Hoofdstuk 12: De Uitvinderij

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Meneer Hagelaar bleef naast het bankje staan. Hij kuchte. De burgemeester keek op hem neer, verbaasd.

„Mag ik iets zeggen, burgemeester?” vroeg hij. „Het duurt maar heel even.”

„Natuurlijk, Hagelaar.”

Hij draaide zich om naar de zaal. Al die mensen, al die gezichten. Floor zag dat zijn handen een beetje trilden. Misschien was hij ook wel zenuwachtig, dacht ze. Dat had ze nooit bedacht, dat grote mensen met mappen ook zenuwachtig konden zijn.

„Een paar weken geleden kreeg ik een pannenkoek op mijn hoofd”, zei meneer Hagelaar.

Er werd gegniffeld in de zaal.

„Ik heb toen gezegd dat ik de regels zou opzoeken. Dat heb ik gedaan. Ik doe dat altijd.” Hij sloeg zijn map open. „Ik vond geen regel over vliegende pannenkoeken. Maar ik vond wel iets anders. Ik vond de tekening van het nieuwe parkeerterrein. En ik heb het nagemeten. Gisteravond nog, met foto's.” Hij keek even naar opa. „Er passen achter de schuur van meneer Van Gils achttien auto's. Maar op het oude kerkveld, achter de kerk, waar al tien jaar niks staat, passen er vierendertig.”

Het werd stil in de zaal.

„Dat had al veel eerder iemand moeten zien”, zei meneer Hagelaar. „Ik had het moeten zien. Het spijt me.”

Hij deed zijn map dicht. Hij keek naar de burgemeester.

„Ik zeg niet dat het moet”, zei hij. „Ik zeg alleen wat er op de tekening staat.”


Voordat de burgemeester iets kon zeggen, kwam er nog iemand naar voren. Ze liep langzaam, met haar groene jas en haar broche met het vogeltje. In haar hand had ze een klembord.

Mevrouw Snellen.

Floor herkende het klembord meteen. Het was hetzelfde als dat van de handtekeningen. Maar het papier was anders. En er stond een andere tekst bovenaan.

Wij zijn VOOR de schuur van Toon van Gils.

„Ik ben vanochtend langs de rij gegaan”, zei mevrouw Snellen. „Bij de pannenkoeken. Iedereen die stond te wachten heeft getekend. Driehonderdtwaalf mensen.” Ze gaf het klembord aan de burgemeester. „Mijn oude lijst heb ik verscheurd. Die was niks waard. Ik was gewoon boos, om vijf uur 's nachts.”

Opa keek naar haar. Hij zei niets. Maar hij zette zijn bril af en veegde heel snel iets uit zijn oog.

De burgemeester bladerde door de lijst. Er stonden namen op van mensen uit de hele zaal. Van de kaasboer en juf Marieke. Van de mevrouw met het rode hoedje. Van de familie Van Rooij, met de heg.

En toen stak er iemand in de zaal zijn vinger op.

Het was Jesse.

Hij stond vooraan, met de Gouden Moer om zijn nek. Zijn oren waren weer rood.

„Mevrouw de burgemeester?” zei hij. „Bij mijn prijs hoort toch een gesprek met u? Over mijn idee?”

„Dat klopt, Jesse.”

„Mag ik dat gesprek weggeven?” Hij keek niet naar Floor. Hij keek naar de grond. „Aan Floor en haar opa. Mijn vader en ik praten toch al de hele dag over drones. Zij hebben een beter onderwerp.”

Floor hoorde niets meer. Niet het gemompel in de zaal, niet het gezoem van de lampjes aan het plafond. Ze keek naar Jesse, met zijn rode oren en zijn gouden moer, en ze kon helemaal niets zeggen.

Meneer Pronk legde een hand op Jesses schouder. Hij zag er trots uit.

De burgemeester keek van Jesse naar Floor. Van Floor naar opa. Van opa naar meneer Hagelaar, en naar mevrouw Snellen met haar lege handen. Toen stapte ze van het bankje af.

„Weet je wat”, zei ze. „Dat gesprek doen we meteen. Hier. Met iedereen erbij.”


Het werd een lang gesprek. Floor vertelde over de schuur. Opa vertelde over de veertig jaar als fietsenmaker. Juf Marieke vertelde over de spreekbeurt, en dat haar klas het nog elke dag over de huiswerkhelper had. Senna vertelde dat ze in de schuur meer had geleerd dan in een heel jaar techniekles.

„Elke woensdag zouden ze willen komen”, zei Floor. „Al die kinderen. Om dingen te bouwen. Om dingen te maken die misgaan, en ze dan nog een keer te proberen.”

De burgemeester luisterde. Ze vroeg veel. Ze schreef dingen op in een klein boekje, en de vrouw met het notitieblok schreef mee.

Ten slotte deed ze haar boekje dicht.

„Ik kan het niet alleen beslissen”, zei ze. „Dat doet de gemeenteraad. Maar ik ga ze vragen om het parkeerterrein naar het kerkveld te verhuizen. En ik ga ze vragen of de schuur van meneer Van Gils een werkplaats mag worden. Voor kinderen.” Ze glimlachte naar Floor. „En maandag de tweede komt er in elk geval geen sloper. Dat beloof ik.”

Het applaus was zo hard dat Mientje in haar schoenendoos begon te kakelen.


Op een woensdagmiddag in januari hing er een nieuw bord boven de deur van de schuur. Het oude bord bleef er ook hangen, met zijn afgebladderde letters: RIJWIELHANDEL T. VAN GILS. Maar daaronder hing nu een tweede bord, dat Senna had geschilderd, in vijf kleuren.

DE UITVINDERIJ. Werkplaats voor kinderen. Elke woensdag van twee tot vijf.

De gemeenteraad had het in december besloten. Met bijna alle stemmen voor. Op het kerkveld achter de kerk werden al witte strepen getrokken.

Opa liep weer zonder stok. Hij had zijn blauwe overall aan en zijn bril aan het touwtje. In de schuur stonden twaalf kinderen, met schroeven en veertjes en tandwielen. Jesse was er ook. Hij bouwde samen met Bram een drone die eieren kon vervoeren. Het ging tot nu toe nog niet goed, met de eieren.

Mevrouw Snellen zat in een tuinstoel bij de deur, met een thermoskan koffie en Napoleon op schoot. Ze zei dat ze er alleen zat om te zien of niemand krassen maakte op de tandem. Maar ze zat er elke woensdag.

En mama kwam elke woensdag om vijf uur om opa te halen voor het eten. Ze had nooit meer iets over De Linde gezegd. Ze had alleen één regel gemaakt, en daar hield opa zich aan: geen wekkers meer voor zeven uur 's ochtends.

Floor stond bij de pannenkoekenkatapult. Ze had hem samen met opa op de veilige stand gezet, en ze schoot pannenkoeken op de bordjes van de kinderen. Eén voor één. Bijna allemaal raak.

Toen ging het hek open. Er kwam iemand de tuin in. Lang, dun, grijze regenjas.

„Meneer Hagelaar!” riep Floor. „Wat komt u doen?”

„Ik kom kijken of alles volgens de regels gaat”, zei meneer Hagelaar. Hij bleef staan in de deuropening en keek rond. Naar de kinderen. Naar opa. Naar het bord.

Op dat moment trapte Bram, die vond dat het weer zijn beurt was, op de trapper van de katapult. Heel hard.

De pannenkoek vloog de schuur uit. En hij landde, met een zachte plets, precies op het hoofd van meneer Hagelaar.

Het werd heel stil in de Uitvinderij.

Meneer Hagelaar tilde langzaam een slip van de pannenkoek op, zodat hij één oog vrij had. Hij keek naar Bram. Hij keek naar Floor.

En toen gebeurde er iets wat nog nooit iemand had gezien. Meneer Hagelaar lachte. Eerst een klein beetje. Toen zo hard dat hij tegen de deurpost moest leunen.

„Dit”, zei hij, toen hij weer kon praten, „moet ik echt even opzoeken.”


Die avond, toen alle kinderen naar huis waren, zaten Floor en opa samen aan de werkbank. Tussen hen in lag het groene schrift van oma Jet.

Opa sloeg het open, op de eerste lege bladzijde. Hij gaf Floor een pen.

„Jouw beurt, meisje”, zei hij.

Floor dacht even na. Toen begon ze te tekenen. Een fiets met een paraplu die écht dichtging. Met remmen die het écht deden.

Bovenaan schreef ze: Ideeën. J. en T. en F.

Opa keek ernaar en glimlachte. Buiten in de tuin begon Mientje te kakelen. En ergens in de schuur, heel zachtjes, kwaakte er een plastic eend.