Hoofdstuk 9: Honderdtweeënveertig treden
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Noor liep. Ze rende niet.
Het was het moeilijkste wat ze ooit had gedaan, nog moeilijker dan Daan laten gaan. Haar benen wilden de trap op vliegen. Maar het was donker, de treden waren nat en ergens boven haar zaten treden die niet meer te vertrouwen waren. Dus ze legde haar hand op de leuning en zette haar voeten op de reflecterende plakkertjes, die oplichtten in het schijnsel van oma's oude telefoon. Eén, twee, drie. Rond en rond.
Bij tree achtentachtig stapte ze over. Bij tree honderdzestien ook, voor de zekerheid.
Bram zat boven, op de vloer van het glazen huisje, met zijn rug tegen de oude lens. Zijn pet lag naast hem. Hij hield zijn knie vast met twee handen en zijn gezicht was grauw.
„Uitgegleden", zei hij, voordat ze iets kon vragen. „Op de natte trap. Ik ben nog boven gekomen, maar mijn knie wil niet meer. En toen..." Hij knikte naar de zwarte lamp op de driepoot. „Ik zet hem aan, en hij geeft nog geen kaarslicht. De accu is leeg. Ik heb hem gisteren vergeten op te laden. Voor het eerst in veertien jaar vergeet ik het. Uitgerekend gisteren." Hij sloeg met zijn vuist op de vloer. „Uitgerekend vandaag."
Noor knielde naast hem. „Daan is op het wad", zei ze. „Met Fenna. En Bolle. Op de Hoge Plaat. Oma heeft 112 gebeld. De hovercraft komt."
Bram keek haar aan, en ze zag hoe zijn gezicht veranderde. Alsof er iets in hem brak, en daarna meteen weer in elkaar werd gezet. Sterker dan daarvoor.
„Beneden", zei hij. „In het schuurtje. Achter de jerrycans staat een tweede accu. Een rode. Die is vol. Hij is zwaar, kind. Twaalf kilo, misschien meer. Kun je dat?"
Noor dacht aan honderdtweeënveertig treden naar beneden. En honderdtweeënveertig treden weer naar boven. Met twaalf kilo in haar armen. Haar benen trilden nu al.
„Ja", zei ze.
„Langzaam", zei Bram. „Liever een minuut later dan helemaal niet."
Op het wad was het lawaai het ergste. Daan had gedacht dat het stil zou zijn. Dat had hij in de boeken over opa's werk gelezen: de stilte van het wad. Maar er was geen stilte. Er was alleen wind, en het klotsen van water, en de kreten van de ganzen, die boven hem in de lucht cirkelden alsof ze hem uitlachten.
Hij liep van baken naar baken. Elke baken was een bosje dunne takken, in de modder gestoken, schuin weggedrukt door de wind. Op de kaart van opa hadden ze nummers gehad. Hier hadden ze niks. Ze waren alleen maar takken, en de volgende was steeds net te ver weg om te zien.
Bij de vijfde baken kwam hij bij de slenk.
Het water stroomde. Dat had hij niet verwacht. Het stond niet stil zoals in een sloot, het bewoog, snel en bruin, van links naar rechts, en het maakte kleine draaikolken. Daan zette één voet erin. Het kwam tot halverwege zijn laars. Hij zette de andere erin. Het water trok aan zijn benen als een hond aan een riem.
Niet rennen. Niet zwemmen. Kijk naar de baken.
Hij keek naar de baken aan de overkant en liep. Elke stap zakte hij een stukje weg in de bodem. Elke stap moest hij zijn voet weer lostrekken, met een zuigend geluid. Halverwege kwam het water tot boven zijn laarzen en liep het erin, ijskoud, zodat hij het uitschreeuwde. Maar hij liep door. Daarna werd het weer ondieper. En toen stond hij aan de andere kant, op het harde, ribbelige zand van de Hoge Plaat, met twee laarzen vol water en een hart dat bonkte tot in zijn keel.
„Fenna!"
Ze stond een eindje verderop, op het hoogste stuk van de plaat. Ze had Bolle in haar armen, wat er heel raar uitzag, want Bolle was bijna net zo breed als zij. Toen ze Daan zag, begon ze te huilen. Niet zachtjes. Met haar hele gezicht.
„Hij wilde niet luisteren", snikte ze, toen Daan bij haar was. „Ik riep en riep, en hij ging steeds verder. En toen wilde ik terug, en toen was het water daar, en het was zo diep..."
„Het is goed", zei Daan. Hij wist niet of het goed was. Maar het leek hem het beste om te zeggen. „Ik ben er. We gaan terug."
Hij draaide zich om. En bleef staan.
De slenk was breder geworden. In de paar minuten dat hij bij Fenna was, was het water gestegen. Waar hij net nog doorheen was gelopen, stroomde nu een bruine rivier. Het water klotste tegen de baken aan de overkant, halverwege de takken. Het kwam niet meer tot zijn laarzen. Het zou tot zijn middel komen. Misschien hoger.
Springtij plus noordwesterstorm. Water komt een uur eerder dan je denkt.
Opa had gelijk gehad. Natuurlijk had opa gelijk gehad.
Daan voelde de paniek in zijn buik omhoog kruipen, als een dier dat eruit wilde. Hij wilde rennen, ergens heen, maakte niet uit waarheen. Maar hij dacht aan Bram, aan zijn vinger op de kaart, en aan zijn rustige, krakende stem.
Je blijft staan waar je staat. Je gaat op het hoogste punt staan. En je geeft licht.
„We kunnen niet terug", zei hij tegen Fenna. Zijn stem trilde maar een klein beetje. „Dus we blijven hier. Op het hoogste punt. En we wachten tot ze ons komen halen."
„Wie dan?"
„De reddingsboot. Oma heeft ze gebeld, dat weet ik zeker." Hij keek om zich heen. Een eindje verderop stak een oude houten paal uit het zand, met een ijzeren driehoek erop. Een baken voor de schepen, van vroeger. Het zand eromheen lag een beetje hoger dan de rest. „Daar. Kom."
Ze liepen ernaartoe. Daan zette Fenna met haar rug tegen de paal, met Bolle op haar schoot. Hij ging naast haar zitten, aan de windkant, zodat ze een beetje beschut was. Toen haalde hij de zaklamp van opa uit zijn zak en knipte hem aan.
De gele bundel flakkerde. Hij richtte hem op de toren, die als een schaduw tegen de donkere lucht stond, heel ver weg aan het eind van het eiland.
De toren was donker.
„Waarom is hij donker?" fluisterde Daan. „Noor, waarom is hij donker?"
Hij knipte de lamp uit en weer aan. Kort, kort, kort. Lang, lang, lang. Kort, kort, kort.
Noor zat op tree drieënzestig. Ze kon niet meer.
De rode accu stond naast haar. Hij had een handvat, maar dat sneed in haar vingers, en hij sloeg bij elke stap tegen haar knieën. Ze had hem tot hier gesjouwd door hem steeds één tree omhoog te tillen, dan zelf een tree te klimmen, dan de accu weer. Tree voor tree. Haar armen waren van rubber. Haar adem piepte. Haar gezicht was nat, en ze wist niet of het zweet was of tranen.
Door het smalle raampje naast haar zag ze het wad. Het was nu bijna helemaal donker. Maar ver weg, heel ver weg, op de plek waar de Hoge Plaat moest liggen, knipperde een klein geel lichtje.
Kort, kort, kort. Lang, lang, lang. Kort, kort, kort.
Noor stond op.
Ze wist later niet meer hoe ze de laatste negenenzeventig treden was gekomen. Ze wist alleen nog dat ze bij elke tree het lichtje voor zich zag, en dat ze bij tree achtentachtig en bij tree honderdzestien had overgestapt, en dat ze niet had gerend. Niet één keer.
Toen ze boven kwam, met de accu in haar armen, had Bram de oude kabel al losgeschroefd. Zijn handen trilden niet. Hij klikte de klemmen op de rode accu. Rood op rood. Zwart op zwart.
„Nu jij", zei hij. „Ik kan niet staan. Pak het handvat. Daar zit de knop."
Noor ging achter de lamp staan. Hij was groter dan zij. Ze legde haar hand op de knop.
„Kijk eerst waar je hem op richt", zei Bram. „Altijd eerst kijken. Waar is hij?"
Noor tuurde door het vieze glas. Daar. Kort, kort, kort.
„Daar", zei ze.
„Doe het dan maar", zei Bram zacht. „Doe het licht aan."
Noor drukte op de knop.