Hoofdstuk 1: Tulpenbollen
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
De rij voor de gaarkeuken begon al bij de hoek van de straat, en de hoek was nog ver.
Anna Bos stond er sinds half elf. Ze had de blikken pan onder haar jas gestopt, tegen haar buik, omdat het metaal zo koud was dat het door haar wanten heen beet. Voor haar stond een vrouw met een hoofddoek die steeds op haar tenen ging staan, alsof ze daarmee de deur van het schoolgebouw dichterbij kon halen. Achter haar stonden twee jongens die ruzie maakten over een sigarettenpeuk.
'Hij is van mij. Ik zag hem eerst.'
'Je zag niks. Je kijkt altijd naar de grond.'
'Daarom zag ik hem ook.'
Anna moest bijna lachen, maar ze hield haar mond dicht. Lachen kostte warmte. Dat had haar moeder gezegd, en het klopte: als je je mond opendeed in deze kou, ging er iets van je naar buiten wat je niet meer terugkreeg.
Het was begin december 1944. Er reden geen treinen meer, al sinds de spoorwegstaking in september. Er was geen gas en geen elektriciteit. In de huizen werd het donker om vier uur en dan bleef het donker, op een oliepitje na, of een kaarsstompje als je dat nog had. En er was bijna geen eten. Op de bonnen kreeg je zo weinig brood dat Anna haar portie soms in drie hapjes op kon. De rest van de dag dacht ze eraan.
De rij schoof een stukje op. De vrouw met de hoofddoek mompelde iets wat Anna niet verstond.
Bij de deur stond een man met een grote opscheplepel en een schort dat ooit wit was geweest. Hij keek niet naar de mensen, alleen naar de pannen. Een schep, volgende. Een schep, volgende. Toen Anna eindelijk aan de beurt was, hield ze de pan zo hoog mogelijk, alsof dat zou helpen.
'Drie personen,' zei ze, en ze liet de kaart zien.
De man schepte. Het eten was grijsbruin en dun. Er dreven stukjes in die misschien aardappel waren geweest, of misschien schil. Het rook naar natte kelder en een heel klein beetje naar ui.
'Dank u wel,' zei Anna.
De man keek op, voor het eerst. Hij had rode oogleden. 'Niet morsen,' zei hij.
Ze morste niet. Ze liep de hele weg naar huis met kleine stapjes, de pan met twee handen vast, het deksel erop, langs de huizen waar de ramen beslagen of kapot waren. Op de stoep lag een laagje ijzel. Een keer gleed haar voet weg en haar hart sloeg zo hard dat ze moest blijven staan. Er was niets gemorst. Ze liep verder.
Ze woonden op eenhoog, in een portiekhuis in het Zeeheldenkwartier. Beneden woonde niemand meer; de familie die er had gewoond was in de zomer vertrokken naar familie in Brabant, en toen Brabant werd bevrijd hadden ze niets meer van hen gehoord. Boven hen, op tweehoog, woonde meneer Dekker. Daarboven was de zolder.
Moeder zat aan tafel in haar jas. Ze had de naaimachine opzij geschoven en lag met haar hoofd op haar armen. Toen Anna binnenkwam ging ze rechtop zitten, snel, alsof ze betrapt werd.
'Is het gelukt?'
'Hij is nog een beetje warm,' zei Anna.
'Een beetje warm is warm.' Moeder stond op en pakte drie borden. Ze waren van Delfts blauw, het servies van haar trouwdag, en ze gebruikte het elke dag omdat het andere servies al geruild was voor turf.
Wim kwam uit de bedstee gekropen. Hij was zes en hij had twee truien aan en een muts op die tot over zijn wenkbrauwen zakte. Hij ging aan tafel zitten en keek naar zijn bord zoals een hond naar een deur kijkt waarachter iemand thuiskomt.
'Is het soep?' vroeg hij.
'Het is eten,' zei moeder.
Ze aten zwijgend. Anna probeerde langzaam te eten, zodat het langer zou duren, maar haar lepel ging vanzelf sneller. Wim likte zijn bord af en niemand zei er iets van.
Na het eten pakte moeder een papieren zak van het aanrecht. Er zaten vijf bruine bolletjes in, met droge velletjes eromheen.
'Van mevrouw Willemse,' zei ze. 'Ze heeft er een kilo van gekregen bij de distributie. Ze zegt dat je ze kunt koken.'
'Tulpenbollen?' Anna pakte er een. Hij was licht en hard en hij rook naar aarde. 'Die moeten toch in de grond?'
'Dit jaar niet,' zei moeder.
Ze pelden ze aan tafel. Onder de bruine velletjes zat iets wits en glads, als een kleine ui. Moeder sneed ze doormidden en haalde het gele hartje eruit. 'Dat is bitter,' zei ze. 'Dat zegt mevrouw Willemse tenminste.'
Op het noodkacheltje, een blik met een gat erin, kookte ze ze in een beetje water. Het kacheltje brandde op snippers van een oude stoel. De damp sloeg tegen het raam en liep in strepen naar beneden.
Wim zat ernaast op zijn knieën en keek in de pan. 'Worden het bloemen?'
'Nee, schat. Het wordt pap.'
Het werd geen pap. Het werd een kleverige, grijze massa die naar aardappel rook en naar iets anders, iets scherps, wat in Anna's keel bleef hangen. Ze slikte en slikte en het bleef daar zitten. Wim trok een gezicht, maar hij at alles op. Daarna dronken ze heet water, omdat er geen thee meer was en heet water in elk geval warm was.
'Papa zou zeggen dat het naar de Keukenhof smaakt,' zei Anna.
Moeder glimlachte, heel even. Daarna keek ze naar de lege stoel aan het hoofd van de tafel.
Vader was in november meegenomen. Op een ochtend waren er overal in de stad soldaten geweest, met vrachtwagens, en op elke hoek hingen papieren dat alle mannen tussen de zeventien en de veertig zich moesten melden. Wie niet kwam, werd opgehaald. Vader was negenendertig. Hij was tramconducteur geweest, tot de trams niet meer reden, en daarna had hij hout gesprokkeld en boodschappen gedaan voor oude mensen. Hij had zich niet gemeld. Ze hadden hem toch gevonden, in de schuur achter het huis van een collega, en hij was met honderden andere mannen weggelopen in een lange rij, naar het station, naar Duitsland, om daar te werken.
Anna had hem zien gaan. Hij had niet omgekeken. Later begreep ze dat hij dat expres had gedaan, zodat de soldaten niet zouden zien naar wie hij keek.
Sindsdien hadden ze één kaart gehad. Het gaat goed. Ik werk in een fabriek. Eet goed. Jan. Moeder had de kaart op de schoorsteenmantel gezet, tegen de klok aan, en elke avond las ze hem, ook al wist ze precies wat erop stond.
's Nachts sliep Anna met Wim in de bedstee, onder alle dekens die ze hadden en de winterjas van vader erbovenop. Moeder sliep in de stoel bij het kacheltje, dat al lang uit was. Het was zo stil in de stad dat Anna de dakgoot hoorde tikken.
En toen begon het.
Eerst was het een gerommel, ver weg, alsof er onder de grond een trein reed. Daarna zwol het aan. Het werd een gebrul dat door de muren kwam en door het bed en door haar ribben. De ruiten trilden in hun sponningen. Wim werd wakker en greep haar arm.
'Het is niks,' fluisterde Anna. 'Het is een raket. Hij gaat naar Engeland. Hij gaat niet naar ons.'
Ze stapte uit bed, met de deken om zich heen, en liep naar het raam. Moeder stond er al. Samen keken ze tussen de daken door naar het oosten, waar het Haagse Bos lag. Daar steeg iets op. Een vlam, fel en geel, en daarboven een streep die steeds hoger ging, recht omhoog, tot hij zo klein was als een ster en daarna verdween. Het gebrul hing nog een tijdje in de lucht en werd toen zachter, zachter, weg.
'V2,' zei moeder. 'Ze schieten ze vanuit het bos. En vanuit Wassenaar, zegt meneer Dekker.'
'Waarom daar?'
'Omdat er bomen zijn. Dan zien de vliegtuigen ze niet.'
Anna dacht aan de bomen in het Haagse Bos, waar ze vroeger met vader had gewandeld op zondag, en waar hij haar de namen van vogels had geleerd. Ze dacht aan de soldaten die nu tussen die bomen liepen, met hun vrachtwagens en hun raketten. Ze vroeg zich af of de vogels er nog waren.
'Soms gaat het mis,' zei moeder zacht, meer tegen zichzelf dan tegen Anna. 'Soms vallen ze terug.'
'Op ons?'
'Ga maar slapen.'
Maar Anna ging niet meteen. Ze bleef bij het raam staan, omdat ze iets hoorde wat geen raket was. Op de trap. Een voetstap, en nog een. Heel zacht, zoals iemand loopt die niet gehoord wil worden.
Ze deed de kamerdeur een kiertje open en keek het trapportaal in. Daar, op de trap naar tweehoog, liep meneer Dekker. Hij was vierenzestig en hij was klokkenmaker geweest, voor de oorlog, in een winkeltje in de Prinsestraat. Hij liep nu met een kaars in de ene hand en in de andere hand iets wat hij tegen zijn borst hield.
Het waren twee borden. Twee borden met eten, de ene op de andere, met een theedoek eroverheen.
Meneer Dekker woonde alleen. Zijn vrouw was drie jaar geleden overleden. Anna wist dat zeker; ze was bij de begrafenis geweest.
Hij bleef staan op de overloop en keek naar beneden, recht naar haar kiertje. Anna hield haar adem in. Het kaarslicht flakkerde over zijn gezicht, over zijn grijze snor en zijn bril met het ijzeren montuur. Hij zei niets. Hij keek alleen.
Toen draaide hij zich om en liep verder naar boven, niet naar zijn eigen deur, maar naar de smalle trap die naar de zolder ging.