Hoofdstuk 8: Het water komt van achteren

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

„Fenna!" schreeuwde Noor. „FENNA!"

De wind griste haar stem weg en smeet hem achter haar, over het dak van De Kievit, over de weilanden. Het meisje in de roze jas hoorde niets. Ze rende door, met haar armen wijd, en riep zelf ook iets. Waarschijnlijk Bolle. Waarschijnlijk kom terug.

De hond dacht er niet aan. De ganzen waren neergestreken op de Hoge Plaat, een eind verderop, en Bolle waggelde er zo snel als zijn korte pootjes konden achteraan. Recht door de Oosterslenk. Het water kwam tot aan zijn buik. Hij merkte het niet eens.

Fenna aarzelde aan de rand van de slenk. Toen stapte ze erin. Het water kwam tot over haar laarzen. Ze waadde erdoorheen en klom er aan de andere kant weer uit.

„Nee", zei Daan. „Nee, nee, nee."

Noor stond al met één been over de rand van de dijk. Haar hart bonkte in haar oren. Ze kon er zijn in vijf minuten. Misschien vier. Ze was snel. Ze was de snelste van haar klas, sneller dan alle jongens. Ze zou Fenna bij haar jas grijpen en haar terugsleuren, en Bolle ook, al moest ze hem dragen.

„Noor, wacht!"

Daan had haar mouw vast. Zijn bril zat scheef en zijn gezicht was nat van de regen, die weer begon te vallen. Maar zijn stem was heel rustig. Rustiger dan ze hem ooit had gehoord.

„Je weet de weg niet", zei hij.

„Ik zie haar toch? Ik ren gewoon rechtdoor."

„Rechtdoor is de diepste plek van de slenk. Daar ging Fenna doorheen, en het kwam al tot haar knieën. Over tien minuten komt het tot je middel." Hij wees, met zijn arm gestrekt in de wind. „Daar. Zie je die takken? Dat zijn de bakens van het wadpad. Van opa. Daar is de slenk het smalst en het ondiepst. Ik heb het op de kaart gezien. Ik heb het overgetekend. Gisteren nog, bij Bram."

Noor keek. In de verte, aan de rand van het slik, zag ze een rij dunne, donkere stokjes, schuin in de wind. Ze liepen in een bocht naar de Hoge Plaat.

„Daar ga ik heen", zei Daan.

„Jij?"

„Ik ken de weg. Jij niet." Hij slikte. „En jij bent sneller op de fiets. Veel sneller dan ik. Iemand moet hulp halen. Iemand moet naar Bram."

„Naar Bram?"

„Het wordt zo donker. Als het donker is, kan niemand ons zien. Alleen vanuit de toren. Alleen met zijn lamp." Daans stem brak een klein beetje. „Dat is toch waar hij voor is? Dat is toch waarom hij het doet?"

Noor keek naar Fenna, die nu een roze stipje was op het grijze zand van de plaat. Ze keek naar het water in de slenk, dat zichtbaar steeg, centimeter na centimeter, als een bad dat volloopt. Ze keek naar Daan. Daan die bang was in het donker. Daan die zijn veters altijd twee keer strikte.

Alles in haar wilde rennen. Het wad op. Zelf. Zij was degene die dingen durfde. Zij was degene die altijd als eerste ging.

Maar Daan had gelijk. Hij wist de weg, en zij niet.

„Oké", zei ze. Het was het moeilijkste woord dat ze ooit had gezegd. „Oké. Ga. Maar Daan—"

„Ik weet het." Hij klopte op zijn jaszak. Daar zat iets zwaars in. „Opa's zaklamp. Die had ik bij me, voor als de stroom uitviel." Hij probeerde te lachen. „Drie kort, drie lang, drie kort."

Toen liet hij haar mouw los, gleed op zijn billen de dijk af en begon te lopen. Niet te rennen. Te lopen. Snel, maar voorzichtig, met zijn hoofd naar beneden, van baken naar baken.

Noor draaide zich om en rende naar het huis.


Oma lag niet meer op de bank. Ze stond in de gang, met haar jas al half aan, en haar gezicht was wit.

„Ik hoorde jullie schreeuwen. Wat is er? Waar is Daan?"

Noor vertelde het. Ze praatte zo snel dat de woorden over elkaar heen vielen. Fenna. Bolle. De ganzen. De slenk. Daan.

Oma vroeg niet waarom. Ze vroeg niet hoe. Ze pakte de telefoon van de haak, toetste drie cijfers en praatte met een stem die Noor nog nooit van haar had gehoord. Een stem als een rechte lijn.

„Ja. Twee kinderen en een hond op het wad bij Oosterwaard. Bij de Hoge Plaat, oostkant. Het water staat al in de Oosterslenk. Het ene kind is negen, het andere tien. Wil Bakker. De Kievit, Dijkweg. Ja. Ja, ik blijf aan de lijn."

Ze legde haar hand over de hoorn en keek naar Noor.

„Ze sturen de KNRM. De hovercraft. Maar dat duurt een kwartier, twintig minuten misschien. En het wordt donker." Haar ogen gingen naar het raam, naar het eind van het eiland. „Ze hebben iets nodig om op te richten. Iemand die ze kan zien."

„Bram", zei Noor.

Oma keek haar aan. Een seconde maar. Toen knikte ze.

„Hij is er al. Hij zei gisteren dat hij vroeg zou gaan, met dit weer." Ze pakte een tweede telefoon uit de la, een oude mobiele met grote knoppen, en drukte hem in Noors hand. „Dit is mijn oude. Mijn nummer staat erin. En dat van de havenmeester. Neem de rode fiets. Ga over de binnenweg, niet over de dijk, daar waait het te hard. Je fietst met de wind mee, dat scheelt."

„Oma, jij—"

„Ik ga naar de dijk, met de grote lamp uit de schuur. Zodat Daan weet waar thuis is." Ze trok Noors capuchon over haar hoofd en knoopte hem dicht onder haar kin. „En Noor? Op de trap van de toren loop je. Je rent niet. Je stapt over waar je over moet stappen. Hoor je me?"

„Ja, oma."

„Ga dan."


De rode fiets piepte en kraakte en de ketting liep twee keer bijna van het tandwiel. Maar de wind duwde in haar rug, zo hard dat ze bijna niet hoefde te trappen. De binnenweg liep tussen de weilanden door. De schapen stonden in groepjes bij de hekken, met hun koppen naar beneden en hun achterwerk naar de wind. Een emmer rolde over de weg. Een tak van een wilg schoot rakelings langs haar hoofd.

Het was nog geen half vijf, maar het leek al avond. De wolken hingen zo laag dat ze de daken van de boerderijen bijna raakten. Links van haar, achter de dijk, kon ze het wad niet zien. Ze kon alleen hopen.

Daan weet de weg. Daan weet de weg. Daan weet de weg.

Ze zei het bij elke trap. Het werd een liedje in haar hoofd.

Bij het duin smeet ze de fiets in het gras. Ze klom het schelpenpad op, op handen en voeten, want de wind was hier zo sterk dat ze anders omwaaide. Bovenaan stond de zwarte fiets met het spatbord van ijzerdraad, plat op zijn kant geblazen. De poort van het hek stond open. De deur van het olieschuurtje stond open.

Maar boven, in het glazen huisje, was het donker.

Noor stond stil. Waarom was het donker? Bram was er toch? Waarom brandde de lamp niet?

Ze rende naar binnen, door het schuurtje, naar de voet van de trap. Het was er pikdonker. Ze hoorde alleen de wind, die door de spleten in de muren gierde en floot, en het water dat ergens naar beneden drupte.

„Bram?" riep ze omhoog. „BRAM!"

Haar stem echode rond en rond, de toren in.

En toen, van heel hoog, heel zwak, kwam er een antwoord.

„Hierboven! Kind, ben jij dat? Kom maar. Langzaam. Ik heb je nodig."