Hoofdstuk 7: Dikke benen

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De wijkverpleegster heette zuster Bakker en ze had een fiets met een mand voorop, waarin een tas zat met bijna niets erin. Ze kwam twee dagen nadat moeder op de trap in elkaar was gezakt. Meneer Dekker had haar gehaald. Hij had het hele stuk naar de Prins Hendrikstraat gelopen, waar ze woonde, en hij was zo moe teruggekomen dat hij een uur op de onderste tree had gezeten voor hij de trap op kon.

Zuster Bakker drukte met haar duim op moeders enkels, op haar schenen, op haar handen. Overal bleven kuiltjes staan.

'Hongeroedeem,' zei ze. 'Het lichaam houdt water vast als er te weinig eiwit binnenkomt. Ik zie het in elke straat, mevrouw Bos. U bent niet de enige.'

'Wat moet ik doen?' vroeg moeder. Ze lag in de bedstee. Het was raar om haar daar te zien, overdag, terwijl Anna en Wim aan tafel zaten.

'Liggen. Benen omhoog. En eten.' Zuster Bakker deed haar tas dicht. 'Ik weet hoe dat klinkt.'

'Hebben jullie niets?' vroeg Anna. 'Bij de kruisvereniging?'

Zuster Bakker keek haar aan. Ze had een smal, ernstig gezicht, en een wrat naast haar neus, en ze leek iemand die niet vaak loog. 'Ik heb een briefje voor extra melk,' zei ze. 'Daar kun je mee naar de distributie. Maar ik zeg je eerlijk dat er geen melk is. Misschien over een week. Misschien niet.' Ze schreef het briefje toch, en gaf het aan Anna, niet aan moeder.

Bij de deur draaide ze zich om. 'Laat haar niets doen,' zei ze zacht. 'Ook niet als ze zegt dat het wel gaat. Vrouwen zeggen altijd dat het wel gaat.'


Dus deed Anna het.

Ze stond op als het nog donker was en haalde water bij de pomp op de hoek, waar al een rij stond van mensen met emmers. Ze maalde tarwe in de koffiemolen, die moeder tussen haar knieën moest klemmen omdat Anna het alleen niet kon, en waar je een kwartier aan moest draaien voor je een kopje grof meel had. Ze kookte er pap van, met water en een snufje zout, op het kacheltje dat ze stookte met de spijlen van de kinderstoel. Ze stond in de rij bij de gaarkeuken, die weer open was. Ze haalde Wim bij oma vandaan, die zei dat hij kon blijven, maar Wim wilde naar huis, naar mama.

'Je moet haar laten liggen,' zei Anna tegen hem. 'Je mag niet op haar klimmen. En je mag niet vragen om eten.'

'Ik vraag nooit om eten.'

'Je kijkt erom. Dat is hetzelfde.'

Wim keek naar de grond. Toen keek hij naar haar. 'Jij lijkt op mama,' zei hij. 'Als je boos bent.'

Anna wist niet of dat een compliment was.

Het spek ging als eerste. Moeder kreeg de grootste stukjes, omdat zuster Bakker eiwit had gezegd en Anna niet precies wist wat eiwit was, maar het klonk als iets wat in vlees zat. Toen gingen de erwten. Toen werd de tarwe minder. Anna mat het elke avond af met een kopje, en elke avond was er minder dan ze had gerekend.

'Je moet zelf ook eten,' zei moeder vanuit de bedstee.

'Ik eet.'

'Je eet de pan uit. Dat is geen eten.'

Met het briefje van zuster Bakker ging Anna naar het distributiekantoor. Het zat in een oud schoolgebouw, net als de gaarkeuken, en in de gang hing een geur van natte jassen en krijt. Achter een tafel zat een man met mouwophouders en een stempel. Voor de tafel stond een rij die tot buiten liep.

Het duurde twee uur. Een oude man voor Anna ging op de grond zitten, gewoon, tegen de muur, en kwam niet meer overeind. Twee vrouwen tilden hem op een bank. Iemand gaf hem een slok water uit een fles. Niemand zei er veel van. Het gebeurde vaker.

Toen ze eindelijk voor de tafel stond, las de man het briefje en zette er een stempel op. Hij schoof het terug.

'Komt in orde,' zei hij.

'Wanneer?'

'Als er melk is.'

'En als er geen melk is?'

De man keek haar aan. Hij had een vriendelijk gezicht, en dat maakte het erger. 'Dan heb je een mooi briefje met een stempel,' zei hij. 'Het spijt me, meisje. Volgende.'

Op de terugweg kwam Anna langs een tuin waar een vrouw met een schepje in de harde, natte grond stond te hakken. Ze zocht naar iets. Wortels, bollen, wat er ook maar onder de grond zat. Anna keek naar haar handen, die rood waren en gebarsten, en ze dacht: zo ziet het eruit als niemand meer iets heeft. Dan graaf je.


Op een avond ging Anna naar boven. Ze had een pannetje pap bij zich, het laatste kopje, dun als behangerslijm. Meneer Dekker deed open in zijn jas. Hij had zich niet geschoren.

'Dat moet je niet doen,' zei hij, toen hij het pannetje zag.

'Het is niet voor u.'

Hij keek haar aan en deed een stap opzij.

Ruben lag op zijn matras toen ze de linnenkast opendeden. Hij ging rechtop zitten, langzaam, met zijn hand tegen het dak. In het licht van het lampje zag Anna dat zijn gezicht veranderd was. Het was niet alleen mager. Het was grauw, alsof er stof op lag. Zijn lippen waren kapot.

'Hé,' zei hij. 'Twee treden.'

Anna gaf hem het pannetje. Hij at het langzaam op, met een lepel, en hij likte de lepel af en daarna zette hij het pannetje heel voorzichtig neer, alsof het van porselein was.

'Ik heb iets gehoord,' zei hij. 'Op de radio. Er zijn schepen gekomen. Uit Zweden. Met meel. Ze liggen al weken in Delfzijl, of ze hebben er gelegen, en het meel wordt over het land gebracht. Het Rode Kruis doet het.'

'Komt het hier?'

'Dat zeiden ze. Het wordt in bakkerijen gebakken. Wit brood. Echt wit brood.' Hij lachte zonder geluid. 'Ik weet niet eens meer hoe dat smaakt.'

'Wanneer?'

Ruben haalde zijn schouders op. 'Ze zeiden het niet.'

Anna dacht aan het briefje voor de melk, dat in de la lag, en waar ze al drie keer mee naar de distributie was geweest. Ze dacht aan misschien over een week, misschien niet.

'Wij kunnen niet wachten,' zei ze.

Meneer Dekker, die in de opening van het hok stond, zei: 'Nee. Dat kunnen jullie niet.'


Die nacht lag Anna wakker. Ze dacht aan het Westland. Ze dacht aan Kees, die gezegd had: kom via de achterkant, langs de sloot. Ze dacht aan de boerin, met haar vermoeide lach, en aan het fornuis in die keuken en aan het brood op de plank.

Ze had niets om te ruilen. Het tafellaken was weg, het overhemd, het laken, de kousen, de ring. Er was alleen nog de naaimachine, en die was te zwaar om te dragen, en zonder die machine kon moeder na de oorlog niets meer verdienen.

De volgende ochtend klopte meneer Dekker aan. Hij had iets onder zijn arm. Het was een klok, een pendule met een glazen stolp, met een wijzerplaat van wit email en vergulde cijfers. De slinger bewoog niet.

'Uit 1880,' zei hij. 'Die heb ik nog nooit willen verkopen. Hij was van mijn vader.'

'Waarom...'

'Omdat hij niet loopt,' zei meneer Dekker. 'Ik heb het veertje eruit gehaald. Een klok die niet loopt, is gewoon een ding. En als ik hem morgen weer wil laten lopen, maak ik een nieuw veertje. Dat kan ik.' Hij zette de klok op tafel. 'Voor de boer. En de helft van wat je krijgt is voor boven.'

Anna keek naar de klok. Ze dacht aan de vrouw bij de boerderij van Van der Kooij in december, die ook een pendule onder haar arm had gehad, en die met lege handen was weggegaan.

'Ze nemen geen klokken,' zei ze.

'Niet van iedereen,' zei meneer Dekker. 'Misschien wel van jou.'

Moeder wilde het niet. Ze zei het vanuit de bedstee, met haar stem die zo zwak was geworden. Een meisje van twaalf gaat niet alleen. Niet naar het Westland, niet langs de controle, niet met een klok. Het is te ver. Het is te gevaarlijk. Het is te koud.

'Het is niet meer koud,' zei Anna. 'Het is bijna maart.'

Moeder deed haar ogen dicht.


Ze ging de volgende ochtend, voor het licht werd. Ze schreef een briefje en legde het op tafel, onder de kaart van vader. Ben vanavond terug. Truus komt om twaalf uur naar Wim kijken. Niet ongerust zijn. Anna.

Ze wikkelde de klok in een oude wollen deken van meneer Dekker, en bond hem met touw op de bagagedrager van moeders fiets, met de tuinslangbanden. Ze stak haar handen in haar wanten. Ze keek nog één keer omhoog, naar het raam van meneer Dekker, en daar stond hij, een donkere vorm achter het glas. Hij hief zijn hand.

Toen fietste ze de straat uit, de schemering in, naar het zuidwesten, naar de sloten en de lege kassen en het land waar ze alleen nog nooit was geweest.