Hoofdstuk 8: Alleen naar Monster

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Bij Loosduinen nam Anna niet de grote weg. Ze sloeg af voor de controlepost, zoals moeder in december had gedaan, en zocht de steeg tussen de huizen. Ze vond hem pas na twee keer zoeken. Hij was smaller dan ze zich herinnerde, of misschien was de klok op de bagagedrager breder dan de fietstas toen. Het stuur schraapte langs de muren. Ergens achter een raam blafte een hond.

Aan het eind van de steeg lag de vaart. Het water was bruin en stil, met een rand van oud ijs langs de kant, grauw en poreus, als suiker die te lang in de pot heeft gestaan. Een reiger stond op één poot in het riet. Hij keek naar haar, en toen ze dichterbij kwam, sloeg hij zijn vleugels uit en vloog laag over het water weg, zonder geluid.

Anna fietste langs de vaart. Het pad was modderig. De tuinslangbanden gleden weg in de sporen van karren en ze moest twee keer afstappen om de fiets uit de blubber te trekken. Haar sokken werden nat. Het kon haar niet schelen. Zolang ze bewoog, was ze niet bang. Het bang zijn kwam pas als ze stilstond.


Het was na tienen toen ze de knotwilgen zag. De boerderij lag erachter zoals ze hem had onthouden, met het kippengaas en de hond, die deze keer opstond en blafte. Er stonden mensen bij de achterdeur. Anna fietste door, langs de weg, tot ze bij de sloot kwam die achter de stal liep. Daar stapte ze af en duwde de fiets door het natte gras, laag, alsof ze een dief was.

Kees zag haar het eerst. Hij kwam uit de stal met een kruiwagen vol mest en bleef staan.

'Jij,' zei hij.

'Je zei dat ik via de achterkant moest komen.'

'Waar is je moeder?'

'Ziek.' Anna keek naar haar schoenen, die bruin waren van de modder. 'Ze heeft dikke benen. Van de honger. Ze kan niet lopen.'

Kees zette de kruiwagen neer. Hij keek naar de fiets, naar de deken met het touw. 'Wat heb je daar?'

Anna maakte het touw los. Ze sloeg de deken open. De klok lag erin op zijn zij, met de glazen stolp ernaast, heel, en de vergulde cijfers vingen het grijze licht.

Kees floot zachtjes.

'Mijn moeder neemt geen klokken,' zei hij. 'Daar heeft ze er al twintig van gezien.'

'Deze is anders.'

'Waarom?'

Anna wist het niet. Ze had er de hele weg over nagedacht en ze wist het nog steeds niet. 'Omdat ik hem breng,' zei ze. Het klonk dommer dan ze had gewild.

Kees keek haar aan. Toen begon hij te lachen. Het was een echte lach, luid, met zijn hoofd achterover. 'Kom maar mee,' zei hij.


De keuken was zo warm als in december. Het fornuis brandde. Op de plank lag weer een brood. De boerin stond aan het aanrecht en schilde aardappelen, en ze draaide zich niet om toen Kees binnenkwam.

'Moeder,' zei Kees. 'Ze is er weer. Dat meisje uit Den Haag. Van het tafellaken.'

Nu draaide de boerin zich wel om. Ze keek naar Anna, naar haar natte sokken, naar de klok die Kees op de keukentafel zette.

'Alleen?' vroeg ze.

'Mijn moeder is ziek,' zei Anna.

'Hoe oud ben je?'

'Twaalf.'

De boerin legde het schilmesje neer. Ze veegde haar handen af aan haar schort. Ze liep naar de tafel en keek naar de klok, en Anna zag dat ze er niet naar keek zoals naar het tafellaken, met haar duim en wijsvinger. Ze keek alleen.

'Wat moet ik met een klok die stilstaat?' zei ze.

'Hij is van een klokkenmaker,' zei Anna. 'Uit 1880. Hij heeft het veertje eruit gehaald. Na de oorlog maakt hij er een nieuw. Dan loopt hij weer.'

'Na de oorlog,' herhaalde de boerin. Ze zei het alsof het een plaats was die heel ver weg lag. 'Hij is gek, die klokkenmaker van jou.'

'Nee,' zei Anna. 'Hij is gewoon... hij denkt dat er een na de oorlog is.'

Het werd stil in de keuken. Het fornuis tikte. Kees keek naar zijn moeder en zijn moeder keek naar de klok, en toen ging ze zitten, op een keukenstoel, zwaar, en wreef met haar hand over haar gezicht.

'Mijn man is opgepakt,' zei ze, tegen niemand in het bijzonder. 'Vorig jaar februari. Omdat hij een jongen uit Delft liet slapen in de hooiberg. We hebben één brief gehad. Uit een kamp in Duitsland. Sindsdien niets.' Ze keek op. 'Er komen hier elke dag vijftig mensen aan de deur. Ik geef wat ik kan. Ik geef te weinig, dat weet ik. Ik weet ook dat ze me een uitzuiger noemen in Den Haag. Maar als ik meer geef, hebben mijn eigen kinderen in april niets.'

Anna wist niet wat ze moest zeggen. Ze zei niets.

De boerin stond op. Ze liep naar de kelderdeur en ging naar beneden. Ze bleef lang weg. Toen ze terugkwam had ze een zak aardappelen, groter dan in december, en een kool, en een fles melk met een kurk erin. En in haar schort, voorzichtig gedragen, twee eieren.

'Voor je moeder,' zei ze. 'De eieren. Niet voor jou. Voor je moeder. Begrijp je dat?'

'Ja,' zei Anna.

'Rauw. In de melk geklopt. Dat is het beste voor die benen.' De boerin gaf de spullen aan Kees om in te pakken. Toen pakte ze de klok op, met twee handen, en zette hem op de schoorsteenmantel, naast een foto van een man met een pet en een snor. Ze zette de stolp eroverheen. Ze bleef er even naar kijken.

'Zeg maar tegen die klokkenmaker,' zei ze, 'dat ik hem na de oorlog kom brengen. Voor dat veertje.'


Kees bracht haar tot het eind van de sloot. Hij had de zak aardappelen in tweeën verdeeld, een deel in de fietstas en een deel in een jutezak die hij onder de bagagedrager had gebonden, zodat het niet opviel. De eieren had hij in een sok gestopt, en de sok in een blikje, en het blikje in Anna's binnenzak.

'Niet vallen,' zei hij.

'Ik val nooit.'

'Iedereen valt.' Hij hield de fiets vast terwijl zij opstapte. 'Ga terug langs de vaart. Bij de brug staat soms een agent. Een Nederlandse. Die kijkt meestal de andere kant op, maar niet altijd.'

'Kees,' zei Anna. 'Dank je wel.'

Hij haalde zijn schouders op, zoals in december. 'Kom terug als het weer nodig is,' zei hij. 'Via de achterkant.'


De agent stond bij de brug. Hij was dik en hij had een fiets met een rek voor op het stuur. Hij zag haar aankomen. Anna zag dat hij haar zag. Ze trapte door en keek recht voor zich uit, en toen ze langs hem reed, keek de agent naar het water, naar de reiger misschien, of naar niets.

Ze was thuis om half zeven, toen het al schemerde. Truus zat bij Wim op de bedstee en ze speelden een spel met knopen. Moeder lag met haar gezicht naar de muur. Toen Anna binnenkwam draaide ze zich om, en haar gezicht was nat.

'Je bent er,' zei ze.

'Ik ben er.'

'Ik had je moeten tegenhouden.'

'Je kon niet lopen.'

Moeder lachte, door haar tranen heen. 'Daarom niet,' zei ze.

Anna klopte een van de eieren in een beker melk, zoals de boerin had gezegd. Moeder dronk het op, langzaam, met haar ogen dicht. Toen bracht Anna de helft van de aardappelen en het halve kooltje naar boven. Meneer Dekker nam het aan bij de deur. Hij vroeg niets. Hij keek alleen naar haar handen, naar de modder op haar mouwen, en zei: 'Hij staat op een schoorsteenmantel?'

'Naast een foto.'

'Goed,' zei meneer Dekker. 'Dat is een goede plek voor een klok.'

Hij wilde de deur al dichtdoen, maar hij bedacht zich. 'Ruben heeft de hele dag wakker gelegen,' zei hij zacht. 'Hij zei dat hij het zou horen als je terugkwam. Aan je voeten op de trap.' Meneer Dekker glimlachte, voor het eerst in weken. 'Hij hoorde je bij de voordeur al. Hij zei: ze neemt er drie tegelijk. Dan is het goed gegaan.'


Die avond legde Anna een deel apart. Vier aardappelen, een stuk kool, een scheut melk in een flesje. Ze wikkelde het in een theedoek en zette het bij de deur.

'Voor oma,' zei ze tegen moeder. 'Ik breng het morgenochtend. Om tien uur. Dan is ze op.'

'Morgen is het zaterdag,' zei moeder slaperig. 'Dan is ze altijd vroeg op. Ze gaat naar de markt, ook al is er niks.'

'Dan ga ik eerder.'

Ze sliep die nacht zoals ze in maanden niet had geslapen. Diep, zonder dromen. Ze hoorde de raketten niet. Ze hoorde niets.