Hoofdstuk 3: Kerst zonder kaarsen
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Wim bleef vijf dagen ziek. Hij lag in de bedstee en sliep en werd wakker en sliep weer. Moeder kookte de aardappelen van Kees met schil en al, prakte ze fijn met een beetje kookwater en voerde hem met een theelepeltje. De dokter kwam niet, want de dokter had zelf griep, zei zijn vrouw aan de deur, en bovendien had hij geen medicijnen meer. 'Warm houden,' zei ze. 'En drinken.'
Warm houden. Anna wist niet meer wat dat betekende. Het kacheltje had alles opgegeten wat ze hadden. De keukenstoelen waren op, op één na. De plank boven het aanrecht was op. De deur van het kolenhok, de lijst om de spiegel, de kist waar vroeger de speelgoedblokken in zaten: op.
'We moeten hout hebben,' zei moeder op de avond voor kerst. Ze zat bij Wim en hield zijn hand vast. 'Anders lukt het niet.'
Truus Willemse woonde aan de overkant van de straat. Ze was even oud als Anna en ze zaten in dezelfde klas, al ging die klas niet meer naar school, omdat de school dicht was. Er was geen kolen om te stoken, en een deel van de lokalen werd gebruikt door de gaarkeuken. Truus had een handzaag van haar vader en een moeder die nergens bang voor was.
'Bij de Zoutmanstraat,' zei Truus. 'Daar is een huis leeg. Iedereen gaat erheen.'
Ze gingen erheen. Het was koud en helder en de lucht was zo blauw dat het pijn deed aan je ogen. Het huis stond in een rij met andere huizen, en het zag er van buiten gewoon uit, op de deur na. Die was er niet meer. Er was alleen een gat waar de deur had gezeten, en daarachter een gang zonder vloer.
Binnen waren mensen aan het werk. Een man zaagde de trapleuning door. Twee vrouwen trokken de plinten los. Een jongen stond boven op een ladder en sloeg met een hamer tegen een balk. Het klonk hol, als een trommel. Overal lag stof en kalk en glas.
'Wie woonde hier?' vroeg Anna.
Truus haalde haar schouders op. Maar een vrouw die naast hen een kastdeur uit zijn hengsels wrikte, keek op.
'Joodse mensen,' zei ze. 'Al lang weg. In '42 al.'
Ze zei het niet gemeen en ook niet vriendelijk. Ze zei het zoals je zegt dat het regent. Daarna ging ze door met wrikken.
Anna bleef staan in de kamer. Er hing nog behang, met kleine gele rozen. Op één plek was het lichter, een rechthoek, waar ooit een schilderij had gehangen. Ze dacht aan het meisje dat hier misschien had gewoond. Of de jongen. Ze dacht aan hun bedden, hun tafel, hun stoelen, die allemaal al lang verbrand waren in andermans kachel.
'Kom op,' zei Truus. 'Anders is alles weg.'
Ze zaagden een stuk van de vloer los, op de eerste verdieping, waar de planken nog lagen. Het ging langzaam. De zaag bleef steken en Anna's handen werden rauw. Ze kregen vier planken mee en een stuk balk. Ze droegen het samen naar huis, over hun schouders, en onderweg zei Anna niets.
'Wat heb je?' vroeg Truus.
'Niks.'
'Je denkt aan die mensen.'
'Jij niet?'
Truus keek naar de stoep. 'Als ik eraan denk, kan ik niet zagen,' zei ze.
Het was een kerst zonder kaarsen. Er was er nog één, een stompje van een vinger lang, maar moeder bewaarde dat voor als het echt nodig was. Ze aten suikerbieten die moeder had geruild tegen bonnen voor tabak, want vader rookte toch niet meer hier, zei ze. De suikerbieten waren zoet en draderig en roken naar stal. Moeder had er stroop van willen koken, maar dat kostte te veel hout, dus aten ze ze in schijfjes, gekookt.
Wim zat rechtop in de bedstee en at drie schijfjes. Toen zei hij: 'Is papa ook thuis met kerst?'
'Nee, schat,' zei moeder. 'Papa is in Duitsland.'
'Hebben ze daar ook suikerbieten?'
'Vast wel.'
Wim dacht na. 'Dan is het goed,' zei hij, en hij ging weer liggen.
Moeder liep naar het raam en bleef daar lang staan met haar rug naar hen toe.
Op tweede kerstdag kwam oma Kee. Ze was het hele stuk vanuit het Bezuidenhout komen lopen, met een wandelstok en een boodschappentas, en toen ze boven was moest ze eerst tien minuten op het bed zitten voor ze iets kon zeggen. Haar lippen waren blauw.
'U had niet moeten komen,' zei moeder.
'Kerst is kerst,' zei oma. Ze haalde een jampotje uit haar tas. Er zat een donkere, glanzende laag in, een vinger dik. 'Stroop. Van de buurvrouw. Ik heb er een paar breinaalden voor gegeven, ik brei toch niet meer, ik heb geen wol.'
Ze aten de stroop met een theelepeltje, om de beurt, Wim eerst. Hij hield het lepeltje zo lang in zijn mond dat oma moest lachen. Toen haalde oma uit haar tas nog iets: een blikken koffiebus, rood met gouden letters, met een deukje in het deksel.
'Daar zit geen koffie in,' zei ze, voordat iemand iets kon vragen. 'Al twee jaar niet. Daar zitten de foto's in. Van opa, van jou toen je klein was, Greet, van de trouwerij. Ik neem hem overal mee naartoe. Je weet nooit.'
Ze liet ze zien, een voor een, bij het licht van het raam, want de kaars bleef in de la. Op een van de foto's stond vader, jong, in zijn conducteursuniform, met zijn pet scheef op zijn hoofd. Hij lachte naar iemand buiten de foto.
'Naar mij,' zei moeder. 'Hij lachte naar mij.'
Toen oma weer naar huis ging, voordat het donker werd, bleef het lang stil in de kamer. Maar het was een andere stilte dan daarvoor.
De volgende dag was het hout al bijna op. De planken uit de Zoutmanstraat waren nat geweest en ze hadden meer gerookt dan gebrand. Anna lag 's nachts wakker en luisterde naar Wim, die hoestte, en naar moeder, die in de stoel draaide en zuchtte. Op een gegeven moment stond ze op.
Op de zolder lagen nog dingen. Dat wist ze. Elk huis in het portiek had een eigen hok op zolder, met een deurtje van latten. In hun hok stonden een oude kinderstoel, een kapotte wasmand en een paar dakpannen. De kinderstoel was van hout. Ze kon hem halen nu het donker was, zodat moeder niet zou zeggen dat ze hem moesten bewaren voor later, voor de kleinkinderen, iets wat moeder over alles zei.
Ze sloop de trap op, langs de deur van meneer Dekker, naar de smalle zoldertrap. Het hout kraakte bij elke tree. Boven was het nog kouder dan beneden. Door de kieren tussen de dakpannen zag ze sterren. Het rook naar stof en muizen en oude kranten.
Ze vond de kinderstoel op de tast. Hij was lichter dan ze had gedacht. Ze tilde hem op en draaide zich om.
En toen hoorde ze het.
Iemand hoestte.
Het was een korte hoest, gesmoord, alsof iemand zijn mond in een kussen drukte. Het kwam niet van beneden. Het kwam van hier, van de zolder. Van de andere kant, waar het hok van meneer Dekker was.
Anna stond stil met de kinderstoel tegen haar borst. Ze hoorde haar eigen bloed. Ze dacht aan de twee borden. Ze dacht aan de voetstappen op de trap. Ze dacht aan meneer Dekker die stil had gestaan op de overloop en naar haar had gekeken zonder iets te zeggen.
Het hok van meneer Dekker was groter dan dat van hen. Het liep door tot onder het schuine dak. Ze had er nooit goed in gekeken. Er stond een kast tegen de achterwand, een ouderwetse linnenkast met deuren van eikenhout, en verder lagen er kisten en een opgerolde loper.
Ze zette de kinderstoel neer, heel voorzichtig, en liep naar het lattendeurtje. Het zat niet op slot.
'Hallo?' fluisterde ze.
Niets. De stilte was anders dan eerst. Het was een stilte waar iemand in zat te luisteren.
Anna stapte het hok in. De vloer kraakte. Ze liep naar de linnenkast en legde haar hand op de deur. Het hout was koud. Ze trok.
De kast was leeg. Er hingen geen kleren in, er lagen geen lakens op de planken. Er waren zelfs geen planken. Er was alleen een achterwand, van gewoon grenen, en die achterwand zat niet helemaal vast. Aan de onderkant was een kier, zo breed als een vinger, en door die kier kwam een heel klein beetje licht. Kaarslicht.
Anna bukte. Ze wilde haar vingers in de kier steken.
Op dat moment schoof de achterwand van de kast opzij, een paar centimeter, van binnenuit. In de opening verscheen een gezicht. Het was het gezicht van een jongen. Hij was mager, zo mager dat zijn ogen te groot leken voor zijn hoofd. Hij had zwart haar dat over zijn oren groeide en een bleke huid, bleker dan Anna ooit bij iemand had gezien, alsof hij in jaren de zon niet had gezien.
Hij keek haar aan. Hij hield een vinger tegen zijn lippen.
Achter haar, op de zoldertrap, klonken voetstappen.