Hoofdstuk 6: Twee dagen fietsen
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Ze vertrokken in het donker, de eerste week van februari. De vorst was gebroken. Er lag geen ijs meer op de sloten, maar het regende, een fijne, schuine regen die van opzij kwam en door alles heen ging. Moeder had de avond ervoor tot laat zitten naaien bij het licht van de kaarsstomp, die nu dan toch nodig was geweest. In de voering van Anna's winterjas had ze zakken genaaid. Platte zakken, die je niet zag als je de jas dichtknoopte.
'Voor de terugweg,' zei ze. 'Wat ze niet zien, kunnen ze niet pakken.'
Ze leenden de fiets van mevrouw Willemse, die nog echte banden had, al waren ze versleten tot het doek. Zo kon Anna zelf fietsen en hoefde moeder haar niet te dragen. Mevrouw Willemse gaf hen een stuk koek mee, oud en hard, gebakken van iets wat ze niet wilde noemen.
'Breng hem heel terug,' zei ze. 'Die fiets is meer waard dan mijn man.'
Truus stond achter haar in de deuropening en stak haar hand op. Anna zwaaide terug.
De weg naar Leiden liep door Wassenaar. Er stonden villa's met lege ramen en tuinen vol prikkeldraad. Op sommige plekken waren de bossen afgezet met hekken en bordjes. Sperrgebiet. Tussen de bomen zag Anna iets grijs en lang, onder een net met takken erop. Het was groot, groter dan een vrachtwagen.
'Niet kijken,' zei moeder. 'Gewoon doorfietsen.'
Anna fietste door. Maar ze had het gezien. Een raket, liggend, als een vis op het droge, met mannen eromheen die rookten. Ze dacht aan het gebrul 's nachts en aan de vlam die opsteeg. Het was zo gewoon, daar tussen de bomen, als iets wat je in een schuur zet.
Na Leiden werd het land wijder. Ze reden langs de Ringvaart, waar het water zwart en hoog stond, en daar ergens staken ze over, de Haarlemmermeer in. Het was een polder zo plat dat de lucht er groter leek dan elders. De wegen waren kaarsrecht, met boerderijen op grote afstand van elkaar, en tussen de boerderijen niets, alleen akkers en sloten en de wind.
De wind kwam van voren. Hij kwam altijd van voren, leek het. Anna boog over haar stuur en trapte, en trapte, en kwam bijna niet vooruit. Haar benen brandden en daarna voelde ze ze niet meer. Moeder fietste voor haar. Af en toe draaide ze zich om, en dan knikte Anna, ook als het niet ging.
Ze waren niet de enigen. Op de weg waren tientallen mensen, honderden misschien, allemaal met fietsen, karren, kinderwagens, sleetjes op wielen. Een vrouw met een kinderwagen waar een geit in lag. Een oude man die een fiets duwde met een kist erop gebonden. Een meisje van Anna's leeftijd dat alleen liep, op klompen, met een rugzak. Anna keek naar haar en het meisje keek terug en geen van beiden zei iets.
De eerste vier boerderijen zeiden nee. Bij de vijfde kregen ze een kom karnemelk en een plek in de schuur, omdat het donker werd. Er sliepen al twintig mensen, in het stro, tegen elkaar aan voor de warmte. Er was een vrouw uit Rotterdam die haar man had verloren bij het bombardement in '40. Er was een moeder met drie kinderen die al vier dagen onderweg was. Er was een student uit Leiden die verhalen vertelde over zijn hospita en iedereen aan het lachen maakte, zelfs moeder.
Anna lag tussen moeder en de muur. Het stro prikte. Het rook naar koe en naar natte wol en naar al die mensen, en het was het warmste plekje waar ze in weken had gelegen.
'Mama,' fluisterde ze. 'Slaap je?'
'Nee.'
'Denk je dat papa ook in een schuur slaapt?'
Het bleef even stil. 'Ik denk dat hij in een barak slaapt,' zei moeder. 'Met veel andere mannen. Die elkaar verhalen vertellen. Net als hier.'
'Vertelt hij dan over ons?'
'Elke avond,' zei moeder. 'Hij vertelt over het meisje dat altijd twee treden tegelijk neemt.'
Anna draaide zich om naar de muur, zodat moeder haar gezicht niet zou zien.
De volgende ochtend ging moeder naar het woonhuis met de fietstas. Anna moest buiten wachten. Ze stond bij de mesthoop en keek naar de kippen, die rondliepen alsof er geen oorlog was. Toen moeder terugkwam, droeg ze twee zakken. Een met tarwe, een met erwten. En onder haar arm een stuk spek, in krantenpapier.
'Het laken,' zei ze. 'En de kousen. En de servetring.'
Anna keek naar moeders hand. Er zat een witte streep rond haar vinger, waar de ring had gezeten.
'Mama...'
'Ze vroeg erom,' zei moeder. 'Voor de erwten.' Ze keek niet naar haar hand. 'Een ring is van goud. Erwten zijn van eten.'
Achter de schuur, waar niemand keek, vulde moeder de zakken in Anna's voering. Ze schepte de tarwe erin met haar handen, zo veel als erin paste, tot de jas stijf stond en zwaar hing. Anna voelde de korrels tegen haar ribben. Het spek ging in de binnenzak van moeders jas. De erwten en de rest van de tarwe gingen in de fietstas.
'Als iemand iets vraagt,' zei moeder, 'heb jij het koud. Jij bent een kind met een dikke jas, dat het koud heeft. Meer niet.'
De terugweg was erger. De wind was gedraaid. Hij kwam nu weer van voren, de andere kant op, alsof hij hen volgde om hen te pesten. Moeder fietste langzamer dan op de heenweg. Anna zag haar af en toe opstaan op de trappers en daarna weer zakken, alsof haar benen het niet meer deden.
Halverwege de polder zagen ze het meisje op klompen weer. Ze zat aan de kant van de weg, op haar rugzak, en wreef over haar voet. Er zat bloed op haar kous. De rugzak was plat.
Moeder remde. Ze stapte af en hurkte bij het meisje neer. 'Waar moet je heen?'
'Voorburg,' zei het meisje.
'Heb je iets gekregen?'
Het meisje schudde haar hoofd. 'Ze zeiden dat ik terug moest komen met geld. Of met zilver.' Ze keek naar haar voet. 'We hebben geen zilver.'
Moeder keek naar de fietstas. Anna zag haar rekenen, zag haar lippen bewegen. Toen maakte ze de zak met tarwe open en schepte er twee handen uit, in de zakdoek waar haar trouwring in had gezeten. Ze knoopte de punten aan elkaar en legde het pakje in de schoot van het meisje.
'Niet in je rugzak,' zei moeder. 'In je kous. Bij je enkel. En loop door tot je thuis bent.'
Het meisje keek naar het pakje en daarna naar moeder, en ze zei niet dank u wel, omdat ze het niet kon, en dat gaf niet.
Bij Leiden stond de controle. Het was geen slagboom deze keer, maar een vrachtwagen dwars over de weg, en zes soldaten die iedereen tegenhielden. Er lag al een stapel zakken naast de weg. Aardappelen, bieten, een mand met eieren, kapot. Een vrouw zat op de stoeprand te huilen met haar handen voor haar gezicht.
'Absteigen.'
Ze stapten af. Een soldaat opende moeders fietstas. Hij haalde de zak met erwten eruit en de zak met tarwe en gooide ze op de stapel. Hij zei er niets bij. Hij keek niet eens naar hen.
Moeder zei ook niets. Anna zag haar kaak. Ze zag hoe moeder haar handen om het stuur klemde.
De soldaat keek naar Anna. Hij was niet jong en niet oud, met een litteken op zijn kin. Hij keek naar haar jas.
'Kalt?' vroeg hij.
Anna knikte. Ze klappertandde. Dat hoefde ze niet eens te spelen.
De soldaat keek nog even. Toen gebaarde hij met zijn duim. Doorlopen.
Pas na een kilometer stapte moeder af. Ze zette de fiets tegen een boom en ging in het natte gras zitten, gewoon, midden in de berm. Ze zei niets. Ze haalde adem, en nog eens, en toen begon ze te lachen. Het was een raar lachen, hoog en schor. Anna wist niet of het lachen was of huilen.
'Je jas,' zei moeder. 'Je jas, Anna. Ze hebben je jas niet gezien.'
Ze kwamen thuis op de tweede avond, ver na het donker, door de stille straten, langs de huizen zonder licht. Moeder liep de laatste kilometer naast de fiets. Bij de voordeur bleef ze staan. Ze legde haar hand op de deurpost.
'Ga jij maar eerst,' zei ze.
Anna droeg de fietsen naar binnen, een voor een, de gang in. Toen ze terugkwam stond moeder nog steeds bij de deur. Ze zette een voet op de eerste tree van de trap. Toen de tweede.
Bij de derde tree zakte ze in elkaar. Niet plotseling, niet met een klap. Langzaam. Alsof iemand de lucht uit haar liet lopen. Ze zat op de trap met haar hoofd tegen de muur en haar ogen dicht, en toen Anna de zoom van haar rok een stukje optilde om te zien waarom ze niet verder kon, zag ze moeders enkels.
Ze waren dik en glanzend en wit, als deeg. Toen Anna er met haar vinger op drukte, bleef er een kuiltje in staan. Het ging niet meer weg.