Hoofdstuk 11: Trap je eigen pannenkoek

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Het was Jesse die Mientje uit de basketbalring haalde.

Niemand had het van hem verwacht. Floor al helemaal niet. Maar terwijl iedereen nog omhoog stond te staren, liep hij naar het berghok van de gymzaal. Hij kwam terug met de lange houten ladder die de gymmeester altijd gebruikte om de touwen op te hangen. Hij zette hem tegen de muur en klom naar boven.

„Voorzichtig!” riep zijn vader.

Jesse klom tot hij bij de ring kon. Eerst haalde hij zijn drone uit het netje. Hij stopte hem onder zijn arm. Toen stak hij langzaam zijn hand uit naar Mientje.

„Rustig maar”, hoorde Floor hem zeggen. „Rustig maar, kippie.”

Mientje keek hem aan met haar kraaloogjes. Toen stapte ze zomaar op zijn arm. Jesse klom met de drone onder de ene arm en de kip op de andere de ladder af. Beneden gaf hij Mientje aan Floor.

„Hier”, zei hij. Hij keek niet naar haar. Zijn oren waren rood. „Ze heeft een draad aan haar poot.”

„Dank je wel”, zei Floor. Ze meende het.

Jesse haalde zijn schouders op en liep terug naar zijn kraam. Er klonk applaus in de zaal. Het meeste applaus was voor Mientje.


Daarna ging de jury langs alle kramen. Floor stond buiten bij de pannenkoekentandem en keek door de open deur naar binnen. Haar hart bonkte zo hard dat ze het in haar keel voelde.

De jury bekeek de soeppan, die weer rechtop stond. Ze bekeek de Lego-robot en de breimachine. De mevrouw met het rode hoedje had een nieuwe sjaal gebreid, en ze deed hem om bij de burgemeester. Iedereen lachte.

Toen kwamen ze bij de Pronk-Drone 3000.

Floor moest toegeven dat het knap was. Meneer Pronk legde een klein pakje in het bakje. Jesse drukte op een knop. De drone steeg op, vloog helemaal zelf door de zaal, maakte een bocht om een pilaar en zette het pakje precies voor de voeten van de burgemeester neer. Er zat een doosje bonbons in.

De burgemeester klapte. De jury schreef iets op in hun blokjes. De man met de camera maakte wel tien foto's.

„Die winnen”, fluisterde Senna. „Dat zie je zo.”

Floor zei niets. Ze kneep in de rand van een kartonnen bordje.

En toen kwam de jury naar buiten.


Burgemeester Van den Akker liep als eerste door de nooduitgang. Ze bleef staan onder de fietsenoverkapping. Ze keek naar de blauwe tandem op zijn standaard. Naar de bakplaat en het gele bord dat Senna had geschilderd. En naar opa, die op zijn kruk naast het brandertje zat met zijn verbonden voet op een emmer.

„Meneer Van Gils”, zei ze. „Ik heb veel over u gehoord.”

„Dat dacht ik al”, zei opa.

„Iets met een fontein?”

„Dat was de wind.”

De burgemeester glimlachte. „En wat gaat u ons vandaag laten zien?”

Opa keek naar Floor. Floor slikte. Toen deed ze een stap naar voren.

„Dit is de pannenkoekentandem”, zei ze. Haar stem trilde een beetje, maar ze ging door. „Mijn oma heeft hem bedacht, in 1979. Ze wilde dat het hele dorp een pannenkoek kreeg. Maar ze is nooit verder gekomen dan een tekening. Dus hebben wij hem gebouwd. Mijn opa, ik, mijn vriendin Senna, en eigenlijk de halve Kerkstraat.” Ze wees naar het bord. „Het werkt zo: wie trapt, bakt zijn eigen pannenkoek. Wilt u het proberen, mevrouw de burgemeester?”

De burgemeester keek naar de tandem. Toen trok ze haar rode jas uit, gaf hem aan de meneer met de stropdas en ging op het achterste zadel zitten.

„Ik fiets elke dag naar mijn werk”, zei ze. „Dit moet lukken.”

Opa draaide het brandertje aan. Het blauwe vlammetje floepte op.

„Rustig trappen”, zei hij. „Niet te hard.”

De burgemeester begon te trappen. De rollen onder het achterwiel gingen zoemen. De ketting ratelde. Het kraantje ging open, en er viel een keurige klodder beslag op de bakplaat. Het siste. De bakplaat begon langzaam te draaien. Er kwam een heerlijke geur onder de overkapping vandaan.

„Ooh”, zei de vrouw met het notitieblok.

„Mag ik iets harder?” vroeg de burgemeester.

„Liever niet”, zeiden Floor en opa tegelijk.

Maar de burgemeester fietste elke dag naar haar werk. Ze had sterke benen. En ze had er duidelijk zin in. Ze ging iets harder trappen. En nog iets harder.

De bakplaat draaide sneller. De pannenkoek kwam bij de houten arm. Klak.

De arm klapte omhoog met meer kracht dan ooit.

De pannenkoek vloog niet naar het bordje dat Senna omhooghield. Hij vloog veel hoger. Hij zeilde over de fietsenoverkapping, maakte een draai in de lucht, en kwam weer naar beneden.

Recht op het hoofd van de burgemeester.

Hij paste precies. Als een warme, gouden baret.

Er klonk een geluid alsof de hele gymzaal tegelijk zijn adem inhield. De man met de camera liet zijn camera zakken. De meneer met de stropdas werd wit. Floor wilde dat de grond openging, nu meteen, en dat ze erin verdween.

De burgemeester stopte met trappen. Ze bleef heel even stil zitten.

Toen tilde ze met twee vingers een randje van de pannenkoek op en keek eronderuit.

„Nou”, zei ze. „Die is in elk geval gaar.”

En ze begon te lachen.


Daarna ging het heel snel.

De mensen in de zaal hadden het gezien. Ze kwamen allemaal naar buiten. Eerst een paar, toen steeds meer. Iedereen wilde trappen.

Mevrouw Snellen was de eerste. Ze ging op het zadel van Harrie zitten, rechtte haar rug en trapte heel rustig. Haar pannenkoek landde perfect op het bordje. Ze zei niets, maar Floor zag dat haar ogen glansden.

Na haar kwam de kaasboer van de Markt, die nog wel even wilde zeggen dat hij die kaas niet vergeten was. Toen juf Marieke, met een nieuwe witte blouse. Toen de oude meneer van de soeppan. Toen de mevrouw met het rode hoedje en haar sjaal. Toen de hele groep 7. Toen papa. Toen mama.

Senna en Floor hielden de bordjes vast. Opa zat bij het brandertje en draaide aan de kraan. Hij riep: „Niet te hard!” en „Dat was een mooie!” en „Volgende!” Er vlogen pannenkoeken door de lucht, de ene na de andere. Sommige landden op een bordje. Sommige op een hoofd. Eén landde op de neus van de man met de camera, en die lachte zo hard dat hij moest gaan zitten.

Zelfs Jesse kwam. Hij keek eerst een beetje stoer van een afstandje. Maar toen Floor hem een bordje gaf, ging hij toch op het zadel zitten. Zijn pannenkoek landde precies in het bakje van de Pronk-Drone 3000, die hij nog onder zijn arm had.

„Pakje bezorgd”, zei Floor.

Jesse moest lachen. Echt lachen, voor het eerst.

Om twaalf uur waren de tweehonderd bordjes op. Om kwart over twaalf was het beslag op. Er stond nog steeds een rij tot aan het hek van het schoolplein.


Om één uur riep de burgemeester iedereen naar binnen voor de prijsuitreiking. Ze stond op een bankje onder de basketbalring. Ze had nog een klein beetje pannenkoek in haar haar.

„Wat een dag”, zei ze. „Wat hebben we veel gezien. En gegeten.” Iedereen lachte. „De jury heeft lang moeten nadenken. Maar de Gouden Moer van dit jaar gaat naar een uitvinding die echt laat zien wat er met techniek kan. De Gouden Moer gaat naar...”

Floor kneep zo hard in opa's hand dat hij er zacht van kreunde.

„... Jesse Pronk en zijn vader, met de Pronk-Drone 3000!”

Er klonk applaus. Jesse liep naar voren. Hij kreeg een gouden moer aan een lint en een envelop. En een hand van de burgemeester.

Floor klapte mee. Ze klapte echt. Maar binnen in haar zakte alles weg, als een ijsje dat in de zon smelt.

Geen Gouden Moer. Geen gesprek met de burgemeester.

Over negen dagen kwam de sloper.

Opa sloeg een arm om haar heen. Hij zei niets. Dat hoefde ook niet.

En toen zag Floor dat er iemand door de zaal naar het bankje liep. Een lange, dunne man. Met een map onder zijn arm.