Hoofdstuk 2: De weg naar het Westland
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
'We gaan naar het Westland,' zei moeder de volgende ochtend. 'Jij en ik.'
Ze zei het terwijl ze het tafellaken opvouwde. Het was het mooie tafellaken, van damast, met een rand van kant die oma Kee zelf had gehaakt toen ze nog goede ogen had. Moeder vouwde het in vieren, en nog eens in vieren, en legde het in de fietstas. Daarna pakte ze twee kussenslopen met geborduurde letters en een herenoverhemd van vader dat bijna nieuw was.
'Mag ik mee?' vroeg Wim.
'Jij gaat naar oma.'
Wim begon te huilen, maar niet hard. Hij huilde de laatste tijd zachter dan vroeger. Anna had dat gemerkt en ze vond het erger dan het harde huilen van vroeger.
Ze brachten hem naar oma Kee, in het Bezuidenhout. Oma woonde in een zijstraat van de Bezuidenhoutseweg, op de tweede verdieping, met een balkon vol lege bloempotten. Ze deed open in drie vesten over elkaar en een wollen sjaal om haar hoofd.
'Zo, jongeman,' zei ze tegen Wim. 'Kun jij kaarten? Nee? Dan leer ik het je. Om lucifers. Niet opmaken, hoor, die lucifers.'
Wim hield meteen op met huilen.
Oma gaf moeder een zoen en Anna ook. Haar wang was koud en zacht als een oude appel. 'Voorzichtig op de weg,' zei ze. 'Ze controleren bij Loosduinen. En laat je niet afzetten door die boeren. Een tafellaken als dat is meer waard dan een zak piepers.'
'Dat weet ik, moeder.'
'Dat weet jij, maar weten zij het ook?'
De fiets van moeder had geen banden meer. Vader had in de herfst stukken tuinslang om de velgen gebonden, met ijzerdraad, en dat werkte, maar het hobbelde zo erg dat Anna op de bagagedrager haar tanden op elkaar moest houden om ze niet te laten klapperen. Ze zat achterop, met de fietstas tussen haar knieën en haar armen om moeders middel. Moeder was dun geworden. Anna voelde haar ribben door de jas heen.
Ze reden de stad uit, langs de Loosduinseweg, waar de bomen langs de kant waren omgezaagd en alleen stompen over waren. Overal waren mensen onderweg. Vrouwen met kinderwagens zonder kinderen erin, alleen zakken. Een man met een handkar. Een jongen op een fiets met houten wielen, die klepperde als een ooievaar. Ze gingen allemaal dezelfde kant op: naar buiten, naar het land, naar het eten.
Bij Loosduinen stond inderdaad een controlepost. Twee soldaten in grijze jassen, een slagboom van een balk op twee tonnen. Ze lieten de mensen stoppen en keken in tassen. Moeder stapte af. Anna ook.
'Wohin?' vroeg de ene soldaat. Hij was jong. Hij had sproeten en een neus die rood was van de kou.
'Familie,' zei moeder. 'In Monster. Mijn zuster is ziek.'
Anna wist dat moeder geen zuster had in Monster. Ze keek naar haar schoenen.
De soldaat tilde de klep van de fietstas op, zag het tafellaken en liet de klep weer vallen. Hij gebaarde met zijn hoofd. Verder.
Toen ze weer reden zei moeder, zonder om te kijken: 'Op de terugweg zijn ze strenger. Dan hebben we eten bij ons.'
Het Westland was plat en wit van de rijp. Overal stonden kassen, lange rijen glas, maar er groeide niets in. De ruiten waren grijs van vuil of gebroken, en in sommige kassen stonden alleen nog de ijzeren spanten, als het geraamte van een walvis. Anna had het Westland in de zomer gezien, toen ze klein was, en toen had alles naar tomaten geroken. Nu rook het naar sloot en naar vorst.
De boerderij van de familie Van der Kooij lag aan een smalle weg buiten Monster, achter een rij knotwilgen. Er was een erf met kippengaas en een hond die blafte maar niet opstond. Bij de achterdeur stonden al drie vrouwen te wachten. Een van hen had een klok onder haar arm, een pendule met een glazen stolp.
Na een half uur ging de deur open. De boerin was een grote vrouw met een rood gezicht en een schort over haar jurk. Ze keek naar de klok en schudde haar hoofd. Ze keek naar een stapel handdoeken en schudde haar hoofd. Toen was moeder aan de beurt.
Moeder vouwde het tafellaken open. Het kant hing over haar handen.
'Damast,' zei ze. 'Met de hand gehaakt.'
De boerin voelde eraan met haar duim en wijsvinger, zoals je aan een stof voelt op de markt. 'Wat wil je ervoor?'
'Tarwe. Of aardappelen. Vijf kilo.'
De boerin lachte. Het was geen gemeen lachen, het was erger: het was moe. 'Vijf kilo. Dat vraagt iedereen. Weet je hoeveel mensen hier elke dag aan de deur staan? Uit Den Haag, uit Delft, uit Rotterdam zelfs. Als ik iedereen vijf kilo geef, hebben we in januari zelf niks meer.'
'Wat dan?'
'Twee kilo aardappelen. En een paar uien.'
Moeder keek naar het tafellaken. Anna zag haar mond trillen, en ze zag dat moeder hem stil hield, zoals je een kopje stilhoudt dat te vol is.
'En het overhemd?' vroeg moeder. 'Het is van mijn man. Hij is in Duitsland.'
De boerin keek even naar Anna, voor het eerst. Toen pakte ze het overhemd en hield het omhoog. 'Daar krijg je een kop melk voor. Voor het kind.'
Anna dronk de melk in de keuken, op een kruk naast het fornuis. Het fornuis brandde. Het was zo warm in die keuken dat haar wangen begonnen te gloeien en haar ogen ervan traanden. De melk was romig en lauw en ze dronk hem zo langzaam als ze kon. Ze probeerde niet naar het brood te kijken dat op de plank lag, een heel brood, bruin en rond.
In de deuropening naar de stal stond een jongen. Hij was een jaar of vijftien, met grote handen en haar dat alle kanten op stond. Hij had een emmer vast. Hij keek naar Anna, en Anna keek terug.
'Kees,' zei de boerin, zonder om te kijken. 'De koeien.'
De jongen verdween.
Buiten bond moeder de zak aardappelen achter op de fiets. Het was een kleine zak. Anna zag dat moeder de knoop drie keer opnieuw legde, alsof de zak daarmee groter zou worden.
Ze waren al bij het hek toen iemand floot. Kees kwam achter de schuur vandaan, met zijn handen in zijn jaszakken. Hij keek naar het huis, en toen naar hen.
'Hier,' zei hij zacht. Hij haalde zijn handen uit zijn zakken. In de ene had hij vier aardappelen, in de andere twee wortels met nog aarde eraan. 'Niet zeggen tegen m'n moeder.'
'Waarom doe je dat?' vroeg Anna.
Kees haalde zijn schouders op. 'Mijn vader is ook weg,' zei hij. 'Al een jaar.'
Hij stopte de aardappelen in Anna's jaszakken, twee links, twee rechts. Toen draaide hij zich om en liep terug naar de schuur, met lange stappen, alsof hij nooit was weggeweest.
'Als je terugkomt,' riep hij over zijn schouder, 'kom dan via de achterkant. Langs de sloot.'
Op de terugweg werd het donker. De mist kwam op uit de sloten en hing laag over de weg, zodat het leek alsof ze door melk fietsten. Moeder trapte en trapte. Anna hoorde haar hijgen. Bij een brug stapte moeder af en bleef even staan met haar hoofd tegen het stuur.
'Zal ik lopen?' vroeg Anna.
'Nee. Dan duurt het te lang.'
Bij Loosduinen stond de controle er nog. Er waren nu andere soldaten. Ze haalden een vrouw voor hen van haar fiets en pakten haar zak meel af, gewoon, alsof het van hen was. De vrouw schreeuwde niet. Ze stond daar alleen maar, met haar lege handen.
Moeder draaide de fiets om voordat ze bij de post waren. Ze liep terug, een zijweg in, langs een rij huizen, door een steeg die zo smal was dat het stuur langs de muren schraapte. Anna liep erachter met haar handen op haar jaszakken. Haar hart bonsde in haar oren. Ze kwamen uit bij een vaart, en langs de vaart, met een omweg van een uur, kwamen ze weer in de stad.
Het was na achten toen ze bij oma Kee aanbelden. Te laat. Na acht uur mocht je niet meer buiten zijn. Oma trok hen naar binnen en deed de deur op slot en zei niets, en dat was erger dan als ze boos was geweest.
Wim lag op de bank onder een deken. Hij sliep niet. Hij lag met open ogen en zijn wangen waren rood, te rood, en toen Anna haar hand op zijn voorhoofd legde, was het heet als een kachel.
'Sinds vanmiddag,' zei oma. 'Hij wil niet eten. Hij praat over bloemen.'
Moeder knielde naast de bank. Ze haalde een van Kees' aardappelen uit Anna's jaszak en hield hem in haar hand, alsof je er een kind beter mee kon maken.