Hoofdstuk 6: Wat je tegenhoudt

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Het duurde twee dagen voor ze weer warm was. Ze lag in de ziekenkamer onder drie dekens, met een kruik aan haar voeten en een tweede tegen haar buik, en ze sliep en werd wakker en sliep weer. In haar dromen zong de diepe toon. In haar dromen stond ze in de wei achter de molen en zakte het gras onder haar voeten weg, langzaam, als deeg dat inzakt als je de ovendeur te vroeg opendoet.

Haar linkeroor bleef dof. Het was niet helemaal weg. Als de kokkin met de pollepel tegen een pan sloeg, hoorde ze het aan beide kanten. Maar als Femke aan haar linkerkant zat te praten, moest ze haar hoofd draaien.

„Het komt wel terug,” zei Femke, die elke middag kwam met een stuk kandij en de laatste roddels. „Sieds zegt dat het bij hem na een week terugkwam.”

„Sieds zegt een hoop.”

Femke grijnsde. „Dat zei jij ook al over die jongen van thuis. Teun.”

„Teun zegt een hoop,” zei Wietske. „Maar meestal klopt het.”

Ze dacht aan zijn brief. Elf wellen. Land dat zakte. Hoe kan land zakken?

Ze wist het nu. Ze had het gevoeld, die nacht op de Lange Bant. Het land zakte niet. Het water eronder steeg niet. Het was allebei, en het was erger: de grond onder de polders werd van onderen uitgehold, korrel voor korrel, door zout water dat er niet hoorde, en dat er door de ring naartoe was geduwd. Elke storm meer. Elk jaar meer.


Op de derde dag ging ze naar Oene.

Hij had een kamer op de tweede verdieping, aan de kant van de zee. Het was er bijna net zo koud als buiten. Er stonden een bed, een tafel, een kast vol boeken en een kleine kom water op de vensterbank. Oene zat aan tafel en schreef. Hij keek op toen ze binnenkwam en legde zijn pen neer.

„Hanema. Ben je warm?”

„Bijna.” Ze ging tegenover hem zitten, zodat hij haar mond kon zien. Ze had de hele nacht nagedacht over hoe ze het zou zeggen, en nu ze hier zat, was alles weg. Dus zei ze het gewoon.

„Ik weet waar de zee heen gaat als we haar stilzingen.”

Oene bewoog niet.

„Ze gaat omlaag,” zei Wietske. „Onder de dijk door. Onder het land. Daar zit een meer. Ik hoor het al maanden, thuis, onder de molen. En u hoort het ook. Ik heb u gezien bij de put in de kelder. U meet het. Elke nacht een streepje.”

Hij keek naar haar lippen, en ze zag dat hij elk woord las, en ze zag dat elk woord pijn deed.

„Wat je tegenhoudt, duwt ergens anders,” zei ze. „Dat is de derde wet. Die staat bij u op de muur. Hij gaat over dit.”

Het bleef heel lang stil. Buiten krijsten meeuwen. Op de vensterbank rimpelde het water in de kom, alleen maar door de tocht.

„Ja,” zei Oene ten slotte. „Hij gaat over dit.”

„Weet het Waterschap het?”

„Het Waterschap weet alles wat in de Peilput staat.”

„Waarom doen ze dan niks? Waarom zeggen ze tegen de boeren dat het molgangen zijn?”

Oene wreef met zijn duim over de rand van de tafel, heen en weer, heen en weer.

„Wat zou je willen dat ze zeiden?” vroeg hij. „Dat wij de zee niet tegenhouden, maar onder het land schuiven? Dat elk jaar dat we de Zeewaarden droog houden, het land er een beetje meer aan kapot gaat? Wat moeten de boeren dan? Wat moet de stad?” Hij schudde zijn hoofd. „Als we stoppen met zingen, komt de zee over de dijk. Morgen. Als we doorgaan, komt ze er misschien onderdoor. Over tien jaar. Over twintig. Dan kies je voor tien jaar, Hanema. Dan kies je altijd voor tien jaar.”

„Maar het is geen tien jaar meer,” zei Wietske. „Ik heb het gehoord. Het is veel te vol.”

Oene keek haar aan. Zijn grijze ogen waren nat.

„Je bent veertien,” zei hij zacht. „Je hoort dingen die ik pas op mijn veertigste begon te horen. Dat is een gave. Het is ook gevaarlijk. Voor jou.” Hij pakte zijn pen weer op, alsof het gesprek voorbij was. „Ga terug naar de ziekenkamer. Praat hier met niemand over. Met niemand. Begrijp je me?”

„Wie is Ate Kroes?”

De pen viel uit zijn hand. Hij rolde over de tafel en op de grond, en geen van beiden bukte om hem op te rapen.

„Waar heb je die naam gehoord?”

„Ik heb hem gelezen. In de registers. Doorgekrast. Verbannen wegens het verspreiden van leugens over de grond.” Ze boog naar voren. „Waren het leugens?”

Oene stond op. Hij liep naar het raam en keek naar buiten, met zijn rug naar haar toe. Ze wist dat hij haar nu niet kon horen. Ze wachtte.

Toen hij zich omdraaide, was zijn gezicht hard geworden.

„Ate Kroes was mijn leermeester,” zei hij. „Hij was de beste wachter van zijn tijd. Hij was ook ongehoorzaam en eigenwijs, en hij is nu een oude man die alleen op het Slik woont tussen zijn schapen. Dat is wat ongehoorzaamheid je oplevert.” Hij liep naar de deur en deed hem open. „Ga.”


Ze was nog niet terug in de ziekenkamer of Steenhuis stond in de deuropening.

Hij had twee wachters bij zich, jonge mannen met staven. Hij bleef in de deur staan en kwam niet verder.

„Novice Hanema,” zei hij. „Je hebt tijdens de ring je plaats verlaten en daarmee de dijk in gevaar gebracht. Je bent 's nachts in de registers geweest zonder toestemming. En je hebt Meester Dykstra lastiggevallen met vragen over zaken die geen novice aangaan.” Hij zei het allemaal even vlak, alsof hij een lijst met boodschappen voorlas. „Tot de Wintervergadering blijf je op je kamer. Je eet daar, je slaapt daar, je studeert daar. Je spreekt met niemand behalve met mij.”

„De Wintervergadering is pas na Lichtmis,” zei Wietske. „Dat zijn bijna drie maanden.”

„Dan heb je ruim de tijd om na te denken over de Waterplicht.”

Ze werd naar een kleine kamer onder het dak gebracht, naast de toren met de Peilschaal. Er stonden een bed, een stoel en een ketel met water om zich te wassen. Het raam keek uit over de daken van Hoogsloot, en verder, tussen twee duinen door, zag ze een smalle grijze streep. De zee. En daarachter, nog verder weg, een vlakte van slik en kreken die glinsterde als het licht erop viel.

Het Slik.

De deur ging dicht. Ze hoorde een sleutel draaien.


's Nachts kon ze niet slapen. De Peilschaal naast haar mompelde. Het weer werd weer slechter; de wind trok aan. Ze lag te luisteren, met haar goede oor op het kussen en haar dove oor naar boven, en daarom hoorde ze de diepe toon nog beter. Hij kwam door het bed, door de vloer, door de muren. Zelfs hier, op het hoogste punt van de Geest.

Ze dacht aan Jelmer, die elke avond bij de sloot zat. Aan de molen die dag en nacht draaide en het toch niet bijhield. Aan haar vader die zei: hou je oren open.

Ze dacht aan Ate Kroes, die alleen op het Slik woonde tussen zijn schapen, omdat hij iets had gezegd wat niemand wilde horen.

Om twee uur ging ze rechtop zitten. Ze trok haar jurk aan, twee paar kousen, haar moeders sjaal. Ze liep naar de deur en voelde aan de klink. Op slot. Natuurlijk.

Maar de ketel stond er nog. Een volle ketel water.

Ze knielde ernaast, zocht de toon, en zong in. Toen schoof ze haar toon niet omlaag, maar omhoog. Hoger en hoger. Het water werd licht, onrustig, het begon te dansen in de ketel. Ze neuriede door en dacht aan het slot. Aan de smalle kier tussen de deur en de vloer.

Het water klom over de rand van de ketel en kroop over de planken naar de deur. Een dunne straal, een levende draad. Hij schoof onder de deur door, en ze voelde hem aan de andere kant omhoog kruipen, langs het hout, naar het sleutelgat. Ze had geen idee of dit kon. Niemand had het haar geleerd. Maar ze hoorde het water, en ze zong het, en het water deed wat ze vroeg.

Het water vond de sleutel, die nog in het slot zat. Het vulde het sleutelgat, kroop eromheen, en ze duwde haar toon met een schok omhoog.

Het water spatte. De sleutel viel aan de andere kant op de grond, rinkelend.

Ze zat te bibberen op haar knieën, haar vingers stijf van de kou. Dat had niets opgeleverd. De sleutel lag nu in de gang, en de deur was nog steeds dicht.

Toen hoorde ze voetstappen. Zacht, op blote voeten. Iemand bukte. De sleutel ging in het slot en draaide om.

De deur ging open. In de gang stond Femke, in haar nachtjapon met een mantel eroverheen, haar laarzen in haar hand.

„Ik hoorde je water,” fluisterde ze. „Het hele gebouw hoorde je water, Kolkerpolder. Waar wil je naartoe?”

Wietske keek haar aan. „Naar het Slik.”

Femke trok haar laarzen aan.

„Dan moeten we opschieten,” zei ze. „Over vier uur is het eb.”