Hoofdstuk 5: Huiszoeking

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Anna nam twee treden tegelijk. Ze dacht aan Ruben, die dat zou horen, en die nu wist dat ze haast had.

Moeder stond al in de gang. Ze had Wim op haar heup, met deken en al, hoewel hij daar eigenlijk te groot voor was. 'Waar was je?' fluisterde ze.

'Bij meneer Dekker.'

'Ze zoeken mannen,' zei moeder. 'En radio's. Mevrouw Willemse riep het door de brievenbus. Ze hebben de Van Speijkstraat al gehad.'

Anna knikte. Haar keel zat dicht. Ze dacht aan het kristalradiootje onder de vloer van meneer Dekker. Ze dacht aan de linnenkast. Ze dacht aan de kier aan de onderkant, waar licht doorheen kwam als Ruben zijn kaars aan had.

Hij heeft hem vast uit, dacht ze. Hij hoort de vrachtwagens ook.

Er werd gebonsd. Niet op hun deur, op de voordeur beneden, waar de bel al maanden niet meer werkte. Daarna werd de deur opengetrapt, want niemand had hem op slot gedaan sinds de benedenburen weg waren, en toen waren er voetstappen in het portiek. Laarzen. Stemmen.

'Aufmachen!'

Moeder deed open. Ze deed het snel, zodat het niet leek alsof ze iets te verbergen had.

Er stonden drie mannen op de overloop. Twee soldaten, een oude en een jonge, en de man in de lange zwarte jas met de hoed. Van dichtbij zag Anna dat hij een band om zijn arm droeg, en dat hij een Nederlander was, met een Haags accent, zo plat als het Westland.

'Wie woont hier?' vroeg hij.

'Ik,' zei moeder. 'En mijn kinderen.'

'Uw man?'

'In Duitsland. Hij werkt daar. Sinds november.'

De man keek op zijn papier. Hij keek naar Wim, die met grote ogen over de deken heen keek, en naar Anna. 'Kijk maar even rond,' zei hij tegen de soldaten.

Ze keken rond. Het duurde niet lang. Er was niet veel om te bekijken. De oude soldaat trok de bedstee open en tilde de dekens op. De jonge keek in de kast onder het aanrecht en in het kolenhok zonder deur. Ze tikten met hun laarzen op de vloer. De oude soldaat bleef staan bij de schoorsteenmantel en pakte de kaart van vader op. Hij las hem, langzaam, met zijn lippen bewegend, alsof hij de letters spelde. Toen zette hij hem terug tegen de klok. Precies zoals hij had gestaan.

'Nichts,' zei hij.

'Boven?' vroeg de man met de hoed.

'Een oude man,' zei moeder. 'Meneer Dekker. Hij is klokkenmaker. Hij is vierenzestig.'

'Dat zien we zelf wel.'

Ze gingen naar boven. Anna luisterde. Ze hoorde de deur van meneer Dekker, ze hoorde stemmen, ze hoorde iets vallen, iets van metaal, en ze hoorde meneer Dekker zeggen: 'Dat is een slingeruurwerk uit 1880, als u wilt, kunt u hem meenemen, maar dan moet u er wel voorzichtig mee zijn.'

Iemand lachte. De jonge soldaat.

Daarna hoorde ze wat ze niet wilde horen. De zoldertrap. Het kraken van de treden.


Anna wist later niet meer waarom ze het deed. Ze dacht er niet over na. Het was alsof haar benen eerder wisten wat ze moest doen dan haar hoofd.

'De kinderstoel,' zei ze hardop. 'Mama, mijn kinderstoel staat nog boven.'

En voordat moeder haar kon tegenhouden, rende ze de trap op.

Op de zolder stonden de oude soldaat en de man met de hoed. De jonge soldaat stond op de trap achter hen. De man met de hoed had een zaklantaarn en hij scheen ermee in de hokken. In het hok van de familie Bos. In het hok van de benedenburen. In het hok van meneer Dekker.

Het licht viel op de linnenkast.

'Die is van mij,' zei Anna. Ze liep langs hen heen, het hok van meneer Dekker in, en tilde de kinderstoel op, die nog precies stond waar ze hem had neergezet, in het donker, toen ze Ruben had gevonden. 'Ik wilde hem stoken. Mijn broertje is ziek. We hebben geen hout meer.'

De man met de hoed scheen met de lamp in haar gezicht. Ze kneep haar ogen dicht.

'Wat doe jij hier?' vroeg hij. 'Dit is niet jullie hok.'

'Ik had hem hier gezet, omdat het bij ons vol staat.' Anna wees naar hun eigen hok, waar alleen de kapotte wasmand stond en een paar dakpannen. Dom, dacht ze. Dom, dom. 'Meneer Dekker vond het goed.'

De man met de hoed draaide zich naar de linnenkast. Hij legde zijn hand op de deur.

Anna voelde dat haar knieën trilden. Ze klemde de kinderstoel tegen zich aan. Ze dacht: als hij de deur opendoet, ziet hij een lege kast. Als hij goed kijkt, ziet hij de achterwand. Als hij erop klopt, hoort hij dat het hol is. Als hij hol hoort, trekt hij. Als hij trekt...

Beneden begon Wim te huilen. Niet zacht, zoals de laatste tijd. Hard. Gillend. Het geluid kwam door de vloer en door het trapgat omhoog en het vulde de hele zolder. Het was het hardste huilen dat Anna ooit van hem had gehoord.

De oude soldaat zei iets in het Duits. Het klonk moe. Hij zei het nog een keer, tegen de man met de hoed, en wees naar beneden en naar zijn horloge.

De man met de hoed trok de deur van de linnenkast open. Hij scheen erin met zijn lamp. Anna keek niet. Ze keek naar haar schoenen, naar de vloer, naar het stof op de planken. Ze telde. Een. Twee. Drie.

'Leeg,' zei de man met de hoed.

'Ja,' zei Anna. 'Hij heeft alles verstookt. Behalve de kast. De kast is van zijn vrouw geweest.'

Ze wist niet of dat waar was. Ze zei het gewoon.

De man liet de deur open staan en draaide zich om. 'Weg met jou,' zei hij. 'Ga je broertje stil maken.'

Anna liep de trap af met de kinderstoel. Ze voelde de ogen van de oude soldaat in haar rug. Ze durfde niet om te kijken.


Toen de vrachtwagens weg waren, waren er vier mannen uit de straat meegenomen. Twee broers van de overkant, die zich achter een schoorsteen op het dak hadden verstopt en daar waren gevonden. Een buurman van Truus, die een radio onder zijn bed had gehad. En de schoenmaker van de hoek, die niemand iets had gedaan en die eenenveertig was, één jaar te oud, en die toch mee moest omdat het papier verkeerd was ingevuld.

Mevrouw Hoogeveen stond nog steeds achter haar raam. Toen Anna naar buiten keek, deed ze het gordijn dicht.

Moeder zat aan tafel met Wim op schoot. Hij was stil nu. Hij hikte nog een beetje. Moeder streelde zijn haar en keek naar Anna. Ze keek lang.

'Wim was ineens zo bang,' zei ze. 'Zomaar. Hij lag rustig, en toen begon hij te gillen. Weet jij waarom?'

'Nee,' zei Anna.

'Ik kneep hem,' zei Wim. Hij zei het tegen de deken. 'In mijn eigen been. Omdat Anna boven was. En de mannen waren boven. En ik wilde dat ze naar beneden kwamen.'

Moeder zei niets. Ze drukte Wim tegen zich aan en keek over zijn hoofd heen naar Anna.

'Wat is er boven, Anna?'

Anna keek naar de kaart van vader op de schoorsteenmantel. Ze dacht aan de belofte. Ze dacht aan wat meneer Dekker had gezegd: wat je moeder niet weet, kan ze niet vertellen.

'Een kinderstoel,' zei ze. 'Was.'

Moeder hield haar blik nog even vast. Toen keek ze weg. Ze knikte, langzaam, alsof ze iets besloot wat niets met de vraag te maken had.


's Avonds aten ze het laatste. Drie aardappelen, de kleinste, en een halve suikerbiet. Moeder at niet mee. Ze zei dat ze 's middags al had gegeten, bij mevrouw Willemse, maar Anna wist dat dat niet waar was. Ze had het de hele dag niet gezien.

De gaarkeuken was al drie dagen dicht geweest. Er was geen brandstof, werd er gezegd. Of geen eten. Of allebei.

Na het eten pakte moeder de fietstas en zette hem op tafel. Ze opende de la van de kast en haalde er dingen uit. Het laatste goede laken. Een paar kousen van zijde die ze nooit had gedragen. Een zilveren servetring van haar eigen moeder. En toen trok ze aan haar vinger, en trok nog eens, omdat het niet meteen ging, en legde haar trouwring ernaast.

'Mama,' zei Anna.

'Het Westland heeft niks meer,' zei moeder. 'Iedereen gaat er al heen. We moeten verder weg. Naar de Haarlemmermeer. Daar is graan, zeggen ze. Daar hebben de boeren nog wat.'

'Hoe ver is dat?'

'Een dag fietsen. Als het goed gaat.' Moeder legde de ring in een zakdoekje en vouwde het dicht. 'En een dag terug.'

'En Wim?'

'Wim gaat naar oma.' Moeder keek op. 'En jij gaat met mij mee. Ik kan het niet alleen.'

Anna wist dat het geen vraag was. Ze wist ook dat moeder dat nooit eerder had gezegd. Ik kan het niet alleen.