Hoofdstuk 10: Oma Kee
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Ze vonden haar om vier uur 's middags, in een school aan de rand van de wijk, waar ze een verbandpost hadden ingericht.
Anna en Truus waren de hele dag op zoek geweest. Ze hadden in een kerk gekeken waar mensen op de banken lagen, onder jassen en gordijnen. Ze hadden bij een gaarkeuken gestaan waar soep werd uitgedeeld aan iedereen die geen huis meer had, zonder bonnen, zonder vragen. Ze hadden lijsten gelezen die met punaises op een deur waren geprikt, met namen erop, van mensen die gevonden waren. Levend, of niet. Anna had elke lijst van boven naar beneden gelezen, met haar vinger, en elke keer als ze bij de V kwam had ze haar adem ingehouden.
Van Leeuwen stond er niet op. Niet op de ene lijst en niet op de andere.
In de school was het druk en het rook naar jodium en rook. In de gymzaal lagen matrassen op de vloer. Overal zaten mensen, met verband om hun hoofd, om hun armen, om hun voeten. Verpleegsters liepen heen en weer met emmers water. Een kind huilde, steeds maar door, met een stem die al hees was.
En daar, in een hoek, op een gymbank onder de wandrekken, zat oma Kee.
Ze had haar drie vesten nog aan. De sjaal was weg. Haar grijze haar hing los en zat vol stof. Haar linkerhand was verbonden, dik, met een witte doek. In haar rechterhand had ze iets vast, op haar schoot, tegen haar buik gedrukt.
Een rode blikken koffiebus met gouden letters.
Anna liep naar haar toe. Ze liep, ze rende niet. Ze wist niet waarom ze niet rende. Pas toen ze voor de bank stond, keek oma op.
'Kind,' zei ze. 'Wat doe jij hier?'
Toen pas begon Anna te huilen.
Oma vertelde het later, thuis, in de stoel bij het kacheltje, met Wim op schoot en een kop heet water in haar goede hand.
'Ik stond bij de bakker,' zei ze. 'Op de Theresiastraat. Er was niks, natuurlijk, maar er werd gezegd dat er misschien om negen uur iets zou komen. Dus ik stond er. Met twintig anderen. En toen kwamen ze over.' Ze dronk een slok. 'Ik dacht eerst dat het voor het bos was. Iedereen dacht dat. We keken omhoog. Een man naast me zei nog: nou, eindelijk. En toen...'
Ze maakte de zin niet af. Ze keek naar het kacheltje.
'Ik ben teruggelopen,' zei ze. 'Naar huis. Ik wist dat ik niet terug moest lopen, maar ik deed het toch. Het hele blok stond al in brand toen ik er aankwam. Ik heb niet eens geprobeerd naar binnen te gaan. Ik kon niet. Maar mevrouw De Ruiter van de overkant kon haar dochter niet vinden, en die was negen, en die zat nog in de kelder. Dus heb ik geholpen. Met stenen opzij leggen.' Ze tilde haar verbonden hand op. 'Dat ging niet goed met deze hand. Maar we hebben haar eruit gekregen.'
'En de koffiebus?' vroeg Wim.
Oma keek naar de bus, die op de schoorsteenmantel stond, naast de kaart van vader.
'Die had ik bij me,' zei ze. 'Ik had hem altijd bij me. Dat heb ik toch gezegd? Je weet nooit.'
Die nacht hoorden ze een raket. Maar hij ging niet omhoog. Ze hoorden hem neerkomen, ergens in de verte, aan de kant van het Bezuidenhout. Een harde, doffe klap, die de ruiten liet rammelen en daarna niets.
De volgende ochtend wist de hele straat het. Een V2 was neergestort in de Schenkweg, midden in het brandende Bezuidenhout, waar de brandweer nog aan het blussen was. Acht brandweermannen waren omgekomen.
'De hele dag en de halve nacht hebben ze gewerkt,' zei mevrouw Willemse, die het van haar zwager had gehoord. 'Zonder water bijna. Zonder benzine. En dan dit.'
Meneer Dekker stond in de deuropening. Hij zei niets. Hij luisterde, en toen draaide hij zich om en ging naar boven, en Anna wist dat hij het aan Ruben ging vertellen, die het al gehoord zou hebben, door het dak, door de muren, zoals hij alles hoorde.
In de dagen daarna kwam het nieuws in stukjes. Honderden doden. Duizenden mensen zonder huis. Het gerechtshof was afgebrand, en een schouwburg, en kerken. Mensen zeiden dat de bommen voor de raketten in het Haagse Bos waren bedoeld, maar dat de piloten zich hadden vergist. Anderen zeiden dat het opzet was. Weer anderen zeiden niets, omdat ze iemand kwijt waren en het hun niet uitmaakte waarom.
'Het waren onze eigen mensen,' zei oma op een avond. 'De Engelsen. Die ons komen bevrijden.' Ze schudde haar hoofd. 'Dat is het ergste. Daar kan ik niet eens boos op zijn.'
Oma bleef. Waar moest ze anders heen? Ze sliep in de bedstee met Wim, en Anna sliep op twee stoelen tegen elkaar met kussens erop, en moeder kon na een week weer opstaan. De eieren van de boerin waren op, maar de zwelling in moeders benen was minder geworden. Ze liep weer, langzaam, met haar hand langs de muur.
Oma leerde Wim kaarten. Om lucifers, die hij niet mocht opmaken. Ze leerde Anna sokken stoppen met wol uit een oude trui die ze uitrafelden. Ze vertelde verhalen over vroeger, over opa, die zeeman was geweest en die een papegaai had gehad die vloekte in het Maleis. Anna wist niet of dat waar was. Het maakte niet uit.
En toen, op een ochtend eind maart, stond mevrouw Willemse voor de deur met iets in haar armen. Ze hield het vast zoals je een baby vasthoudt.
'Kijk,' zei ze. 'Kijk dan.'
Het was een brood. Een wit brood, met een korst die goudbruin was en glansde. Ze had het gehaald bij de bakker, op de bonnen, en er was ook een klontje margarine bij, in vetvrij papier.
'Uit Zweden,' zei mevrouw Willemse. 'Het meel komt uit Zweden. Het Rode Kruis. Morgen kunnen jullie ook.'
De volgende dag stond Anna om zes uur bij de bakker. De rij was lang, maar niemand klaagde. Iedereen stond stil en keek naar de deur, en als er iemand naar buiten kwam met een brood, keken ze allemaal naar dat brood, en niemand zei iets, en toch was het alsof de hele rij zuchtte.
Thuis sneed moeder het brood aan. Ze deed het langzaam, met het grote mes, en het brood was zo zacht dat het mes er bijna vanzelf doorheen ging. Het rook naar iets wat Anna vergeten was. Naar zondagochtend. Naar vroeger.
Wim kreeg het eerste plakje. Hij hield het in zijn handen en keek ernaar.
'Het is wit,' zei hij.
'Ja,' zei moeder.
'Is het echt?'
'Proef maar.'
Hij proefde. Hij at het langzaam op, met kleine hapjes, en hij zei de hele tijd niets, en toen het op was, keek hij naar zijn lege handen en begon te huilen. Niet zacht, zoals in de winter. Ook niet hard, zoals op de dag van de huiszoeking. Gewoon huilen, als een kind van zes.
Oma trok hem tegen zich aan. 'Stil maar,' zei ze. 'Stil maar. Het komt goed nu.'
Anna bewaarde de helft van haar plakje. Ze wikkelde het in een stukje krant en stopte het in haar zak. 's Avonds bracht ze het naar boven. Ruben hield het tegen zijn neus voor hij het opat. Hij sloot zijn ogen. Het duurde lang voor hij ze weer opendeed.
Het gebeurde op een dinsdag, begin april.
Anna hoorde het vanuit de keuken. Een bons op de trap, en nog een, en daarna een geluid dat ze niet kende, een soort gerommel, als een zak aardappelen die van de trap valt.
Ze rende de gang in. Meneer Dekker lag onder aan de trap naar tweehoog. Zijn bril lag een paar treden hoger. Een pannetje was naast hem gevallen en er was water uit gelopen, over de vloer, over zijn jas. Hij lag op zijn zij met zijn ogen open.
'Mama!' riep Anna. 'Mama, oma!'
Ze knielde naast hem. Zijn gezicht was grijs en zijn lippen waren blauw. Hij probeerde iets te zeggen. Anna boog zich over hem heen.
'Duizelig,' fluisterde hij. 'Ik werd zo duizelig.'
Moeder en oma kwamen de gang in. Moeder stuurde Truus naar de dokter, die weer beter was. Het duurde een uur. Toen kwam de dokter, en hij luisterde naar meneer Dekkers hart en voelde aan zijn polsen en keek in zijn ogen, en hij zei dat meneer Dekker naar het ziekenhuis moest. Uitgeput, zei hij. Ondervoed. Zijn hart was zwak. Hij moest liggen, minstens een paar weken, en eten krijgen, en in het ziekenhuis hadden ze een beetje meer dan thuis.
Twee mannen van de buurt droegen hem op een deur de trap af. Het was de deur van het kolenhok van de benedenburen, die nog niet was opgestookt. Bij de voordeur greep meneer Dekker Anna's mouw. Hij trok haar naar zich toe.
'De kast,' fluisterde hij in haar oor, zo zacht dat niemand anders het kon horen. 'Anna. Nu jij.'