Hoofdstuk 3: Op wacht in het donker
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Op zondagavond zaten ze om kwart voor tien allebei bij het zolderraam, in hun pyjama, met een deken om hun schouders. Daan had zijn verrekijker op schoot en zijn notitieboekje open op de vensterbank. Hij had zelfs een potlood achter zijn oor gestoken, zoals een timmerman.
„Als er om half elf niks gebeurt, ga ik slapen", zei hij.
„Afgesproken."
Buiten was het helder. De wind had de wolken weggeblazen en er stonden zoveel sterren dat het leek alsof iemand suiker over de lucht had gestrooid. In Utrecht zag je er hooguit tien. Hier zag je er duizenden.
Het werd tien voor tien. Vijf voor tien. Daan begon te gapen.
Om twee minuten voor tien ging het licht aan.
Daan liet bijna zijn verrekijker vallen. Hij zette hem aan zijn ogen, draaide aan het wieltje en hield zijn adem in.
„Het is een lamp", fluisterde hij. „Een losse lamp, geen vuurtorenlicht. Hij beweegt niet vanzelf. Iemand draait hem met de hand. Kijk, nu blijft hij hangen. Op het wad, bij de Hoge Plaat."
„Zie je wie het is?"
„Nee. Het glas is te vies. Ik zie alleen het licht."
De straal schoof langzaam terug, over de geul en de slikken, tot hij bij de dijk was. Daar bleef hij weer even hangen. Toen gleed hij verder, naar het noorden, over de zee.
Daan schreef met trillende letters: 21.58 aan.
Om twaalf over tien ging het licht uit. Om vijftien over tien ging het nog één keer kort aan en uit. Precies zoals de avond ervoor.
„Hetzelfde", zei Noor. „Elke avond hetzelfde."
„Twee avonden is nog niet elke avond", zei Daan. Maar hij keek haar aan, en zijn ogen waren groot achter zijn brillenglazen. „Je had gelijk. Sorry."
Noor had zich voorgesteld dat het heel fijn zou zijn als Daan dat zei. Dat was het ook. Maar het voelde minder belangrijk dan ze had gedacht. Want er was iets veel spannenders: daarboven was iemand. Echt.
Op maandagochtend lag er een plan op tafel. Het plan was van Noor en het bestond uit twee delen.
„Deel één", zei ze, terwijl ze haar boterham met hagelslag in tweeën vouwde. „We volgen meneer Wessels."
„Waarom?"
„Omdat hij elke dag rond de toren loopt. Omdat hij de toren wil kopen. En omdat het heel handig is als je in een toren kunt komen voordat je hem koopt. Dan weet je wat je koopt."
Daan dacht na. „Hij zou ook gewoon de sleutel aan de gemeente kunnen vragen."
„Misschien wil hij niet dat iemand weet wat hij daar doet."
„Wat doet hij daar dan?"
„Dat gaan we uitzoeken. Dat is deel één."
„En deel twee?"
Noor keek naar de trap, waar oma in de kamer de krant zat te lezen. Ze boog zich naar Daan toe en fluisterde: „Deel twee is vannacht."
Meneer Wessels volgen bleek saai. Heel saai. Hij liep van het hotel aan de Badweg naar de haven, waar hij koffie dronk bij De Zeehond. Daarna liep hij met zijn tablet naar het duin. Hij nam foto's van de toren. Van de voet, van het hek, van het pad. Hij mat met een rolmaat de breedte van het schelpenpad. Hij belde iemand en zei dingen als „parkeerplaatsen" en „rolstoeltoegankelijk" en „uitzicht vanaf het terras".
Noor en Daan lagen achter een duinrug in het helmgras. Het zand kroop in hun mouwen en in hun oren.
„Hij eet geen pepermunt", fluisterde Daan na een uur. „Hij kauwt kauwgom. Ik heb het gezien. Hij plakte het onder een paal."
„Dat is vies."
„Dat is bewijs. Bewijs dat hij geen pepermunt eet."
„Misschien eet hij allebei."
Daan keek haar aan met het gezicht dat hij altijd trok als iemand iets onlogisch zei.
Toen meneer Wessels weer naar beneden liep, kwam hij vlak langs hun duinrug. Noor drukte haar gezicht in het zand. Ze hoorde zijn voetstappen, het kraken van zijn nieuwe jas, en zijn stem in de telefoon.
„Nee, die toren is leeg. Daar komt al jaren niemand meer. Ik heb de gemeente om een sleutel gevraagd, maar ze zeggen dat er maar één is en die ligt ergens in een kluis. Ze moeten hem nog zoeken."
Daarna was hij voorbij. Noor tilde haar hoofd op en spuugde zand uit.
„Hij heeft geen sleutel", zei Daan.
„Dan is hij het niet."
„Of hij liegt."
„Tegen wie? Hij praatte in zijn telefoon. Hij wist niet dat wij hier lagen."
Daan dacht daar lang over na. „Dan is hij het waarschijnlijk niet", zei hij ten slotte. „Maar wie dan wel?"
Om tien over half tien die avond trokken ze hun kleren aan over hun pyjama. Noor had de oude zaklamp van opa van de plank gepakt. Hij was zwaar en van metaal, en toen ze hem aanknipte, gaf hij een gele bundel die flakkerde. Daan had zijn verrekijker en zijn kompas.
„Ik vind dit geen goed idee", fluisterde hij, terwijl hij zijn veters strikte.
„Je hoeft niet mee."
„Als ik niet meega, ga jij alleen. Dan is het een nog slechter idee."
Ze slopen de trap af. De derde tree kraakte, dat wisten ze al, dus die sloegen ze over. In de kamer brandde nog licht. Oma zat voor de televisie te knikkebollen, met Mies op schoot. Ze glipten door de keuken naar de achterdeur. De sleutel zat erin. Buiten was het ijskoud.
Ze fietsten zonder licht. Dat was eng, want het schelpenpad was smal en aan weerskanten lag de sloot. Maar de sterren gaven genoeg licht om de witte schelpen te zien. Daan fietste vlak achter haar en hijgde.
Onder aan het duin lieten ze de fietsen in het gras liggen. Ze klommen naar boven, op handen en voeten, tot ze over de rand konden kijken.
De toren stond daar, enorm en zwart. Het glazen huisje boven was donker. Er was niemand te zien.
„We zijn te vroeg", fluisterde Noor. „Het is pas kwart voor tien."
Ze wachtten. Het helmgras prikte. Daans tanden klapperden. Noor dacht aan het warme bed op zolder en vroeg zich af of dit echt zo'n goed plan was geweest.
Toen hoorden ze het. Een tikkend geluid, regelmatig, van het pad aan de andere kant van het duin. Een fiets. Een fiets met een los spatbord dat bij elk hobbeltje rammelde.
Er kwam iemand aan. Iemand zonder licht.
Noor en Daan doken plat in het gras. De fiets stopte bij het hek. Ze hoorden een slot klikken. De poort ging piepend open. Ze zagen een gestalte, donker en gebogen, met iets groots in een tas over de schouder. De gestalte liep naar de deur van de toren. Er klonk het gerinkel van sleutels.
Noor tilde voorzichtig haar hoofd op. Ze wilde een gezicht zien. Ze schoof een stukje naar voren, en nog een stukje.
Haar voet raakte de zaklamp. De zaklamp rolde, en voordat ze hem kon tegenhouden, schoot het knopje om. Een gele bundel flitste over het duin en het hek, recht op de deur van de toren.
De gestalte bleef doodstil staan.
„Wie is daar?" riep een stem. Een zware, krakende stem. „Ik zie je wel, hoor!"
Noor greep de zaklamp en drukte hem uit. Haar hart bonkte zo hard dat ze dacht dat het hele eiland het kon horen.
„Wegwezen", siste Daan. „Nu!"
Ze lieten zich van het duin af glijden, door het zand, door het gras, tot ze bij hun fietsen waren. Ze sprongen erop en trapten zo hard als ze konden. Achter hen hoorden ze de stem nog één keer roepen, maar de wind nam de woorden mee.
Pas bij de dijk keek Noor om.
Boven in de vuurtoren ging het licht aan. De straal gleed over het wad, langzaam, zoals altijd. Alsof er niets gebeurd was.
En toen, heel even, zwaaide hij hun kant op. Recht over het schelpenpad. Recht over twee kinderen op twee piepende fietsen.
Daarna gleed hij weer terug naar zee.