

'Lege bloempotten.'

'Dan wil ik honderd lege bloempotten zien.'

Ze liepen. De fiets lieten ze thuis, want de tuinslang om het voorwiel was op de terugweg uit Monster losgeschoten en meneer Dekker zou er die middag naar kijken. Anna droeg de theedoek met de aardappelen en de kool tegen haar borst, zoals ze in december de pan van de gaarkeuken had gedragen. Het flesje melk zat in haar jaszak.

Ze liepen langs de Koninginnegracht, waar het water glinsterde in de zon. Er waren niet veel mensen op straat. Een man met een handkar vol takken. Twee vrouwen met boodschappentassen. Een jongen die op een stoep zat te tekenen met een stuk krijt. Het was zo rustig dat Anna haar eigen voetstappen hoorde, en die van Truus, die een halve pas achter liep.

'Hoe laat is het?' vroeg Truus.

'Weet ik niet. Bijna negen?'

Toen hoorden ze de vliegtuigen.


Het was niet het gebrul van een raket. Het was anders. Een diep, aanhoudend gezoem dat van boven kwam, uit de lucht, van alle kanten tegelijk. Anna keek omhoog. Ze zag ze. Een rij vliegtuigen, en nog een rij, laag, veel lager dan de bommenwerpers die ze 's nachts weleens hoorde overvliegen naar Duitsland. Ze glansden in de zon. Ze waren mooi, dacht Anna, en direct daarna dacht ze: waarom zijn ze zo laag?

'Die zijn voor het bos,' zei de man met de handkar. Hij stond stil en keek omhoog met zijn hand boven zijn ogen. 'Voor de raketten. Eindelijk.'

Toen vielen de bommen.

Ze zag ze vallen. Kleine, donkere vormen die uit de vliegtuigen loskwamen en naar beneden gingen, schuin, in een rij, als druppels van een dak. Ze vielen niet op het bos. Het Haagse Bos lag verder, naar links. Ze vielen ervoor. Op de huizen.

Het geluid kwam een seconde later. Een dreun die door de grond ging en door Anna's benen en door haar maag. En nog een, en nog een, zo snel achter elkaar dat het één lang geraas werd. De ramen aan de overkant van de gracht trilden en sprongen. Glas regende op de stoep.

Truus greep haar arm en trok. Ze renden een portiek in en drukten zich tegen de deur. Anna hield de theedoek tegen zich aan. Ze kneep haar ogen dicht. De grond schokte. Stof dwarrelde van het plafond van het portiek en kwam in haar haar en in haar mond. Ergens schreeuwde iemand, lang en hoog, en toen hield het op.

Het duurde niet lang. Een minuut, misschien twee. Het voelde als een uur. Toen werd het gezoem van de vliegtuigen zachter. Daarna was het stil. Een vreemde, dove stilte, waarin Anna alleen nog een fluittoon in haar oren hoorde.

Ze deed haar ogen open.

Boven de daken, in de richting van het Bezuidenhout, steeg rook op. Niet één wolk, maar veel. Zwarte, dikke kolommen die zich in de wind bogen en naar het zuiden dreven. En onder de rook, tussen de daken, zag ze iets oranjes. Vlammen.

'Oma,' zei Anna.


Ze rende. Truus rende achter haar aan en riep iets, maar Anna verstond het niet. Ze rende langs de Koekamp, waar de bomen nog stonden, en langs het Malieveld, en toen ze bij de Bezuidenhoutseweg kwam, kon ze niet verder.

De straat was er niet meer. Dat wil zeggen, hij was er nog, maar hij lag vol. Met stenen, met balken, met glas, met dakpannen en stukken muur. Huizen waren half ingestort, als poppenhuizen waarvan iemand de voorkant had weggenomen. Anna zag een kamer op de tweede verdieping, open naar de straat, met behang en een schilderij aan de muur en een tafel met een kleed erop. Er stond een vaas op de tafel. De vaas was heel.

Er waren overal mensen. Ze kwamen uit de rook, met hun handen voor hun mond, met kinderen op hun arm, met dekens om hun schouders. Een vrouw duwde een kinderwagen vol beddengoed. Een man droeg een oude vrouw op zijn rug. Een jongen zonder schoenen liep op zijn sokken over het glas en leek het niet te merken. Iedereen was grijs. Grijs van het stof, op hun haar, op hun gezicht, op hun kleren, alsof ze uit steen waren gehakt.

En de wind blies het vuur aan. Anna zag hoe het van het ene huis naar het andere sprong. Hoe een dak vlam vatte, en dan het dak ernaast. Het knetterde en loeide, en de hitte kwam haar tegemoet, zelfs op deze afstand.

'Je kunt daar niet in,' zei Truus. Ze hijgde. Ze hield Anna's mouw vast. 'Anna. Je kunt daar niet in.'

'Oma woont daar.'

'Waar?'

Anna wees. Een zijstraat, verderop, waar de rook het dikst was.

Er kwamen mannen met helmen en armbanden. Luchtbescherming. Ze hadden brancards en ze schreeuwden naar elkaar. Een van hen hield Anna tegen toen ze verder wilde, met een arm, als een slagboom.

'Terug!' riep hij. 'Daar brandt alles!'

'Mijn oma...'

'Iedereen heeft daar een oma!' Zijn gezicht was zwart van het roet. Zijn ogen waren rood. 'Ga naar huis. Wacht. We doen wat we kunnen.'

Hij liet haar los en rende verder, naar een berg puin waar twee andere mannen met hun blote handen stonden te graven. Anna zag iets onder het puin, een arm misschien, of een mouw, en ze keek snel weg. Ze keek naar haar eigen handen. Ze hield nog steeds de theedoek vast. Vier aardappelen en een stuk kool.


Ze ging niet naar huis.

Ze liep om. Truus liep mee, zonder iets te zeggen, haar hand in die van Anna. Ze probeerden de straat van oma te bereiken via een andere kant, door een steeg, over een binnenplaats waar wasgoed aan de lijn hing te branden, langzaam, van onderen naar boven. Ze kwamen uit bij een hoek waar ze de straat in konden kijken.

Anna herkende hem niet. Ze herkende de lantaarnpaal op de hoek, die scheef stond. Ze herkende het bordje van de sigarenwinkel, dat op de grond lag. Maar de huizen herkende ze niet, omdat ze brandden. Het hele blok brandde. De ramen waren gaten waar vlammen uit kwamen. De rook was zo dik dat de zon erachter een oranje schijf werd, als een ondergaande zon midden op de ochtend.

Het huis van oma was het vijfde van de hoek. Anna telde. Een, twee, drie, vier.

Het balkon met de bloempotten hing nog aan de gevel. Het hing scheef, aan één kant los. De bloempotten waren eraf gevallen. Ze lagen op straat, in scherven.

Terwijl Anna keek, kwam de gevel naar beneden.

Het ging langzaam, net als moeder op de trap. Eerst boog de bovenkant naar voren. Toen brak hij, en de stenen vielen, en het balkon viel, en alles stortte op de straat in een wolk van stof en vonken die hoog opsprong en de lucht vulde.

Truus gilde. Anna niet. Anna stond daar en keek, en ze voelde niets. Helemaal niets. Het was alsof ze naar een plaatje keek in een boek.

Op straat, tussen het puin en de rook, liepen mensen. Ze zochten. Ze riepen namen. Een vrouw met een hoofddoek liep heen en weer en riep steeds hetzelfde, 'Jaap! Jaap!' Een man zat op de stoeprand met zijn hoofd in zijn handen. Twee kinderen stonden tegen een muur en huilden niet.

Anna liep naar hen toe. Ze wist niet waarom. Het was een jongetje van Wims leeftijd en een meisje dat iets ouder was, met een strik in haar haar die half was losgegaan. Ze hadden allebei pantoffels aan. Het jongetje had een kopje in zijn hand, een gewoon wit kopje zonder oor, alsof hij aan het ontbijt had gezeten en het niet had losgelaten.

'Waar is jullie moeder?' vroeg Anna.

Het meisje wees naar de rook. 'Ze ging terug,' zei ze. 'Voor de kat. Ze zei dat we hier moesten blijven staan.'

'Dan blijven jullie hier staan.'

Anna haalde het flesje melk uit haar jaszak. Ze trok de kurk eruit en schonk het kopje van het jongetje vol. Hij keek ernaar. Toen dronk hij, met kleine slokjes, en gaf het kopje aan zijn zus, en die dronk de rest. Geen van beiden zei iets. Anna zette het lege flesje tegen de muur, naast hun pantoffels, en draaide zich om.

'Dat was voor je oma,' zei Truus zacht.

'Oma zou hetzelfde doen,' zei Anna. Haar stem klonk vreemd, ver weg, alsof iemand anders praatte.

Anna keek naar alle gezichten. Naar alle grijze, betraande, verbaasde gezichten. Ze zocht naar drie vesten over elkaar en een wollen sjaal om een hoofd.

Oma was er niet.