Hoofdstuk 2: Voetsporen in het zand

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

„Een licht?" Oma schepte pap in drie kommen. „In de vuurtoren?"

„Om tien uur", zei Noor. „En om vijf over tien nog een keer. Heel kort."

Oma zette de pan terug op het fornuis. Ze deed er langer over dan nodig was. „Misschien heb je gedroomd, kind. Dat gebeurt hier vaak, de eerste nacht. Het is de zeelucht."

„Ik was wakker."

„Ik heb niks gezien", zei Daan. Hij strooide bruine suiker over zijn pap, heel precies, in een cirkel.

„Omdat jij lag te slapen!"

„Ik zat bij het raam. Er was niks."

Oma lachte, maar haar ogen lachten niet mee. Dat zag Noor heel goed. „Gaan jullie vandaag maar lekker naar buiten", zei oma. „Het is droog tot een uur of drie. Neem de fietsen uit de schuur. En blijf van het wad af, hè. Zonder gids ga je daar niet op. Nooit."


De fietsen in de schuur waren oud en zwaar en piepten bij elke trap. Noor nam de rode, Daan de groene met de krat. Ze fietsten over de Dijkweg naar het oosten, met de wind in hun rug, zodat ze bijna vanzelf gingen.

„Ik weet waar we naartoe gaan", zei Daan na een tijdje.

„Ik zei toch niks."

„Je kijkt de hele tijd naar de toren."

Noor grijnsde. „Jij wilt het toch ook weten?"

„Ik wil weten waarom jij iets zag wat er niet was."

„Het was er wel."

Het fietspad werd smaller en ging over in een schelpenpad. Het kraakte onder hun banden. De duinen werden hoger, met helmgras dat in de wind heen en weer zwiepte. Toen ging het pad omhoog, zo steil dat ze moesten afstappen. En toen stonden ze ineens onder aan de vuurtoren.

Van dichtbij was hij veel groter. Noor moest haar hoofd in haar nek leggen om het glazen huisje te zien. De witte verf bladderde af. Op sommige plekken zat roest, bruin en schilferig, als een korst op een knie. Om de toren stond een hek van gaas, met een bord eraan:

GEMEENTE OOSTERWAARD. VERBODEN TOEGANG. GEVAAR VOOR INSTORTING.

„Instorting", zei Daan. „Hoor je dat?"

„Hij staat er al honderdveertig jaar", zei Noor. „Hij stort echt niet in omdat wij even kijken."

Ze liep langs het hek. Het hek had een poort, en de poort had een hangslot. Het slot was groot en oud. Maar toen Noor het optilde, viel het haar op dat het niet roestig was. Het glom. Er zat zelfs een beetje olie op, die aan haar vingers bleef plakken.

„Daan. Kom eens."

Daan kwam. Hij bekeek het slot, en daarna haar vingers. Hij zei niets, maar hij haalde zijn notitieboekje uit zijn jaszak en schreef iets op.

„Wat schrijf je?"

„Slot geolied. Zondag, tien uur."

Ze liepen verder rond het hek. Aan de achterkant, waar het duin een kuil vormde uit de wind, was het zand vochtig en stevig. En daar, aan de andere kant van het gaas, liepen voetsporen. Grote sporen, met een diep profiel. Laarzen. Ze gingen van de poort naar de deur van de toren, en weer terug.

„Die zijn van vandaag", zei Daan. Hij klonk ineens heel anders, alsof hij vergeten was dat hij niet in het licht geloofde. „Of van gisteravond. Het heeft vannacht om twee uur geregend, ik hoorde het op het dak. Als ze ouder waren, zou de regen ze hebben uitgewist."

„Je hoorde het regenen? Je lag te snurken."

„Ik snurk niet. Ik adem diep."

Noor ging op haar hurken zitten. Vlak naast het hek, tussen het helmgras, lag iets kleins en wits. Ze stak haar arm door een gat in het gaas en pakte het. Het was een papiertje. Een wikkel van een pepermuntje, in elkaar gefrommeld.

„Iemand eet pepermunt", zei ze.

„Half Nederland eet pepermunt."

„Maar half Nederland gaat niet 's avonds een toren in waar niemand in mag."

Daan schreef ook dat op.


Om twaalf uur waren ze terug in het dorp. Ze hadden honger en koude oren, en oma had gezegd dat ze een patatje mochten halen bij het café aan de haven. Café De Zeehond had beslagen ramen en binnen brandde een kachel. Achter de bar stond een vrouw met een strak paardenstaartje en een schort vol vlekken.

„Twee patat met?" vroeg ze, voordat Noor iets had gezegd.

„Hoe weet u dat?"

„Jullie zijn de kleinkinderen van Wil Bakker. Het hele eiland weet dat jullie er zijn." Ze glimlachte. „Ik ben Ilse. En dat daar is Fenna."

Aan een tafeltje bij het raam zat een meisje van een jaar of negen met een kleurboek. Onder haar stoel lag een dikke, bruine hond met korte pootjes en een snuit vol grijze haren. Toen hij Noor zag, kwam hij overeind en waggelde naar haar toe. Hij snuffelde aan haar hand, aan de olie van het slot, en niesde.

„Dat is Bolle", zei Fenna. „Hij vindt jou lief. Hij vindt bijna iedereen lief, behalve meeuwen en ganzen. Daar is hij gek op. Niet lief gek. Jaag-gek."

Ze schoof haar kleurboek opzij, zodat ze erbij konden zitten. Fenna praatte veel en snel. Binnen vijf minuten wisten ze dat ze in groep zes zat, dat haar vader op de veerboot werkte, dat Bolle eigenlijk Bolderik heette en dat hij één keer een hele krentenbol had ingeslikt zonder te kauwen.

„Weet jij iets van de vuurtoren?" vroeg Noor, toen de patat er was.

„Die gaat weg", zei Fenna met haar mond vol.

„Weg?"

„Niet weg weg. Hij blijft staan. Maar iemand gaat hem kopen. Er komt een hotel in. Met een restaurant boven in het glas, waar je kunt eten en naar de zee kunt kijken. Mama zegt dat het duur gaat worden. Meneer Hendriks van de kaaswinkel zegt dat het goed is voor de toeristen. En de oude Bram zegt niks, want die zegt nooit iets."

„Wie is de oude Bram?" vroeg Daan.

Fenna haalde haar schouders op. „Gewoon. De oude Bram. Hij woont achter de kerk. Hij koopt elke dag een pak koffie bij de Spar en verder zie je hem nooit."

Ilse kwam de lege bakjes ophalen. „Fenna, kletskous. Laat ze eten." Ze keek naar Noor. „Het is waar, hoor. Zaterdag beslist de eilandraad of de toren verkocht wordt. De gemeente heeft geen geld om hem op te knappen, en een bedrijf van de vaste wal wil het wel. Kijk, daar heb je hun man."

Ze knikte naar het raam. Buiten, op de kade, liep een lange man in een gloednieuwe gele regenjas. Hij had een tablet in zijn hand en een rol papier onder zijn arm. Hij bleef staan, keek naar het eind van het eiland, en tikte iets aan op zijn scherm.

„Rutger Wessels", zei Ilse. „Van Duinzicht Vastgoed. Hij logeert al een week in het hotel aan de Badweg. Elke dag loopt hij rondjes om de toren. Meet van alles op. Aardige man, eigenlijk. Maar hij heeft er geen verstand van."

„Waarvan?" vroeg Noor.

Ilse keek haar even aan. Toen keek ze naar de zee. „Van het eiland", zei ze. „Van wat die toren hier betekent."


Op de terugweg zei Daan lange tijd niets. Pas toen ze bij de schuur van oma stonden, de fietsen tegen de muur, haalde hij zijn notitieboekje weer tevoorschijn.

„Kijk", zei hij. Hij had een lijstje gemaakt.

Slot geolied. Laarsafdrukken, vers. Pepermuntwikkel. Toren wordt zaterdag misschien verkocht. Meneer Wessels loopt elke dag om de toren.

„Je gelooft me", zei Noor.

„Ik geloof dat er iemand in die toren is geweest", zei Daan. „Dat is iets anders." Hij klapte het boekje dicht. „Maar misschien heb je gelijk over het licht."

Noor keek naar het eind van het eiland. De toren stond daar, wit en zwijgend, terwijl de eerste druppels uit de lucht vielen. Een man met een tablet. Een hotel. Een slot dat glom.

„Vanavond", zei ze, „blijven we allebei wakker."