Hoofdstuk 7: Code oranje
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Op vrijdagochtend was de lucht geel. Niet zonnig geel, maar vies geel, als een oude blauwe plek. De wind kwam met harde stoten over de dijk en liet de ramen van De Kievit rammelen in hun sponning. Mies zat onder de bank en wilde er niet onder vandaan.
Oma hing aan de telefoon met Noors moeder.
„Nee, Ellen, het is gewoon een flinke storm. Dat hebben we hier elke herfst. Ze blijven vanmiddag binnen. Ja. Ja, dat beloof ik." Ze gaf de telefoon aan Noor. „Je moeder wil je even spreken."
„Doe je voorzichtig?" vroeg haar moeder. Haar stem klonk ver weg en een beetje krakerig.
„Ja, mam."
„Echt?"
Noor dacht aan de toren. Aan tree achtentachtig. Aan oma's gezicht.
„Echt", zei ze. En ze meende het.
Om tien uur mochten ze nog even naar het dorp, om brood te halen voor oma. „Om twaalf uur zijn jullie terug", zei oma. „Daarna gaat de deur op slot, en dan doen we spelletjes tot het voorbij is."
De bakker had nog maar drie broden over. Iedereen was aan het hamsteren, zei de bakker, alsof er een oorlog kwam in plaats van een storm. Op de terugweg liepen ze langs De Zeehond. Achter het beslagen raam zagen ze Fenna, met haar neus tegen het glas. Ze zwaaide wild.
Binnen was het druk. Vissers die vandaag niet uitvoeren. Twee mannen van de veerboot. En aan een tafeltje in de hoek, met een kop koffie en zijn tablet, zat meneer Wessels.
„Hé, jullie", zei hij, toen Fenna hen naar zijn tafel trok, omdat er nergens anders plek was. „De speurders van het duin."
Noor verstijfde.
Meneer Wessels lachte. Hij had een vriendelijk, rond gezicht, dat helemaal niet paste bij zijn strakke jas. „Ik heb jullie maandag wel gezien, hoor. In het helmgras. Ik dacht eerst dat er een zeehond lag. Wat waren jullie aan het doen?"
„Vogels kijken", zei Daan meteen.
„Vogels kijken. Natuurlijk." Hij knipoogde. „Nou, ik verwijt het jullie niet. Het is een prachtige plek. Kijk, dit gaan we ervan maken."
Hij draaide zijn tablet naar hen toe. Op het scherm stond een tekening van de vuurtoren, maar dan anders. Helemaal wit geschilderd, met een glazen lift aan de buitenkant. Rond de voet stond een gebouw met grote ramen en een terras met parasols. Bovenin, in het glazen huisje, zaten mensen aan tafeltjes met kaarsjes en wijnglazen.
„Restaurant Lichtpunt", zei meneer Wessels. „Twaalf kamers, een restaurant in de top. Mooi, hè?"
„Waar is de lens?" vroeg Noor.
„De lens?"
„Het grote ding van glas. Van vroeger. Dat staat er nu nog."
„O, dat. Dat gaat naar een museum, denk ik. Of het wordt verkocht. Daar is geen plek voor als er tafeltjes moeten staan." Hij keek haar aan. „Jij vindt het niks, hè?"
Noor wist niet wat ze moest zeggen. Ze dacht aan de klapstoel. Aan de thermosfles. Aan het wachtboek onder de steen. Aan de woorden die ze wilde zeggen, en die ze zo hard wilde zeggen dat ze ervan begon te kriebelen.
U weet helemaal niet wat er in die toren gebeurt. Er is iemand die elke avond...
Ze voelde Daans voet tegen haar enkel. Heel zacht. Niet eens een schop.
Noor slikte. Ze dacht aan Brams gezicht toen hij zei: Ik vraag het jullie.
„Ik vind het jammer van de lens", zei ze alleen.
Meneer Wessels knikte langzaam. Hij legde zijn tablet neer.
„Weet je wat het is", zei hij, zachter nu. „Ik vind het eigenlijk ook jammer. Ik maak gebouwen mooi, dat is mijn werk. Maar als ik eerlijk ben, zou ik deze toren liever zien zoals hij was. Alleen heeft de gemeente geen geld. En een toren die niks doet, daar betaalt niemand voor." Hij nam een slok koffie. „Als die toren nog een echte taak had, voor het eiland, dan was het een ander verhaal. Dan kun je subsidie krijgen, en vrijwilligers, en een fonds. Maar een lege toren, met alleen meeuwen erin... Die verkoop je."
Noor keek naar Daan. Daan keek naar Noor.
„Een echte taak", herhaalde Daan.
„Een echte taak", zei meneer Wessels. „Maar die is er niet. Al jaren niet." Hij stond op en pakte zijn jas. „Nou, ik moet gaan. Mijn baas wil alles af hebben voor de vergadering van morgen. Blijf vanmiddag binnen, jullie. Ze zeggen dat het flink gaat waaien."
Fenna was helemaal niet onder de indruk van de storm. Ze zat op haar knieën op de bank bij het raam en praatte tegen de ruit.
„Mama zegt dat ik vandaag niet met Bolle naar de kwelder mag", zei ze. „Maar Bolle moet altijd naar de kwelder. Daar zitten de ganzen. Hij is ziek als hij geen ganzen ziet."
Bolle lag onder de tafel en zag er niet ziek uit. Hij zag eruit alsof hij al drie uur sliep.
„Je kunt toch op de dijk lopen", zei Noor.
„Dat is saai. Op de dijk zijn geen ganzen. De ganzen zitten op het slik, achter de kwelder. Met eb lopen we er altijd heen. Bolle rent erachteraan en dan vliegen ze allemaal tegelijk op. Dat klinkt als duizend mensen die tegelijk klappen." Ze drukte haar neus plat tegen het glas. „Mama is altijd zo bang."
Ilse kwam langs met een dienblad en tikte haar op haar hoofd. „Mama is niet bang. Mama is verstandig. Jij gaat vanmiddag met Bolle naar oma Gré. Daar mag je tekenfilms kijken. Klaar."
Fenna stak haar onderlip naar voren en zei niets meer.
Om half twaalf zaten Noor en Daan aan oma's keukentafel. Buiten zwiepten de bomen. Oma had de luiken aan de windkant dichtgedaan, en ze had alle kaarsen in huis op tafel gezet, voor het geval de stroom uitviel.
Daan had het getijdenboekje van opa voor zich. Hij liet zijn vinger langs de kolommen lopen en schreef iets op in zijn notitieboekje. Daarna begon hij te rekenen. Hij fronste. Hij rekende opnieuw.
„Wat is er?" vroeg Noor.
„Laag water vandaag is om vijf voor half vier", zei Daan. „Hoog water om twintig voor tien vanavond. Dat is gewoon. Maar het is springtij, dat zei de radio. Dan komt het water hoger dan normaal. En als de wind uit het noordwesten komt, duwt die het water ook nog eens het wad op." Hij tikte met zijn potlood op het papier. „Opa heeft hier achterin iets geschreven. Kijk."
Op de laatste bladzijde, in hetzelfde ronde, dikke handschrift als in het wachtboek, stond:
Springtij + NW storm = water komt een uur eerder in de slenk dan je denkt. Altijd. Nooit vergeten.
„Een uur eerder", zei Noor.
„Dan loopt de Oosterslenk vanmiddag al vol rond een uur of vijf", zei Daan. „Terwijl je zou denken dat je tot zes uur kunt. Dat is precies wat Bram zei. Het water komt van achteren."
Oma zette drie bekers chocolademelk op tafel. Ze keek over Daans schouder naar het briefje van opa en legde even haar hand op zijn hoofd.
„Gelukkig zitten wij hier binnen", zei ze. „Met de deur op slot."
Om vier uur hield de regen even op. Het waaide nog steeds hard, maar door de wolken viel een gek, koperkleurig licht. Oma lag op de bank met een boek, en haar ogen vielen dicht.
„Mogen we even op de dijk kijken?" vroeg Noor. „Vijf minuten. Vlak voor de deur. We gaan niet verder."
Oma deed één oog open, net als Mies. „Vijf minuten. Op de dijk. Niet erachter."
„Beloofd."
Ze trokken hun laarzen aan en klommen de dijk op, vlak achter het huis. De wind sloeg zo hard tegen hen aan dat ze schuin moesten gaan staan. Het wad lag voor hen, grijs en kaal en glimmend. Het water was nog ver weg. Maar door de Oosterslenk, die als een donkere slang tussen de dijk en de Hoge Plaat lag, kroop al een dun laagje water. Je zag het glinsteren.
„Het komt al", zei Daan. „Kijk. Het komt al."
Toen hoorde Noor iets. Het geluid van duizend mensen die tegelijk klapten.
Boven het slik, achter de kwelder, steeg een enorme wolk ganzen op. Ze krijsten en draaiden en vlogen weg over de plaat. En onder hen, klein en bruin en waggelend, rende een dikke hond met korte pootjes. Hij rende het wad op, achter de ganzen aan, steeds verder.
En achter de hond, in een roze jas, met haar armen in de lucht, rende een meisje.