Hoofdstuk 10: De grote markt
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Op zaterdag 23 november ging de wekker om zeven uur. Floor was al wakker. Ze was eigenlijk de hele nacht een beetje wakker geweest.
Buiten was het grijs en koud, maar droog. Papa had de aanhangwagen achter de auto gehangen. Ze tilden de blauwe tandem er samen in, heel voorzichtig, met een oude deken eromheen tegen de krassen. Mevrouw Snellen stond erbij en hield toezicht. Ze had haar beste jas aan, een lange groene, met een broche in de vorm van een vogeltje.
„Langzaam”, zei ze. „Langzaam, zei ik.”
Daarna kwamen de standaard, de bakplaat, het brandertje, de emmer met beslag en de doos met tweehonderd bordjes. Opa kwam als laatste. Hij liep met zijn wandelstok, en hij had zijn nette broek aan. Maar daaronder, zag Floor, droeg hij zijn oude blauwe overall. Voor de zekerheid.
„Waar is Bram?” vroeg mama.
„Hier!” Bram kwam aanrennen met een schoenendoos onder zijn arm. Er zaten gaatjes in het deksel.
„Wat zit daarin?”
„Niks”, zei Bram. „Mijn knuffels.”
Floor keek naar de doos. Ze had het gevoel dat er iets niet klopte. Maar er was geen tijd om erover na te denken, want papa toeterde al.
Gymzaal De Donk was niet meer te herkennen. Waar normaal de bokken en de matten stonden, stonden nu lange rijen tafels. Aan het plafond hingen slingers met gloeilampjes. Bij de ingang stond een kraam met koffie en worstenbroodjes, en de hele zaal rook naar koffie en warm bladerdeeg.
Overal waren uitvinders hun spullen aan het opzetten.
Een oude meneer had een soeppan die zelf roerde, met een houten lepel aan een motortje. Twee meisjes uit groep 8 hadden een robot van Lego gebouwd die snoepjes sorteerde. Een mevrouw met een rood hoedje had een breimachine gemaakt van een fietswiel, die in tien minuten een hele sjaal breide. En er was een jongen met een gitaar die vanzelf stemde.
En dan was er de kraam van de familie Pronk.
Je kon hem niet missen. Hij stond in het midden van de zaal, op de beste plek. Er hing een groot spandoek boven: PRONK-DRONE 3000. De toekomst bezorgt! Jesse en zijn vader droegen allebei een zwart T-shirt met hetzelfde logo. Op de tafel stond de drone. Hij was nog groter dan het oude model. Er zat een klein bakje onder voor de pakjes, en een camera, en vier lampjes die blauw knipperden.
Jesse zag Floor binnenkomen. Hij zwaaide. Het was geen aardig zwaaitje.
De plek van Floor en opa was in de hoek. Helemaal achterin, naast de nooduitgang en het rek met de basketballen.
„Prima plek”, zei opa. „Dan hebben we tenminste ruimte.”
Ze zetten alles op. Papa schroefde de standaard vast. Senna, die met haar moeder was gekomen, hing het bord op. DE PANNENKOEKENTANDEM. Trap je eigen pannenkoek! Floor legde de bordjes klaar in een stapel. Opa sloot het brandertje aan op het gasflesje.
Ze waren bijna klaar toen er iemand achter hen kuchte.
Floor draaide zich om. Ze wist al wie het was voordat ze hem zag. Lang, dun, grijze regenjas. En een map onder zijn arm.
„Goedemorgen, meneer Van Gils”, zei meneer Hagelaar. „Ik ben vandaag de controleur van de veiligheid.”
Hij keek naar het brandertje. Hij keek naar het gasflesje. Hij sloeg zijn map open.
„Open vuur is in de gymzaal niet toegestaan”, zei hij. „Dat is de regel.”
Het werd stil bij de kraam.
„Maar...” begon Floor.
„Het spijt me”, zei meneer Hagelaar. En het gekke was: het klonk alsof hij het echt meende. „Regels zijn regels. Zonder vuur geen pannenkoeken.”
Floor voelde de tranen achter haar ogen prikken. Al dat werk. Al die weken. Opa's enkel. De tandem van Harrie. En nu ging het mis door een regel in een map.
Opa zei niets. Hij keek naar meneer Hagelaar, heel rustig, over de rand van zijn bril.
Meneer Hagelaar bladerde in zijn map. Hij bladerde en bladerde. Toen bleef zijn vinger ergens hangen.
„Hm”, zei hij. „Hier staat wel iets anders. Artikel 14. Buiten de zaal, onder een overkapping, met een brandblusser in de buurt, mag een gastoestel wel.” Hij keek op en wees naar de nooduitgang naast hen. „Daar is het schoolplein. Met een fietsenoverkapping. Volgens mij hangt daar een brandblusser.”
Floor staarde hem aan.
„Ik zeg niet dat u het moet doen”, zei meneer Hagelaar. „Ik zeg alleen wat er in de regels staat.”
Toen klapte hij zijn map dicht en liep verder, naar de soeppan van de oude meneer.
Ze verhuisden alles naar buiten. De nooduitgang kwam uit op het schoolplein, waar een lange fietsenoverkapping stond. Het was er koud, maar droog. En toen ze de deur wijd openzetten, kon iedereen in de zaal hen zien.
„Eigenlijk is dit nog beter”, zei Senna. „Nu ruikt iedereen het als we gaan bakken.”
Ze waren net klaar toen Floor een geluid hoorde dat ze kende. Een geluid dat absoluut niet in een gymzaal hoorde.
Tok. Tok-tok-tok. TOOOK.
Ze draaide zich om. Bram stond bij de deur met de schoenendoos. Het deksel lag op de grond. De doos was leeg.
„Bram”, zei Floor langzaam. „Wat zat er in die doos?”
Brams onderlip begon te trillen. „Mientje”, fluisterde hij. „Ze wilde ook komen kijken.”
Midden in de gymzaal klonk een gil. Floor rende naar binnen.
Mientje was op de tafel van de Lego-robot gesprongen. Ze pikte naar de snoepjes. De robot ging in de war en begon snoepjes alle kanten op te gooien. Mientje schrok daarvan, fladderde op en landde op de breimachine van de mevrouw met het rode hoedje. Het fietswiel draaide door. Binnen een paar tellen zat Mientje vast in een halve sjaal.
„Mijn sjaal!” riep de mevrouw.
Mientje rukte zich los, met een lange rode draad aan haar poot. Ze rende onder de tafels door. Overal waar ze langs kwam, gingen dingen mis. De soeppan viel om. De gitaar begon vanzelf te spelen. Iemand gleed uit over een snoepje.
„Pak haar!” riep Floor. „Ze moet naar buiten!”
„Ik heb haar!” riep Jesse ineens.
Hij stond bij zijn kraam met een afstandsbediening in zijn hand. De Pronk-Drone 3000 steeg zoemend op. Hij vloog over de tafels, met het bakje open, recht op de kip af.
Mientje zag hem aankomen. Ze vond het geen goed idee. Ze sprong op, fladderde met haar vleugels en vloog, voor het eerst in haar leven, echt hoog. Recht omhoog. Ze landde boven op de basketbalring.
De drone kon niet meer remmen. Hij vloog tegen het netje en bleef erin hangen. Zijn propellers zoemden boos. Zijn lampjes knipperden rood.
Daar hingen ze. Een kip op de ring, een drone in het net.
De hele gymzaal keek omhoog.
„Jesse!” riep meneer Pronk. „Wat doe je?”
En toen, precies op dat moment, ging de grote deur van de zaal open. Er kwamen vier mensen binnen. Een man met een camera. Een vrouw met een notitieblok. Een meneer met een stropdas. En vooraan een vrouw in een rode jas, met kort grijs haar en een vriendelijk gezicht.
Burgemeester Van den Akker.
Ze bleef staan in de deuropening. Ze keek naar de omgevallen soeppan. Naar de snoepjes op de vloer. Naar de mevrouw met de halve sjaal. En toen keek ze omhoog, naar de basketbalring.
Mientje keek terug.
„Goedemorgen allemaal”, zei de burgemeester. „Ik zie dat de jury net op tijd is.”