Hoofdstuk 1: De boot naar het eiland

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De boot uit Harlingen stampte door de golven alsof hij boos was op de zee. Noor stond buiten op het achterdek, met haar capuchon diep over haar hoofd en haar handen om de reling. Haar moeder had gezegd dat ze binnen moest blijven zitten. Maar binnen rook het naar frituurvet en natte jassen, en buiten was alles grijs en groot en wild.

„Je wordt kletsnat", zei Daan. Hij stond in de deuropening, één voet binnen, één voet buiten. Zijn bril zat vol druppels.

„Dat is juist het leuke."

„Er is niks leuk aan natte sokken." Hij veegde zijn bril droog aan zijn trui, wat niet hielp, want zijn trui was ook nat. „Over twintig minuten zijn we er. Ik heb het uitgerekend."

Natuurlijk had hij dat. Daan rekende alles uit. Hij was tien, een jaar jonger dan Noor, en hij woonde in Zwolle. Ze zagen elkaar alleen op verjaardagen en met kerst, en dan zat hij meestal met een boek in een hoek. Deze herfstvakantie zouden ze samen negen dagen bij oma logeren. Noor wist nog niet of ze dat een goed idee vond.

Ze keek weer naar de zee. Ver weg, waar de lucht en het water in elkaar overliepen, zag ze een donkere streep. Dat was Oosterwaard. Een eiland van twaalf kilometer lang, met één dorp, één haven, een heleboel schapen en – dat was het mooiste – een vuurtoren.


Oma Wil stond op de kade met haar blauwe fiets aan de hand. Ze droeg een gele regenjas die tot op haar knieën kwam en ze zwaaide met twee armen tegelijk, zodat de fiets bijna omviel.

„Daar zijn ze!" riep ze. „Mijn zeelui!"

Noor rende de loopplank af en sloeg haar armen om haar heen. Oma rook naar kaneel en zeewind. Daan kwam langzamer, met zijn rugzak voor op zijn buik en zijn koffer achter zich aan.

„Wat heb jij allemaal bij je?" vroeg oma, terwijl ze de koffer optilde. „Stenen?"

„Boeken", zei Daan. „En een verrekijker. En een kompas."

„Dan zit je hier goed." Oma zette de koffer in de krat voor op haar fiets, waar hij half uit stak. „Jassen dicht, dan lopen we. Het is maar een kwartiertje."

Ze liepen langs de haven, waar vissersboten tegen elkaar aan schuurden en meeuwen op de palen zaten te schreeuwen. Er was een café met een houten bord waarop een zeehond was geschilderd. Er was een winkel met emmers en schepjes voor de deur, al was het daar nu echt het weer niet voor. En er was een rij lage huizen met witte kozijnen en rode daken, die met hun rug naar de wind stonden.

Daarna werd het stiller. De weg liep langs de dijk. Links lagen weilanden met schapen die er net zo nat uitzagen als Daan. Rechts, achter de dijk, lag het wad. Noor kon het niet zien, maar ze kon het ruiken: zout en modder en iets wat op oude mosselen leek.

„Daar", zei oma, en ze wees met haar kin. „Daar is hij."

Aan het eind van het eiland, op een hoog duin, stond de vuurtoren. Hij was wit met een rode band om zijn middel, en bovenin zat een glazen huisje met een zwart dak. Noor vond hem nog mooier dan op de foto's.

„Brandt hij nog?" vroeg ze.

„Al jaren niet meer", zei oma. „Sinds 2012 staat er een lamp op een paal bij de havenkop. Die doet het helemaal automatisch. De toren mag niemand meer in. Het trappenhuis is te oud, zeggen ze."

„Zonde", zei Noor.

„Ja", zei oma zacht. „Zonde."


Het huis van oma heette De Kievit. Dat stond in sierlijke letters naast de deur. Het was een smal, wit huis vlak achter de dijk, met een schuur vol fietsen en een tuin waar de wind alle bloemen plat had geblazen. Binnen was het warm. Op de vensterbank lag Mies, de rode kat, die één oog opendeed en het meteen weer dichtdeed.

„Jullie slapen boven", zei oma. „Op de zolder. Daar sliep opa altijd als hij vroeg op moest en mij niet wakker wilde maken."

De zolder had een schuin dak en twee bedden onder het raam. Aan de muur hing een grote kaart van het wad, met lijnen en pijlen en kleine getallen erop. Op een plank stonden laarzen, een oude zaklamp en een stapeltje boekjes met een blauwe kaft.

Daan liep meteen naar de kaart. „Wat zijn dit?" vroeg hij, en hij wees naar een rij stipjes die van de dijk naar een grote vlek in het wad liep.

„Dat is het wadpad", zei oma vanaf de trap. „Daar liep opa over met zijn groepen. Hij was wadloopgids, weet je nog? Veertig jaar lang. Die stipjes zijn bakens. Takken die in de bodem staan, zodat je de weg kunt vinden. En die vlek is de Hoge Plaat. Daar liggen bij laag water soms honderd zeehonden te slapen."

Daan pakte een van de blauwe boekjes. „Getijdentabel", las hij hardop. „Oosterwaard."

„Daar staat in wanneer het eb is en wanneer het vloed is", zei oma. „Van elke dag van het jaar. Opa kocht er elk jaar een nieuwe. Dit is de laatste."

Het werd even stil. Opa Jelle was drie jaar geleden overleden. Noor wist nog dat hij grote handen had en dat hij altijd naar tabak en zeewier rook. Ze wist ook nog dat hij haar een keer op zijn schouders had gezet, op de dijk, en dat hij had gezegd: „Kijk, Noor. Dat daar is het enige stuk van Nederland dat twee keer per dag verdwijnt."

„Mag ik hem lenen?" vroeg Daan.

Oma knikte. „Hij is van jou. Opa zou het mooi hebben gevonden."


Ze aten stamppot boerenkool met een rookworst die zo dik was als Noors pols. Daarna speelden ze ganzenbord, en oma speelde vals, en ze lachten tot Mies van schrik van de vensterbank sprong. Om half tien zei oma dat het bedtijd was.

„Half tien?" zei Noor. „Thuis mag ik tot tien uur op."

„Thuis is het niet zo stil", zei oma. „Hier slaap je vanzelf. Je zult het zien."

Daan viel inderdaad meteen in slaap. Hij lag op zijn rug, met zijn bril nog op het nachtkastje en het getijdenboekje op zijn buik. Noor lag wakker. Het dak kraakte. De wind floot langs de dakpannen. Ergens ver weg blaatte een schaap, alsof het ook niet kon slapen.

Ze stond op en ging bij het raam zitten. Je kon heel ver kijken vanaf hier. Over de dijk heen, over het zwarte wad, tot aan het duin aan het eind van het eiland. De vuurtoren stak er donker bovenuit, een schaduw tegen een iets minder donkere lucht.

Noor dacht aan haar vriendinnen in Utrecht, die nu waarschijnlijk filmpjes zaten te kijken. Ze dacht aan haar moeder, die bij het afscheid had gezegd: „En Noor, alsjeblieft: doe een keer voorzichtig." Alsof Noor nooit voorzichtig deed. Ze had alleen één keer haar arm gebroken. Nou ja, twee keer.

Toen zag ze het.

Boven in de vuurtoren, in het glazen huisje, ging een licht aan.

Het was geen grote, draaiende bundel zoals in films. Het was kleiner. Een witte straal, die langzaam over het wad schoof. Van links naar rechts. Even bleef hij stilstaan. Daarna gleed hij terug.

Noor drukte haar neus tegen het koude glas.

„Daan", fluisterde ze. „Daan!"

Daan bromde iets en draaide zich om.

„Daan, word wakker. De vuurtoren is aan."

„De vuurtoren is uit", mompelde hij in zijn kussen. „Al sinds 2012. Dat zei oma."

„Kom nou kijken!"

Met een zucht kwam hij overeind. Hij zette zijn bril op, scheef, en schuifelde naar het raam. Hij keek. Hij knipperde met zijn ogen.

„Ik zie niks."

Noor keek ook weer. Het glazen huisje was donker. De toren was een schaduw, net als daarvoor.

„Hij was aan", zei ze. „Echt. Een lichtstraal. Hij ging over het wad heen."

„Misschien was het een boot."

„Een boot op een duin?"

„Een weerkaatsing dan. Van de lamp bij de haven." Daan gaapte. „Er is van alles dat licht geeft. Auto's. Fietsen. De maan."

„De maan is niet eens op."

Daan haalde zijn schouders op en liep terug naar zijn bed. „Morgen", zei hij. „Morgen kijken we wel." Na een minuut snurkte hij weer.

Noor bleef zitten. Haar voeten werden koud, maar dat kon haar niet schelen. Ze keek naar de toren tot haar ogen prikten. Er gebeurde niets.

Ze wilde het net opgeven, toen het licht nog één keer aanging. Kort. Een flits, alsof iemand een knopje indrukte en meteen weer losliet.

Daarna was het donker.

Noor keek op het lichtgevende klokje van Daans wekker. Het was vijf over tien.

Iemand was daarboven. In een toren waar niemand meer in mocht. En Noor was van plan om erachter te komen wie.