Hoofdstuk 12: Manna

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Wim kwam niet naar binnen. Hij stond midden op straat met de kousenbal in zijn handen en keek omhoog, en Truus stond naast hem, en haar broertje ook. Ze bewogen niet.

Anna rende de trap af. Ze struikelde over de onderste tree en viel bijna, en toen ze de voordeur openrukte, was de lucht vol. Vol geraas, vol schaduwen, vol vliegtuigen die zo laag over de daken kwamen dat ze de letters op de vleugels kon lezen. Ze zag de ronde kokardes, rood, wit en blauw. Ze zag de koepels van glas aan de voorkant, en in een van die koepels zag ze een gezicht. Een man. Hij zwaaide.

Hij zwaaide.

'Ze zwaaien,' zei Truus. Ze zei het zacht, alsof ze het zelf niet geloofde. Toen schreeuwde ze het. 'Anna! Ze zwaaien!'

Overal in de straat gingen ramen open. Mensen kwamen naar buiten, in hun pantoffels, met hun schorten nog voor. Een man klom uit een dakraam en ging op de nok van zijn huis zitten en zwaaide met een laken. Mevrouw Willemse stond in de deuropening met een theedoek in haar hand en zwaaide ermee alsof ze een trein uitzwaaide. Iedereen zwaaide. Iedereen schreeuwde. En de vliegtuigen bleven komen, de ene na de andere, laag en zwaar en donker, in de richting van Ypenburg en Duindigt, waar het land open was.

'Wat doen ze?' riep Wim. 'Anna, wat doen ze?'

Achter haar, in het trapgat, klonk een stem. 'Eten,' zei oma. Ze stond op de trap met haar hand op de leuning. Haar wangen waren nat. 'Ze gooien eten, Wim. Ze gooien eten voor ons.'

Anna keek omhoog. Ze zag een van de vliegtuigen, verderop, boven de daken in het zuidoosten. Onder de buik ging iets open. Er vielen dingen uit. Kleine, donkere vormen, als druppels van een dak.

Ze wachtte op de dreun. Haar hele lijf wachtte erop.

Er kwam geen dreun.


Het duurde een paar dagen voor het eten in de winkels was. Het werd opgehaald van de velden, verzameld, geteld en verdeeld, en intussen kwamen de vliegtuigen elke dag terug. Eerst alleen Engelse, en na een paar dagen ook Amerikaanse, groter en zilverachtig, die nog meer lieten vallen. Ruben hoorde op de radio dat er een afspraak was gemaakt met de Duitsers. Dat er niet op de vliegtuigen geschoten mocht worden. Dat het eten echt eten was.

Mensen fietsten naar de velden om te kijken, maar ze werden weggestuurd. Toch kwam er van alles de straat in. Een blikje met vlees dat iemand had gevonden in een sloot. Een reep chocola, die van hand tot hand ging, en waar iedereen een hoekje van kreeg, zelfs Wim, die het op zijn tong liet smelten en daarna een kwartier lang niets wilde zeggen omdat hij de smaak niet kwijt wilde.

En toen, op een avond, kwam moeder thuis met een tas van de kruidenier. Ze zette hem op tafel en pakte hem uit, langzaam, een voor een. Een pak meel. Een pakje beschuiten, hard en vierkant, met een Engelse tekst erop. Een blikje met eipoeder. Een zakje thee. Een rol margarine. En een reep chocola, een hele, voor hen alleen.

Ze keken ernaar. Niemand pakte iets. Het was alsof ze bang waren dat het weg zou gaan als ze het aanraakten.

'Ga maar,' zei moeder. 'Het is van ons.'

Anna maakte de chocola open. Ze brak hem in stukken. Vijf stukken. Een voor Wim, een voor moeder, een voor oma, een voor zichzelf.

'Vijf?' vroeg Wim.

'Vijf,' zei Anna, en ze nam het vijfde stuk mee naar boven.


Op de avond van 4 mei zat Ruben met de koptelefoon op en was het zo stil op de zolder dat Anna het kristalradiootje kon horen kraken. Oma zat op de kist. Moeder stond bij het lattendeurtje. Ze was nu ook een paar keer boven geweest. De eerste keer had ze niets gezegd, alleen Ruben aangekeken, en toen had ze haar armen om hem heen geslagen en hem lang vastgehouden, zoals ze Anna vasthield als Anna niet kon slapen.

Ruben deed de koptelefoon af. Hij keek naar hen. Hij deed zijn mond open en weer dicht.

'Ruben?' zei Anna.

'Ze hebben gecapituleerd,' zei hij. Zijn stem was gewoon. Niet zacht, niet gefluisterd. Gewoon. 'De Duitsers. In Nederland. Morgenochtend om acht uur. Het is voorbij.'

Niemand zei iets. Toen begon oma te lachen. En moeder. En Anna. En Ruben ook, voor het eerst met geluid, een raar, krakend geluid, alsof een deur openging die heel lang dicht had gezeten.

Buiten op straat begon iemand te zingen. Toen nog iemand. Ergens ging een kerkklok, en nog een. Het was na achten. Niemand ging naar binnen.


De volgende ochtend kwam Ruben naar beneden.

Hij liep de zoldertrap af, langzaam, met zijn hand tegen de muur, langs de deur van meneer Dekker, langs de deur van de familie Bos, naar de voordeur. Hij droeg een overhemd van meneer Dekker dat veel te groot was en een broek die met een touw om zijn middel zat. Zijn haar was zwart en lang en oma had het die ochtend nog geprobeerd te knippen met een schaar van de naaimachine.

Bij de voordeur bleef hij staan.

'Ik weet niet of ik het kan,' zei hij.

'Je kunt het,' zei Anna. 'Het is maar een deur.'

Ze deed hem open. Het licht viel naar binnen, wit en fel, het licht van een gewone ochtend in mei. Ruben kneep zijn ogen dicht. Hij hield zijn hand ervoor. Hij stond daar heel lang, op de drempel, met zijn ogen dicht en zijn gezicht in de zon.

Toen deed hij een stap.

Hij stond op de stoep. Hij keek naar de straat. Naar de huizen, naar de ramen, naar de lantaarnpaal en de goot en de kinderen die rondrenden met papieren vlaggetjes. Naar de lucht. Een grote, blauwe, open lucht, zonder dakpannen ervoor.

'Hij is groter dan ik dacht,' zei hij.

'Wat?'

'Alles.'

Er vloog een meeuw over. Ruben keek hem na tot hij boven de daken verdwenen was.


Een paar dagen later kwamen de Canadezen. Ze reden de stad binnen in jeeps en op tanks en vrachtwagens, en de mensen stonden langs de weg en gooiden bloemen, de eerste tulpen die er waren, uit de tuinen waar niemand de bollen had opgegeten. Wim zat op de schouders van een buurman en kreeg een sigaret, die hij aan oma gaf, en een reep kauwgom, die hij in één keer in zijn mond stopte.

Meneer Dekker kwam half mei thuis uit het ziekenhuis. Hij liep met een stok en hij was nog steeds mager, maar zijn gezicht had weer kleur. Hij stond in de deuropening en zag Ruben aan tafel zitten, bij de familie Bos, met een bord pap voor zich, en hij zei niets. Hij zette zijn stok tegen de muur en ging naast hem zitten en legde zijn hand op Rubens schouder en liet hem daar liggen.


Op een ochtend eind mei stopte er een boerenkar voor de deur. Op de bok zat Kees van der Kooij. Naast hem zat zijn moeder, in een zwarte jas en met een hoed op, en op haar schoot, in een deken gewikkeld, lag een klok.

'Ik had het beloofd,' zei de boerin, toen meneer Dekker naar beneden kwam. 'Voor dat veertje.'

Meneer Dekker keek naar de klok. Toen keek hij naar de boerin. 'U mag hem houden,' zei hij. 'Hij is betaald.'

'Dat weet ik,' zei de boerin. 'Maar een klok die niet loopt, is gewoon een ding. Dat heeft dat kind van u gezegd.'

Dus maakte meneer Dekker een nieuw veertje. Het duurde een middag. Hij zat aan zijn werkbank onder het raam, met zijn loep in zijn oog, en Anna zat naast hem en gaf hem aan wat hij nodig had. De boerin dronk thee bij moeder. Kees speelde met Wim op straat. Ruben zat op de stoep, in de zon, en tekende. Hij tekende de kar en het paard en de straat, en hij tekende Anna, die door het raam keek.

Om vijf uur hing meneer Dekker de slinger terug. Hij gaf er een zetje tegen. De slinger zwaaide, heen en terug, en de klok begon te tikken.

Tik. Tak. Tik.

Anna keek naar de wijzers. Ze bewogen.

En op dat moment, door het open raam, hoorde ze Ruben roepen. Niet zacht. Hard, zo hard als ze hem nog nooit had gehoord.

'Anna! Anna, kom!'

Ze keek naar buiten. Ruben stond op de stoep. Hij wees naar de hoek van de straat.

Daar liep een man. Hij was mager, zo mager dat zijn jas om hem heen hing als een zak. Hij had een baard en een pet en een tas over zijn schouder, en hij liep langzaam, alsof elke stap ver was. Hij bleef staan bij de lantaarnpaal en keek naar de huizen, het ene na het andere, alsof hij ze telde.

Toen keek hij omhoog, naar het raam van tweehoog, waar Anna stond.

Hij lachte. Zoals op de foto in oma's koffiebus. Een beetje scheef.

Anna rende. Ze nam de trap niet twee treden tegelijk. Ze nam er drie. Ze hoorde moeder achter zich, ze hoorde Wim op straat roepen, ze hoorde de klok tikken boven haar hoofd. Ze rende de voordeur uit, de stoep af, de straat over, en ze stopte pas toen ze tegen hem aan botste en zijn armen voelde, dun en sterk, die haar optilden alsof ze nog zes was.

'Twee treden,' zei vader in haar haar. 'Ik hoorde je wel.'

'Drie,' zei Anna. 'Het waren er drie.'


Ruben wachtte die zomer ook. Hij wachtte op lijsten van het Rode Kruis en op brieven en op mensen die terugkwamen uit het oosten. Hij wachtte lang. In de herfst kwam er bericht. Zijn vader, zijn moeder en Lotte zouden niet meer thuiskomen.

Hij bleef bij meneer Dekker wonen, en leerde het vak. Op de werkbank, tussen de klokken, stond een rode koffiebus met gouden letters. Oma had haar foto's in een album geplakt en hem de bus gegeven. Er zaten nu tekeningen in. Een tram op het Buitenhof. Een haring met uitjes. Een meisje met vlechten dat lachte.

En een meisje met een dikke winterjas, op een fiets met tuinslang om de wielen, dat naar het Westland reed.