Hoofdstuk 4: Het geheim van meneer Dekker

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Het was meneer Dekker. Hij stond boven aan de zoldertrap in zijn pyjama, met een jas eroverheen en een kaars in zijn hand, en hij keek naar Anna en naar de kast en naar de jongen in de kast. Zijn gezicht veranderde niet.

'Doe die wand maar dicht, Ruben,' zei hij rustig. 'En jij, Anna, kom maar even mee naar beneden.'

Anna ging mee. Ze vergat de kinderstoel. Ze liep achter meneer Dekker aan de trap af, zijn woning in, die precies zo was als die van hen, alleen kaler. Er stond een tafel met één stoel, en een werkbank onder het raam met daarop klokken zonder wijzers, klokken zonder glas, een wekker met zijn ingewanden eruit. Het rook naar olie en koperpoets.

Meneer Dekker zette de kaars op tafel en ging niet zitten. Anna ook niet.

'Je weet nu iets,' zei hij. 'Dat kan ik niet meer veranderen. Wat ik wel kan doen, is je vertellen waarom het belangrijk is dat je het niet verder vertelt. Aan niemand. Ook niet aan Truus. Ook niet aan je moeder.'

'Ook niet aan mama?'

'Wat je moeder niet weet, kan ze niet vertellen. Ook niet als iemand het haar vraagt op een manier waarop je geen nee kunt zeggen.' Hij keek haar aan over zijn ijzeren bril. 'Begrijp je wat ik bedoel?'

Anna begreep het. Ze had verhalen gehoord. Iedereen had verhalen gehoord, over het Oranjehotel in Scheveningen, over mensen die werden meegenomen en terugkwamen met een ander gezicht, of niet terugkwamen.

'Wie is hij?' vroeg ze.

'Zijn naam is Ruben. Hij is zeventien. Zijn vader was een vriend van mij. Hij verkocht horloges, in de Spuistraat, en ik repareerde ze.' Meneer Dekker draaide de kaars een kwartslag, alsof dat iets uitmaakte. 'In de zomer van '42 zijn ze opgehaald. Zijn vader, zijn moeder, zijn zusje. Ruben was die avond niet thuis. Hij was bij een vriend. Toen hij thuiskwam was de deur verzegeld. Hij heeft een nacht in het Westbroekpark onder een struik gelegen, en de ochtend daarna stond hij hier op de stoep.'

'Twee en een half jaar,' zei Anna. Ze rekende het uit terwijl ze het zei. 'Op de zolder?'

'Op de zolder.'

Anna dacht aan de twee borden. Ze dacht aan de rantsoenen, die steeds kleiner werden. Ze keek naar meneer Dekker, naar zijn polsen die uit zijn mouwen staken, dun als stokjes, en naar zijn wangen die naar binnen vielen.

'U geeft hem de helft,' zei ze.

'Ik geef hem wat er is.'


Ze beloofde het. Ze beloofde het in de kamer van meneer Dekker, met haar hand op de tafel, en de volgende ochtend beloofde ze het nog een keer, in zichzelf, toen moeder vroeg waarom ze zo stil was.

'Ik heb slecht geslapen,' zei Anna.

Dat was niet eens gelogen.


Het werd januari en het werd koud. Niet de koude van december, die nat was en door je kleren trok. Dit was een andere koude, droog en hard, die in de lucht hing als glas. De grachten vroren dicht. Het water in de emmer in de keuken bevroor, en in de ochtend moest moeder met een mes het ijs eraf hakken. Wim mocht de bedstee niet meer uit. Hij lag onder alle dekens en speelde met een tol die vader ooit voor hem had gesneden, en als hij praatte, kwam er een wolkje uit zijn mond.

Meneer Dekker kwam op een middag langs met een pannetje.

'Ik had wat over,' zei hij tegen moeder. 'Erwtensoep. Nou ja, soep. Er heeft ooit een erwt in gelegen.'

Moeder wilde het niet aannemen, en meneer Dekker zette het toch op tafel, en toen hij wegging keek hij naar Anna en knikte één keer. Anna begreep het. Hij had niets over. Hij gaf het omdat zij het geheim bewaarde, of misschien omdat hij wilde dat zij wist dat hij op haar rekende.

Na dat bezoek ging Anna elke paar dagen naar boven. Ze zei tegen moeder dat ze meneer Dekker hielp met zijn klokken, en dat deed ze ook, een beetje. Hij leerde haar hoe je een veer opwond en hoe je een tandwiel schoonmaakte met een kippenveer en spiritus. Maar als het donker werd, ging ze met hem mee naar de zolder.

Ruben woonde in een ruimte die kleiner was dan de bedstee thuis. Hij kon er rechtop zitten, maar niet staan. Er lag een matras met een paardendeken en een kussen, er stond een emmer met een deksel en een stapeltje boeken, en tegen het schuine dak had hij met punaises tekeningen geprikt. Het waren tekeningen van dingen die hij niet meer kon zien. Een tram op het Buitenhof. Een haring met uitjes. Een meisje met vlechten dat lachte.

'Mijn zusje,' zei hij, toen Anna ernaar keek. 'Lotte. Ze was negen.'

Hij zei was, en Anna zei niets terug, omdat ze niet wist wat je daarop moest zeggen.

Ruben praatte zacht, op een toon die net boven fluisteren lag. Hij had die gewoonte twee en een half jaar geoefend en hij kon het niet meer afleren. Maar wat hij zei, was niet zacht. Hij wist dingen. Meneer Dekker had een radiootje, een kristalontvanger zo klein als een sigarenkist, verstopt onder de vloer, en 's nachts luisterde Ruben met een koptelefoon naar Radio Oranje uit Londen.

'De Russen zijn in Polen,' zei hij. 'Ze gaan snel nu. En de Engelsen en de Amerikanen zijn bijna bij de Rijn.'

'Waar is de Rijn?'

Ruben keek haar aan alsof ze iets heel geks had gevraagd. Toen lachte hij, zonder geluid, met zijn hele gezicht. 'Neem je atlas eens mee,' zei hij.

Ze nam haar atlas mee. De atlas van school, met de blauwe kaft en de kaart van Nederland voorin, waarop alle provincies een eigen kleur hadden. Ruben legde hem op zijn knieën en volgde de lijnen met zijn vinger. Hier was Arnhem, waar het in september was misgegaan. Hier was Nijmegen, al bevrijd. Hier was Brabant, waar de familie van de benedenburen naartoe was gegaan, ook bevrijd. En hier, helemaal links, aan de zee, was Den Haag. Nog niet.

'Het duurt niet lang meer,' zei Ruben. 'Nog een paar maanden. Misschien minder.'

'Hoe weet je dat?'

'Dat weet ik niet. Maar als ik het niet zeg, gaat het helemaal niet.'

Anna keek naar de tekening van Lotte. 'Weet je waar ze zijn?' vroeg ze. 'Je ouders?'

Ruben schoof de atlas van zijn knieën. Hij keek naar zijn handen. 'Ze zijn naar Westerbork gebracht,' zei hij. 'Dat weet ik. En daarna naar het oosten. Verder weet ik niks.'

'Je vader komt terug,' zei Anna. 'En de mijne ook.'

Ruben zei niets. Buiten, ver weg, begon het gerommel van een raket. Ze luisterden er allebei naar, hoe het aanzwol en het dak liet trillen en daarna wegstierf boven de zee.

'Weet je wat het gekke is?' zei Ruben. 'Ik ken alle geluiden van deze straat. Ik weet wanneer de melkboer kwam, vroeger, en welke deur piept. Ik weet dat jij twee treden tegelijk neemt als je haast hebt. En ik heb de straat in twee en een half jaar nooit gezien. Alleen dat stukje lucht.' Hij wees naar een kier tussen twee dakpannen, waardoor een streep grijs licht viel. 'Soms vliegt er een meeuw langs. Dan heb ik een goede dag.'

'Wat doe je de hele dag?'

'Lezen. Tekenen. Rekenen, als meneer Dekker sommen voor me opschrijft. Slapen. En wachten. Vooral wachten.' Hij haalde zijn schouders op. 'Wachten kun je leren. Net als fluisteren.'

Hij pakte een potlood en begon iets te tekenen op de binnenkant van de kaft, iets kleins, en toen Anna het later bekeek zag ze dat het een klok was, een klok zonder wijzers.


Op een middag in de tweede helft van januari zat Anna bij meneer Dekker aan de werkbank. Ze poetste een slinger. Het was de enige warme plek in huis, omdat meneer Dekker een petroleumlampje had laten branden om zijn handen te verwarmen. Buiten was het stil. Zo stil als het alleen kon zijn als er geen auto's reden, geen trams, geen fietsen, als de mensen thuis bleven omdat lopen te veel kracht kostte.

Toen hoorde ze een motor. En nog een. Vrachtwagens.

Meneer Dekker legde zijn pincet neer. Hij stond op en liep naar het raam, zonder het gordijn aan te raken, en keek door de kier naar beneden.

Anna stond naast hem. Ze zag de straat. Ze zag twee grijze vrachtwagens, die aan het eind van de straat stonden, dwars, zodat niemand eromheen kon. Ze zag soldaten uitstappen, met geweren op hun rug. Een van hen had een papier in zijn hand. Bij hen stond een man in een lange zwarte jas, geen soldaat, een Nederlander, met een hoed op. Hij wees naar de huizen.

Aan de overkant ging een gordijn opzij. Daar woonde mevrouw Hoogeveen, wier man bij de NSB was. Ze stond achter het raam en keek naar buiten, met haar armen over elkaar.

Beneden werd op een deur gebonsd. Niet op de deur van Truus. Verder. Dichterbij.

'Ga naar huis,' zei meneer Dekker. Hij zei het heel kalm, maar zijn hand lag plat op de vensterbank en Anna zag dat zijn knokkels wit waren. 'Ga naar je moeder. Nu.'