Hoofdstuk 11: Een huis vol geheimen

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De eerste avond ging het goed. Anna wachtte tot moeder en oma sliepen, tot Wim in de bedstee lag te snurken met zijn mond open, en toen sloop ze de trap op met een kom pap en een plakje van het witte brood. Ruben zat al rechtop toen ze de kast opende. Hij had het gehoord. Natuurlijk had hij het gehoord.

'Hoe is het met hem?' fluisterde hij.

'Ze zeggen dat hij een paar weken moet blijven.'

Ruben knikte. Hij at de pap en het brood en hij zei niets meer. Toen Anna wegging, pakte hij haar hand. Het was de eerste keer dat hij haar aanraakte. Zijn vingers waren koud en heel licht, als takjes.

'Dank je,' zei hij.

De tweede avond ging het ook goed. De derde ook. Maar op de vierde dag zat oma aan tafel toen Anna uit de keuken kwam met een kom onder haar vest, en oma keek naar het vest en toen naar Anna's gezicht.

'Je bent dikker geworden,' zei oma. 'Aan de voorkant.'

Anna bleef staan.

'En de pan is leger dan hij zou moeten zijn,' zei oma. 'Al drie dagen. Ik ben oud, kind, maar ik kan nog rekenen.'


Anna wist dat het niet meer ging. Ze wist het al sinds meneer Dekker op de deur de trap af was gedragen. Een meisje van twaalf kon niet in haar eentje een jongen van zeventien eten geven, uit een pan die al te klein was voor vier mensen, zonder dat iemand het merkte. En ze wist nog iets, iets wat ze niet hardop wilde denken: dat als zij ziek werd, of als er iets met haar gebeurde, niemand anders van de kast wist.

Wat je moeder niet weet, kan ze niet vertellen.

Maar meneer Dekker had ook gezegd: nu jij. En zij was het nu. Dus mocht zij het besluiten.

Ze wachtte tot Wim sliep. Toen ging ze aan tafel zitten, tegenover moeder en oma, en vertelde het. Alles. De twee borden. De hoest op de zolder. De linnenkast met de losse achterwand. Ruben en zijn tekeningen en zijn zusje Lotte. De kristalradio. De huiszoeking, en de man met de hoed die de kast open had gedaan en had gezegd: leeg.

Toen ze klaar was, was het lang stil.

Moeder keek naar haar handen. Er zat nog steeds een witte streep om haar ringvinger, al was hij vager geworden.

'Ik wist het een beetje,' zei ze ten slotte. 'Niet wat precies. Maar ik wist dat er iets was. Sinds die dag met Wim. Ik heb er niet naar gevraagd omdat ik dacht: als Anna het me niet vertelt, heeft ze een reden.' Ze keek op. 'Twee en een half jaar. Op een zolder. Boven ons hoofd.'

'Meneer Dekker gaf hem de helft van alles,' zei Anna. 'Daarom is hij ziek geworden.'

Oma zei nog steeds niets. Ze zat met haar verbonden hand op tafel en de andere hand eroverheen. Toen stond ze op.

'Nou,' zei ze. 'Dan ga ik boven wonen.'

'Wat?' zei moeder.

'Ik heb geen huis. Meneer Dekker heeft een huis, en hij is er niet. Iemand moet zijn kachel stoken en zijn klokken afstoffen. Als ik daar woon, kan ik zo vaak de trap op en af als ik wil, en niemand kijkt ervan op. Een oude vrouw die haar buurman helpt.' Ze keek naar Anna. 'En dan hoeft dit kind niet langer met pannen onder haar vest te lopen. Het is al erg genoeg dat ze het zo lang heeft moeten doen.'


Oma verhuisde de volgende ochtend. Ze nam niets mee, want ze had niets, behalve de koffiebus en de drie vesten. Ze installeerde zich in de enige stoel van meneer Dekker en zette de koffiebus op zijn werkbank, tussen de klokken.

's Avonds ging ze met Anna naar de zolder. Ze bukte bij de linnenkast, met moeite, en toen Ruben de achterwand opzij schoof, keek ze hem lang aan.

'Zo,' zei ze. 'Jij bent dus de jongen van de horloges.'

Ruben wist niet wat hij moest zeggen. Hij keek naar Anna.

'Ik heb bij je vader een horloge gekocht,' zei oma. 'In 1938. Voor mijn man. Hij had een wijzerplaat met Romeinse cijfers en een kettinkje van zilver. Je vader zei dat het nog zou lopen als ik al lang dood was.' Ze ging op een kist zitten. 'Het is verbrand. Op 3 maart. Maar het zou nog gelopen hebben, dat weet ik zeker.'

Ruben keek naar zijn handen. Toen keek hij op, en Anna zag iets in zijn gezicht wat ze nog niet eerder had gezien. Het was geen glimlach. Het was iets kleiners en iets groters tegelijk.

'Hij was er goed in,' zei hij.

'Dat was hij,' zei oma.


Het bleef niet onopgemerkt. Niets bleef onopgemerkt in de straat.

Een paar dagen later stond mevrouw Hoogeveen op de stoep toen oma terugkwam van de pomp met een emmer water. Mevrouw Hoogeveen had een bontkraag om, ondanks het voorjaar, en haar wangen waren niet hol zoals die van alle andere vrouwen in de straat.

'U woont nu bij meneer Dekker, hoor ik,' zei ze.

'Dat hoort u goed,' zei oma.

'Het is wel druk op die trap, de laatste tijd. Ik zie 's avonds licht op de zolder.'

Anna, die achter oma liep, voelde haar maag samentrekken. Maar oma zette de emmer neer, langzaam, zonder te morsen, en keek mevrouw Hoogeveen aan.

'Mevrouw,' zei ze. 'Ik ben achtenzestig. Mijn huis is afgebrand. Alles wat ik had is weg, behalve wat ik aanheb. Ik hang mijn wasgoed op de zolder te drogen omdat ik geen balkon meer heb, en ik ga er 's avonds heen met een kaars om te kijken of het droog is, omdat ik oud ben en niet goed meer slaap.' Ze pakte de emmer weer op. 'En ik hoor dat de Canadezen al bij Groningen zijn. Dus als ik u was, zou ik me minder druk maken over mijn wasgoed en meer over uw eigen toekomst.'

Mevrouw Hoogeveen werd rood. Ze draaide zich om en ging naar binnen en sloeg de deur dicht.

'Oma,' fluisterde Anna, toen ze binnen waren. 'Dat had u niet moeten zeggen.'

'Waarom niet?'

'Als ze nou...'

'Ze gaat niets doen,' zei oma. 'Daarvoor is het te laat. Dat weet zij ook. Ze is niet dom, die vrouw. Ze is alleen maar bang.'

En oma had gelijk. Een week later was het huis aan de overkant donker. De gordijnen waren dicht. Niemand had de familie Hoogeveen zien vertrekken, maar ze waren weg.


Het werd lente. Dat was het rare. De bomen die nog over waren, kregen blad. Op de stompen langs de Loosduinseweg schoten groene takjes op. De lucht werd zacht en de avonden lang, en de mensen kwamen weer naar buiten en zaten op de stoep in de zon, mager en bleek, met hun ogen dicht.

Ruben luisterde elke nacht naar de radio. Elke ochtend vertelde hij oma het nieuws en oma vertelde het aan moeder en moeder vertelde het aan mevrouw Willemse, zonder te zeggen waar ze het vandaan had, en mevrouw Willemse vertelde het aan de hele straat. Arnhem was bevrijd. De Russen stonden voor Berlijn. In het oosten van het land werd de ene stad na de andere vrij. Alleen het westen nog niet. Alleen Holland, met zijn uitgehongerde steden, waar de Duitsers zaten en dreigden de dijken door te steken als de geallieerden zouden aanvallen.

'Er wordt onderhandeld,' zei Ruben op een avond. 'Over voedsel. Ze willen eten laten vallen. Uit vliegtuigen.'

'Uit vliegtuigen?' Anna dacht aan 3 maart. Aan de donkere vormen die als druppels van een dak vielen.

'Met pakketten. Meel en blikken en zo.'

'Dat geloof ik niet.'

'Ik ook niet,' zei Ruben. 'Maar ik zeg het toch.'


Op zondag 29 april was het grijs en winderig. Anna zat bij het raam en verstelde een sok van Wim. Moeder sliep. Oma was boven. Wim speelde op straat met Truus en haar kleine broertje, met een bal van oude kousen.

Toen hoorde ze het.

Een gezoem. Diep, aanhoudend. Van boven. Van alle kanten tegelijk.

De naald viel uit haar hand. Ze kende dat geluid. Ze zou het nooit vergeten, zolang ze leefde.

Ze rende naar het raam en keek omhoog. Ze zag ze komen, over de daken, vanaf de zee. Grote, donkere vliegtuigen. Veel. Heel veel. En ze vlogen laag, nog lager dan op 3 maart, zo laag dat het leek alsof ze de schoorstenen zouden raken.

Beneden op straat stond Wim stil, met de bal in zijn handen. Hij keek omhoog.

'Wim!' schreeuwde Anna. 'Wim, naar binnen! Nu!'