Hoofdstuk 9: Licht in de schuur
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Floor trok haar winterjas aan over haar pyjama. Ze stapte in haar laarzen zonder sokken. Heel zachtjes sloop ze de trap af, langs de kamer van Bram, langs de woonkamer waar papa voor de tv in slaap was gevallen. Ze deed de achterdeur open en weer dicht.
Buiten was het koud. Haar adem maakte wolkjes. Ze kroop door het gat in de heg, waar ze als kleuter al doorheen kroop, en stond in de tuin van opa.
De deur van de schuur stond op een kier. Er kwam een streep geel licht uit, en het geluid van een radio die heel zacht stond.
Floor duwde de deur open.
Opa zat op een kruk bij de werkbank. Tegen de muur stond een wandelstok met een rubberen dop. Zijn verbonden voet lag op een kussen op een omgekeerde emmer. Voor hem, in een klem, stond het kromme voorwiel van de Frankenstein-fiets. Opa had een klein sleuteltje in zijn hand. Een spaakspanner. Floor kende dat ding. Daarmee draaide je de spaken strakker of losser, één voor één, tot het wiel weer recht was.
Op de werkbank lag het groene schrift. Open, bij de tekening van oma Jet.
„Opa”, zei Floor.
Opa schrok zo dat hij bijna van zijn kruk viel. Hij draaide zich om. Toen zag hij wie het was, en hij liet zijn adem langzaam ontsnappen.
„Meisje toch”, zei hij. „Wat doe jij hier? Het is tien uur.”
„Wat doe jíj hier?”
Opa keek naar het wiel. Hij keek een beetje betrapt, zoals Bram als hij met zijn hand in de koekjestrommel zat.
„Ik kon niet slapen”, zei hij. „Ik zit hier elke avond, eigenlijk. Al sinds zondag. Ik kán het gewoon niet laten.” Hij draaide het sleuteltje een kwartslag. „Een fietsenmaker kan geen krom wiel zien zonder het recht te willen maken.”
Floor pakte een tweede kruk en ging naast hem zitten. Een tijdje zeiden ze niets. Opa draaide aan de spaken. Tik, tik. Het wiel werd langzaam rechter.
„Opa”, zei Floor ten slotte. „Ik wist het al. Van De Linde. Ik had het je moeten vertellen.”
Opa legde het sleuteltje neer.
„Dat hoefde niet, meisje”, zei hij. „Dat was niet jouw taak. Je moeder is gewoon ongerust. Dat mag ook. Ik val van fietsen, ik schiet pannenkoeken op mensen, ik maak de straat om vijf uur wakker.” Hij glimlachte een beetje. „Als ik jouw moeder was, was ik ook ongerust.”
„Maar je wilt niet naar De Linde.”
„Nee”, zei opa zacht. „Daar wil ik niet naartoe.”
Hij pakte het groene schrift op. Hij bladerde er doorheen. Tekening na tekening. Een wasknijpermachine. Een paraplu met een ingebouwd lampje. Een schommel die tegelijk de was droogde.
„Weet je wat oma altijd zei?” vroeg hij. „Ze zei: ‚Toon, een uitvinding is pas klaar als er iemand om moet lachen.’ Niet om je uit te lachen. Maar omdat je ze blij maakt.” Hij tikte op de tekening van de pannenkoekentandem. „Daarom wilde ze die zo graag. Het hele dorp een pannenkoek. Iedereen aan het lachen.”
„Dat kan nog steeds”, zei Floor.
„Ik kan niet trappen, meisje. Mijn enkel.”
Floor keek naar de tekening. Naar de tandem, de bakplaat, de arm en de rij met bordjes. En naar het zinnetje eronder. Iedereen een pannenkoek!
En toen kreeg ze een idee. Het was zo'n groot idee dat ze er even duizelig van werd.
„Dan trap jij niet”, zei ze. „Dan trapt iedereen.”
„Hè?”
„We hoeven helemaal niet rond te rijden. Dat is juist gevaarlijk. We zetten de tandem stil op een standaard, net als bij de fietsenmaker. Dan draaien de wielen, maar gaat de fiets nergens heen. En dan mag iedereen op de markt een stukje trappen. Wie trapt, bakt zijn eigen pannenkoek. Iedereen een pannenkoek. Maar ook: iedereen een beurt.”
Opa staarde haar aan. Zijn mond ging een beetje open.
„Op een standaard”, mompelde hij. „Met een rollenbank. Dan kan ik ernaast zitten en het brandertje doen. En de kraan.” Hij keek naar het kromme wiel. „Dan maakt het niet eens meer uit of dat wiel krom is.”
„Nee”, zei Floor. „Het maakt niks meer uit.”
Opa begon te lachen. Eerst zachtjes, toen harder. Hij lachte zo hard dat zijn kruk ervan wiebelde.
En op dat moment werd er op de deur van de schuur geklopt.
Ze keken allebei op. Het was half elf. Wie klopte er om half elf op een schuurdeur?
De deur ging open. In de deuropening stond mevrouw Snellen.
Ze had haar roze ochtendjas aan, met daaroverheen een dikke winterjas. Ze had haar haarnetje op. En naast haar, aan het stuur, hield ze een lange, donkerblauwe tandem vast. De spatborden glommen in het licht van de schuurlamp.
Opa's mond viel helemaal open.
„Riet”, zei hij. „Is dat... is dat Harries tandem?”
„Ik zag licht branden”, zei mevrouw Snellen. Ze klonk een beetje kortaf, maar haar ogen waren zacht. „En ik heb nagedacht, Toon. De hele avond. Harrie zou het vreselijk vinden dat zijn tandem in het donker staat te verstoffen. Hij zou willen dat er weer iemand op zat.” Ze schoof de tandem een stukje naar voren. „Dus hier. Je mag hem lenen. Maar als er één krasje op komt, krijg je met mij te maken.”
Opa stond op. Hij vergat zijn enkel. Hij hinkte naar haar toe, zonder stok, en nam het stuur van haar over. Hij streek over het frame, net zoals mevrouw Snellen dat die middag had gedaan.
„Die heb ik in 2004 voor jullie afgesteld”, zei hij. „Ik weet het nog precies.”
„Dat weet ik ook nog”, zei mevrouw Snellen. „Je vroeg er een appeltaart voor.”
De dagen daarna was de schuur nooit meer leeg.
Papa bouwde een stevige houten standaard met twee rollen, waar het achterwiel van de tandem precies op paste. Senna schilderde een bord: DE PANNENKOEKENTANDEM. Trap je eigen pannenkoek! De kinderen uit de klas kwamen na school helpen. Ze schroefden de bakplaat van de Frankenstein-fiets over op de blauwe tandem. Opa zat ernaast op zijn kruk en gaf aanwijzingen.
Mevrouw Snellen kwam elke middag om vier uur langs, met koffie in een thermoskan. Ze zei dat het alleen was om te kijken of ze geen krassen maakten. Maar ze bleef elke keer tot het donker werd.
Op donderdag testten ze het nieuwe kraantje. Opa had het helemaal opnieuw gemaakt, met een veertje dat het kraantje dichtduwde, zodat het nooit meer te ver open kon. Om te oefenen deden ze water in de emmer in plaats van beslag.
Senna trapte. Het kraantje ging open. Er kwam een keurig straaltje water uit. En nog een. En toen schoot het veertje los en ging het kraantje helemaal open.
Op dat moment kwam mama de schuur binnen. Ze wilde opa halen voor het eten.
Ze kreeg de straal recht in haar gezicht.
Iedereen stond stokstijf. Floor hield haar adem in. Mama stond in de deuropening, druipend. Haar haar plakte tegen haar wangen. Er liep water van haar neus.
Ze keek naar opa. Opa keek naar haar. Hij zat op zijn kruk tussen al die kinderen, met olie op zijn handen en een veertje tussen zijn vingers. En hij zag er gelukkiger uit dan in al die weken daarvoor.
Mama zag het ook. Floor zag dat ze het zag.
Toen begon mama te lachen.
„Pa”, zei ze, en ze veegde het water uit haar ogen. „Je bent echt onmogelijk.” Ze schudde haar hoofd. „Oké. Doe maar mee met je markt. Daarna praten we verder.”
Op vrijdagavond, de avond voor de markt, was alles klaar. De blauwe tandem stond glimmend op zijn standaard. De bakplaat was gepoetst. Er stond een emmer met beslag klaar in de koelkast van opa, en een doos met tweehonderd kartonnen bordjes.
Floor stond met opa in de deuropening van de schuur. Het was donker en koud. Boven de kerk stond een halve maan.
Toen stopte er een auto voor het huis. Een kleine grijze auto. Er stapte een lange, dunne man uit.
Meneer Hagelaar.
Hij liep niet naar de deur. Hij pakte zijn telefoon en maakte een foto van de schuur. En nog een. Toen stapte hij weer in en reed weg, zonder iets te zeggen.
„Wat moest hij nou?” fluisterde Floor.
Opa gaf geen antwoord. Hij keek de auto na, tot de achterlichtjes om de hoek bij de kerk verdwenen waren.