Hoofdstuk 5: Het wachtboek
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
„Nee", zei Daan.
„Je weet niet eens wat ik ga zeggen."
„Je gaat zeggen dat je naar binnen wilt. En ik zeg nee."
Ze zaten op de dijk, op een bankje met een koperen plaatje erop: Voor Jelle, die de weg wist. Oma had het hun die ochtend laten zien, voordat ze naar de kapper ging. Daan had er lang naar gekeken en het plaatje met zijn mouw schoongepoetst.
Het water was aan het zakken. Het wad lag voor hen als een enorm, glimmend grijs veld, vol ribbels en plassen. Er liepen vogels op met lange snavels, die tussen de modder prikten. Heel ver weg lag de Hoge Plaat, een lichte streep zand. En nog verder weg, waar het water begon, schitterde de zee.
„Ik wil alleen weten waarom hij het doet", zei Noor.
„Dan vraag je het hem."
„Je hebt hem gisteren gehoord. Hij zegt niks. Hij stuurt ons weg."
„Dat is zijn goed recht."
„Daan." Noor draaide zich naar hem toe. „Hij gaat elke avond die toren in, die op instorten staat. Hij is tachtig. Wat als hij valt? Niemand weet dat hij daar is. Dan ligt hij daar maar."
Dat had ze niet bedacht om Daan over te halen. Het was echt in haar opgekomen, die nacht, toen ze wakker lag. Maar ze zag dat het werkte. Daan beet op zijn lip.
„Hij gaat elke ochtend om tien uur naar de Spar", zei ze. „Dat zei Fenna. Dan is hij minstens een half uur weg. Ik ga naar binnen, ik kijk rond, en ik kom weer naar buiten. Jij staat op het duin met de verrekijker. Als je hem ziet aankomen, fluit je."
„Ik kan niet fluiten."
„Dan roep je iets. Iets als een vogel."
„Ik kan ook niet als een vogel roepen."
„Daan!"
Hij zuchtte zo diep dat zijn bril bijna van zijn neus gleed. „Een half uur", zei hij. „Niet langer. En als het gevaarlijk is, kom je meteen terug."
Om vijf over tien lag Daan op het duin, met de verrekijker gericht op het schelpenpad. Noor liep om de toren heen.
Aan de achterkant van de toren zat een laag gebouwtje vast, met een plat dak en een groene deur. Dat was vroeger het huisje voor de olie en de reservelampen, had ze in de bibliotheek gelezen. De deur zat op slot. Maar ernaast, vlak boven de grond, zat een klein raampje met een houten luik. Het luik hing scheef. Toen Noor eraan trok, ging het met een zucht open.
Het gat was smal. Heel smal. Maar Noor was ook smal, en ze had al eens door het kattenluik van de buren gekropen, ook al was dat voor een weddenschap geweest en had ze er een schaafwond aan overgehouden.
Ze ging eerst met haar voeten. Ze schoof, wurmde en draaide. Haar jas bleef haken. Ze trok hem los en hoorde iets scheuren. Toen liet ze zich vallen en kwam terecht op een betonnen vloer, in het halfdonker, tussen lege jerrycans en een stapel oude stoelen.
Het rook naar roest en zout en stilstaand water. Door een open deur zag ze de voet van de toren. Daar begon de trap.
Het was een wenteltrap van ijzer, die om een dikke paal omhoog draaide, rond en rond, tot ze het einde niet meer kon zien. Langs de muur liep een leuning, glad gesleten door honderden handen. Op de vijfde tree stond een emmer met zand. Op de tiende een fles water. En op elke tree, vlak bij de muur, zat een klein reflecterend plakkertje. Zodat je in het donker kon zien waar je je voet moest zetten.
Noor begon te klimmen.
Ze telde mee. Bij vijftig deden haar benen pijn. Bij honderd moest ze even stilstaan. Door de smalle raampjes zag ze het eiland kleiner worden: de dijk, de schapen, de rode daken van het dorp. Bij tree achtentachtig stond een bordje, met de hand geschreven: LOS. OVERSTAPPEN. Ze stapte over.
Bij tree honderdtweeënveertig was ze boven.
Het glazen huisje was groter dan ze had gedacht. In het midden stond een enorm ding van glas en koper, zo hoog als een volwassene, met ringen en ribbels die het licht in duizend stukjes braken. Dat was de oude lens. Er hing een stofdoek half overheen, zoals over een meubel in een huis waar niemand meer woont.
Maar naast de lens stond iets anders. Een grote zwarte lamp op een driepoot, met een handvat eraan. Een draad liep naar een accu op de grond. Ernaast stond een klapstoel met een kussen erop. Een thermosfles. Een rol pepermunt. En op een kistje, onder een steen zodat hij niet weg zou waaien, lag een dik schrift met een harde kaft.
Op de kaft stond met viltstift geschreven: WACHTBOEK 14.
Noor ging op haar knieën zitten en sloeg het open.
Het handschrift was klein en schuin. Elke bladzijde was een week. Elke regel was een avond.
Zaterdag. Wind NW 5. Hoogwater 16.40. Mist boven de geul. Niemand op het wad. Licht 21.59 tot 22.05.
Zondag. Wind W 4. Hoogwater 17.30. Helder. Wadlopers terug om 12.30, allemaal geteld. Licht 21.58 tot 22.12. Niemand op het wad.
Maandag. Wind W 6. Hoogwater 18.20. Twee kinderen met een zaklamp bij het hek. Gevlucht. Jelles kleinkinderen? Licht 22.00 tot 22.14. Niemand op het wad.
Noor voelde haar oren warm worden. Ze bladerde verder terug. Weken. Maanden. Steeds hetzelfde: het weer, het water, het licht. En steeds die laatste woorden. Niemand op het wad. Alsof het een gebed was.
Maar niet altijd.
Augustus. Hoogwater 19.48. Twee toeristen op de Hoge Plaat, afgesneden door de Oosterslenk. Met de lamp aangewezen. KNRM gebeld 20.31. Opgehaald 20.55. Allebei gezond.
En nog verder terug, in een ander jaar, in een ander handschrift dat ze niet kende, een groot en rond handschrift met dikke letters:
Bram, ik heb vandaag de groep van tien veilig terug gebracht. Ik zag je licht om half acht. Het hielp. Jelle.
Noor staarde naar de naam. Opa. Opa had in dit boek geschreven.
Op dat moment hoorde ze iets beneden. Een deur. Een metalen klik. En daarna voetstappen op de ijzeren trap. Langzaam en zwaar. Tree na tree.
Ze keek op haar horloge. Kwart over tien. Hij was te vroeg. Waarom had Daan niet—
Toen hoorde ze, van ver weg, buiten op het duin, een geluid dat het midden hield tussen een uil en een kapotte fietsbel. Daan. Te laat.
Noor sprong overeind. Er was geen andere uitgang. Er was alleen de trap, en op de trap kwam Bram Zwart.
Hij was buiten adem toen hij boven kwam. Hij bleef in het trapgat staan, met één hand aan de leuning, en keek naar haar. Naar het wachtboek in haar handen. Zijn gezicht werd eerst rood en toen heel wit.
„Leg dat neer", zei hij.
Noor legde het neer.
„Weet je wel wat je gedaan hebt?" Zijn stem trilde. „Tree achtentachtig. Tree honderdzestien, die buigt door. De leuning bij het derde raam, die zit los. Als je was gevallen... als je daar beneden had gelegen..." Hij maakte zijn zin niet af. Hij ging op de klapstoel zitten, zwaar, en wreef met zijn hand over zijn gezicht.
„Het spijt me", zei Noor. Het kwam er heel klein uit.
„Daar heb ik niks aan." Hij keek haar niet aan. Hij keek naar het wad, door het vieze glas. „Daar heb ik helemaal niks aan."
Ze liepen samen naar beneden. Bram ging voor, Noor erachter, en hij zei bij elke kapotte tree: „Overstappen." Verder zei hij niets.
Buiten stond Daan bij het hek. Hij had rode ogen, alsof hij had gehuild of het bijna had gedaan. „Hij kwam van de andere kant", zei hij snel. „Over het strand. Ik keek naar het pad. Ik zag hem pas toen hij al bij de deur was."
Bram deed de poort op slot. Hij pakte zijn fiets.
„Lopen", zei hij. „Allebei. Jullie gaan met mij mee naar jullie oma."
Oma was net terug van de kapper. Haar haar zat stijf en krullend en ze rook naar haarlak. Ze deed de deur open, zag Bram staan met de twee kinderen voor zich, en ze zei alleen: „O."
Bram vertelde het in vier zinnen. Oma luisterde. Toen hij klaar was, knikte ze en zei: „Dank je, Bram. Ik regel het verder."
Hij tikte tegen zijn pet en fietste weg.
Oma deed de deur dicht. Ze ging aan de keukentafel zitten. Ze zei niet dat Noor stout was. Ze zei niet dat ze haar moeder ging bellen. Ze keek alleen naar Noor, heel lang, met een gezicht dat Noor nog nooit bij haar had gezien.
„Ik vertrouwde je", zei oma.
Dat was erger dan alles. Erger dan schreeuwen. Noor voelde de tranen achter haar ogen branden, en ze kon ze niet tegenhouden.
„Ga maar naar boven", zei oma. „Allebei. Ik moet even nadenken."
Die avond keek Noor niet uit het raam. Ze lag met haar gezicht naar de muur en hoorde Daan in het andere bed omdraaien, en nog eens, en nog eens.
„Noor?" fluisterde hij in het donker.
„Wat."
„Wat stond erin? In het boek?"
Noor dacht aan de rijen. Aan de woorden die steeds terugkwamen.
„Dat er niemand op het wad was", zei ze. „Elke avond opnieuw."