Hoofdstuk 4: Koud bloed

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De weken in het Peilhuis hadden een vast ritme, en het ritme was koud.

Om zes uur ging de bel. Om half zeven was er pap met karnemelk en een snee brood met stroop, staand gegeten in de keuken, omdat de eetzaal pas na de ochtendles werd gestookt. Van zeven tot elf was er les bij Oene: luisteren, inzingen, verschuiven, loslaten. Na het middageten moesten de novicen naar buiten, de duinen in, met emmers en peilstokken, om te leren hoe water in het zand klonk. 's Avonds zaten ze in de bibliotheek en schreven tonen over in schriften, rijen kleine streepjes en boogjes die Oene ‘het peilschrift’ noemde.

Er waren geen spiegels in het Peilhuis, maar Wietske zag haar eigen gezicht in dat van de anderen. Iedereen had blauwige lippen. Iedereen droeg twee paar kousen en sliep met een kruik. De oudere novicen, de zestien- en zeventienjarigen, praatten iets harder dan normaal. Een meisje van zeventien, Doortje, draaide altijd haar hoofd een beetje schuin als je tegen haar praatte, met haar rechteroor naar je toe.

„Haar linkeroor is al half weg,” zei Femke, toen Wietske ernaar vroeg. „Ze heeft vorig jaar meegedaan aan een ring bij de Vlaar, toen de rivier buiten zijn oevers dreigde te gaan. Eén nacht.”

„Eén nacht en dan ben je half doof?”

„Een kwart van één oor. Het kan erger.” Femke borstelde haar haar, met korte, harde halen. „Mijn grootmoeder hoorde niks meer toen ze vijftig was. Ze zat aan het raam en keek naar de zee. Als je iets tegen haar wilde zeggen, moest je het opschrijven.”

„En vond ze dat erg?”

Femke stopte met borstelen. „Ze zei van niet. Ze zei dat de zee mooier zong dan wij allemaal bij elkaar.” Ze begon weer te borstelen. „Maar ze huilde wel als we op haar verjaardag zongen. Omdat ze het niet hoorde.”


Wietske was goed. Dat was het probleem.

Ze was niet beter dan de anderen in het peilschrift, en in de duinen raakte ze de toon van het zandwater vaak kwijt. Maar zodra ze bij open water kwam, wist ze wat ze moest doen. Haar water zakte. Haar water werd glad. Waar Sieds een kwartier nodig had om een emmer stil te krijgen, deed zij het in een paar tellen.

Oene zei er niets over. Hij knikte alleen, en gaf haar daarna grotere emmers. Toen een tobbe. Toen de vijver in de binnentuin van het Peilhuis, waar karpers in zwommen die zich in het slik verstopten als zij begon te neuriën.

De kou werd erger met elke les. Na de vijver zat ze een uur bij het vuur in de keuken, met een deken om en een kom hete melk tussen haar handen, en ze kon de kom amper vasthouden van het trillen. De kokkin, een dikke vrouw die niet kon horen wat water zei maar wel wat novicen nodig hadden, legde er een plak ontbijtkoek naast.

„Eten,” zei ze. „Kou gaat eruit met suiker.”

Het hielp een beetje.


Op een middag in de tweede week van november gingen ze naar de Spuikom, een groot bassin aan de voet van de Geest, waar het zeewater bij vloed binnenkwam en bij eb weer werd uitgelaten. Het water was er zout en onrustig. Oene stuurde de novicen twee aan twee naar de rand.

„Samen inzingen,” zei hij. „Niet meer dan een armlengte water. Als je het koud krijgt, stop je. Hoor je me? Je stopt.”

Wietske stond naast Femke. Ze knielden op de stenen rand. Het zeewater zong laag en schurend, als zand over een plank. Femke vond de toon eerst, en Wietske ging bij haar in. Het was vreemd om met iemand anders samen te zingen. Ze voelde Femkes stem naast de hare, scherp en precies, een beetje gespannen. Samen schoven ze omlaag.

Het water voor hen werd stil. Een vlek van een armlengte breed, glad als olie, terwijl het water eromheen bleef klotsen.

„Goed zo,” riep Oene. „Vasthouden.”

Femke hield vast. Ze hield langer vast dan Wietske. Wietske voelde de kou al in haar schouders, en ze liet haar toon langzaam terugglijden, zoals Oene het had geleerd. Maar Femke ging door. Haar stem werd dunner. De gladde vlek op het water groeide, anderhalve armlengte, twee.

„Femke,” zei Wietske. „Stop.”

Femke hoorde het niet, of wilde het niet horen. Haar ogen waren dicht. Haar gezicht was wit, haar lippen niet meer blauw maar grijs. Haar handen op de stenen trilden niet eens meer. Dat was het ergste: ze trilde niet meer.

Wietske greep haar arm. Die was koud als een vis.

„Femke!”

Ze kreeg geen antwoord. Femke zong door, steeds zachter, maar ze zong door, alsof ze vast was blijven zitten in haar eigen toon. Wietske keek om. Oene stond aan de andere kant van de Spuikom bij Sieds en Hidde en had zijn rug naar hen toe. Hij zou haar niet horen, zelfs niet als ze schreeuwde.

Dus deed ze het enige wat ze kon bedenken. Ze zong opnieuw in. Ze vond Femkes toon, die was laag geworden, heel laag, en ze ging ernaast liggen. Toen schoof ze haar eigen toon omhoog. Langzaam. Ze nam Femkes stem mee, zoals je iemand meeneemt aan de hand.

De gladde plek op het water brak open. Golfjes renden eroverheen. Femke hapte naar lucht, viel achterover en bleef op de stenen liggen, schokkend.

Toen waren er ineens mensen om hen heen. Oene, Sieds, de kokkin, die van ergens met een deken aan kwam rennen. Femke werd opgetild en naar binnen gedragen. Wietske liep erachteraan. Pas bij de keukendeur merkte ze dat ze zelf ook trilde, zo erg dat ze tegen de muur moest leunen.

Oene stond naast haar.

„Wat deed je daar?” vroeg hij.

„Ik heb haar omhoog gezongen. Ze zat vast.”

Hij keek naar haar mond, en daarna naar haar ogen, lang.

„Dat kan niet,” zei hij. „Je kunt alleen water zingen. Niet iemands stem.”

„Maar het werkte.”

„Ja,” zei hij zacht. „Ik zag het.”


Femke lag twee dagen in de ziekenkamer met koorts. Toen ze terugkwam in de slaapzaal, zei ze niets tegen Wietske. Maar 's avonds, toen de lampen uit waren, kwam er een hand onder het gordijn tussen hun bedden door. Er zat een stuk kandij in.

„Bedankt,” fluisterde Femke.

„Waarom stopte je niet?”

Het bleef lang stil.

„Omdat jij het ook kon,” zei Femke ten slotte. „Jij bent hier drie weken, en jouw water zakt. Ik wilde laten zien dat ik het ook kon.” Ze lachte zacht en bitter. „Stom.”

„Een beetje.”

Nu lachte Femke echt. „Je bent wel eerlijk, Kolkerpolder.”


Op vrijdag kwam er post. Er was één brief voor Wietske, geschreven met potlood op een vel pakpapier, in Teuns grote, scheve letters.

Wiets,

Ik hou de wellen bij zoals ik zei. Het waren er drie toen je wegging. Nu zijn het er elf. Er kwamen mannen van het Waterschap. Ze hebben de gaten dichtgestopt met klei en er zandzakken op gelegd. Ze zeiden dat het molgangen waren en dat we ons geen zorgen hoefden te maken. Twee dagen later borrelde het er naast weer uit. Mijn vader zegt dat het niet goed is. Hij zegt dat hij in dertig jaar dijkwerk nog nooit wellen zo ver van de dijk heeft gezien. De molen van je vader draait dag en nacht en toch staat het water in de sloten hoger dan vorig jaar. Je vader zegt dat de wei bij de Kolkersloot een handbreed lager ligt dan in de zomer. Hoe kan land zakken?

Jelmer mist je. Hij zegt dat niet, maar hij gaat elke avond bij de sloot zitten.

Hoor je die toon nog?

Teun

Wietske las de brief drie keer. Toen vouwde ze hem op en stopte hem in haar moeders bloemenboekje.


Die avond in de bibliotheek ging ze niet aan haar peilschrift zitten. Ze liep langs de kasten tot ze vond wat ze zocht: de registers van het Peilhuis. Grote boeken in bruin leer, elk met een jaartal op de rug. Erin stonden de namen van alle Waterwachters, wanneer ze waren gekeurd, waar ze vandaan kwamen, waar ze hadden gezongen.

Ze trok het register van eenenvijftig jaar geleden uit de kast en bladerde. Namen, namen, plaatsen. Hier en daar een kruisje: overleden. Een paar keer stond er ‘ontslagen wegens zoutoor’. Ze zocht op Oene Dykstra en vond hem: novice, twaalf jaar, uit Wieringhem, een vissersdorp aan de oostkust.

Een paar bladzijden verder, bij de volleerde wachters van de Lange Bant, stond een naam die zwaar was doorgekrast. Iemand had de pen zo hard over het papier gehaald dat het bijna was gescheurd. Maar in het licht van de lamp, als ze het blad schuin hield, kon ze de letters nog net lezen.

Ate Kroes. Hamwaard.

Ze bladerde verder. In het register van tien jaar later stond de naam weer, en weer doorgekrast. En in het register van eenendertig jaar geleden stond hij een laatste keer, met een regel erachter in andere inkt, een hard, rechtop handschrift.

Verbannen wegens ongehoorzaamheid aan het Peil en het verspreiden van leugens over de grond.

Wietske legde haar vinger op het woord. Grond.

Achter haar ging de deur van de bibliotheek open. Ze sloeg het register dicht en draaide zich om.

Het was Peilmeester Steenhuis. Hij keek naar haar, naar het boek in haar handen, naar het jaartal op de rug.

„Het is al laat, Hanema,” zei hij. „Novicen horen in bed.”