Hoofdstuk 4: De storm van 1973

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Er lag zand op de trap.

Noor zag het pas toen oma het zag. Oma stond onderaan, met de stofzuiger in haar hand, en keek naar de treden. Op elke tree lag een klein hoopje wit duinzand. Op de derde tree niet. Die hadden ze overgeslagen.

„Hm", zei oma.

Noor hield haar adem in.

„Het waait hier overal naar binnen", zei oma. „Door elke kier." Ze zette de stofzuiger aan en zoog de trap schoon, tree voor tree, zonder nog iets te zeggen. Maar toen ze bij de derde tree kwam, stopte ze even, en Noor wist zeker dat oma glimlachte.


„We moeten meer weten", zei Daan, toen ze na het ontbijt met hun handen in hun zakken over de Dijkweg liepen. „We weten niet wie het is. We weten niet waarom. We weten alleen dát."

„Hij zag ons", zei Noor. „Of hij zag in elk geval de zaklamp."

„Daarom moeten we meer weten. Voordat hij ons vindt."

Daan had een idee, en het was een Daan-idee: ze gingen naar de bibliotheek. Het dorp had geen echte bibliotheek, maar in het dorpshuis De Schakel was een kamer met boekenkasten tot aan het plafond. Op dinsdagochtend was die open. Er zat een vrouw met grijze krullen en een vest vol katten achter een bureau. Ze heette mevrouw Dijkstra, stond op een bordje, en ze keek blij op toen ze binnenkwamen, alsof ze die ochtend nog niemand had gezien.

„Twee nieuwe lezers! Wat zoeken jullie?"

„Iets over de vuurtoren", zei Daan. „Over vroeger."

Mevrouw Dijkstra liet hen een kast zien met dikke mappen. Daarin zaten oude nummers van De Waardbode, de eilandkrant, die al bestond sinds lang voordat oma geboren was. De bladzijden waren geel en rook naar zolder.

„Elk jaar een map", zei mevrouw Dijkstra. „Neem de tijd. Ik zet thee."

Ze begonnen bij 2012, het jaar dat de toren uitging. Er stond een foto in van een groep mensen voor de deur. Een man van de gemeente knipte een lint door, maar dan andersom: hij deed de toren niet open, maar dicht. Onder de foto stond: Na 131 jaar dooft het licht van Oosterwaard. Laatste wachter Bram Zwart (66) draagt de sleutels over.

„Bram", zei Noor. „De oude Bram. Fenna had het over hem."

Daan boog zich over de foto. De man die de sleutels vasthield, was lang en mager, met een pet op en een gezicht vol rimpels. Hij keek niet in de camera. Hij keek naar boven, naar het glazen huisje.

„Hij kijkt verdrietig", zei Daan.

„Hij kijkt boos."

„Kan allebei."

Ze bladerden verder terug. Naar 2000, naar 1990, naar 1980. Overal kwam de toren voor. Een artikel over het schilderen. Een artikel over een nieuwe lamp. Een artikel over een schoolklas die op bezoek mocht. Bram Zwart stond er bijna altijd bij, eerst met zwart haar, toen met grijs.

En toen, in de map van 1973, vonden ze het.

Het was een bericht op de voorpagina, met een zwarte rand eromheen.

Zwaarste storm in jaren treft Oosterwaard. In de nacht van dinsdag op woensdag raasde een noordwesterstorm over het eiland. Door een storing in de stroomvoorziening was het eiland urenlang donker, ook de vuurtoren. Op het wad bij de Hoge Plaat is de zestienjarige Wouter Zwart verdronken. Hij was in de middag vertrokken om fuiken binnen te halen en werd door het opkomende water overvallen. Zijn broer Bram (27), assistent-wachter van de vuurtoren, heeft de hele nacht met lantaarns gezocht. Het hele eiland leeft mee met de familie Zwart.

Daan las het twee keer hardop. Daarna zei hij een hele tijd niets.

„Zijn broertje", zei Noor zacht.

„Het was donker", zei Daan. „Het licht was uit. Daarom kon hij de weg niet terugvinden." Hij legde zijn hand plat op de krant, alsof hij hem wilde vasthouden. „Hij was assistent-wachter. En het licht was uit."

Mevrouw Dijkstra kwam met drie bekers thee. Ze keek over hun schouders mee en zuchtte.

„Ach ja", zei ze. „Dat weten de oudere mensen nog goed. Mijn moeder heeft het vaak verteld. Bram heeft na die nacht nooit meer een nacht overgeslagen. Veertig jaar lang zat hij elke avond boven, of het nou nodig was of niet. Ook toen het licht allang automatisch ging." Ze zette de bekers neer. „Toen ze de toren dichtdeden, dachten mensen dat hij ziek zou worden van verdriet. Maar hij is gewoon gebleven. Een beetje stiller nog, als dat kan."

„Woont hij hier nog?" vroeg Noor.

„Achter de kerk. Het huisje met de groene luiken. Maar ga daar maar niet zomaar aanbellen, hoor. Bram houdt niet van bezoek."


Bij de lunch vroeg Noor aan oma of ze Bram Zwart kende.

Oma zette de boter neer. „Iedereen kent Bram", zei ze.

„Was hij een vriend van opa?"

„Opa had veel vrienden." Oma pakte het broodmes en sneed een snee brood, heel dun, heel recht. „Waarom vraag je dat?"

„We zagen een foto in de bibliotheek. Van toen de toren dichtging."

„Ah." Oma legde het brood op Noors bord. „Ja, dat was een treurige dag. Wil je kaas of jam?"

„Kaas. Oma, wist je dat zijn broertje—"

„Ik weet het", zei oma. Ze zei het niet streng, maar wel op een manier waardoor Noor haar mond weer dichtdeed. „Dat is lang geleden, en het is van Bram. Niet van ons. Eet je brood maar."

Daan schopte Noor zachtjes onder tafel. Toen ze opkeek, schudde hij met zijn hoofd. Later.


Die middag fietsten ze toch weer naar de toren. Niet om naar binnen te gaan, zei Daan, alleen om te kijken. Noor zei dat ze dat ook zo bedoelde, al wist ze dat niet helemaal zeker.

Het waaide harder dan de dagen ervoor. Boven het wad hingen donkere wolken als natte dekens. Ze zetten hun fietsen onder aan het duin en klommen naar boven.

Er stond een fiets tegen het hek. Een oude zwarte fiets met een houten krat voorop en een spatbord dat met ijzerdraad was vastgemaakt.

En naast de fiets, met zijn rug naar hen toe, stond een man.

Hij was lang en mager en een beetje gebogen, alsof hij zijn hele leven tegen de wind in had gelopen. Hij droeg een blauwe werkjas en een pet, en hij had kaplaarzen aan. Hij stond voor het hek en keek omhoog naar het glazen huisje. Zijn handen hingen langs zijn lichaam. Hij bewoog niet.

Daan greep Noors mouw.

Toen draaide de man zich om. Hij had een gezicht vol diepe groeven, als het wad bij eb, en lichtblauwe ogen onder borstelige wenkbrauwen. Hij keek naar Noor. Naar haar rode jas. Hij keek naar Daan, naar zijn bril en zijn verrekijker.

„Zo", zei hij. Het was dezelfde zware, krakende stem als die van gisternacht. „Daar hebben we de zaklamp."

Noor wilde iets zeggen, maar er kwam niets uit.

De man stak zijn hand in zijn jaszak en haalde een rolletje pepermunt tevoorschijn. Hij pulkte er een uit, stak het in zijn mond en stopte de wikkel terug in zijn zak.

„Jullie zijn de kleinkinderen van Jelle", zei hij. Het was geen vraag.

„Ja", fluisterde Daan.

„Dacht ik al. Jij hebt zijn neus." Hij knikte naar Noor. „En jij zijn koppigheid."

Hij duwde zijn fiets van het hek af en draaide hem om, zodat het voorwiel naar het pad wees.

„Luister", zei hij, en hij keek hen allebei een voor een aan. „Die toren is gevaarlijk. Het hek staat er niet voor niks. Wat jullie ook denken dat je gezien hebt: het gaat jullie niet aan. Ga naar huis. Ga naar jullie oma. Ga op het strand schelpen zoeken, of wat kinderen tegenwoordig ook doen."

„Maar wij zagen—" begon Noor.

„Jullie zagen niks", zei Bram Zwart. Zijn stem was nu zachter, maar dat maakte het juist erger. „Begrijp je? Helemaal niks."

Hij stapte op en fietste het schelpenpad af. Het spatbord rammelde bij elk hobbeltje.

Noor keek hem na tot hij achter de duinen verdwenen was. Haar wangen gloeiden.

„Hij is het", zei Daan.

„Natuurlijk is hij het."

„Dus het mysterie is opgelost", zei Daan voorzichtig. „We weten wie. We kunnen naar huis."

Noor keek omhoog naar het glazen huisje. Ze dacht aan Wouter, zestien jaar, in het donker op het wad.

„We weten wie", zei ze. „Maar we weten nog niet waarom."