Hoofdstuk 8: Het blauwe fietsje

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Opa wilde niemand zien.

Op zondag zat hij in zijn stoel bij het raam, met zijn voet op een krukje en een zak diepvrieserwten op zijn enkel. Floor bracht hem een kop koffie. Hij zei dankjewel. Verder zei hij niks.

Op maandag bracht ze hem de krant. Hij legde hem op tafel zonder hem open te slaan.

Op dinsdag zat de deur op slot.

Floor stond op de stoep en keek naar de schuur. Het bord met de parkeerplaats stond er nog steeds. Iemand had er een sticker op geplakt van een lachend gezichtje, maar dat maakte het niet beter.

Nog elf dagen tot de markt. Nog twintig dagen tot de sloper.

„Dan doen we het zelf”, zei ze die middag tegen Senna. „Zonder opa.”


De tandem stond in de schuur, waar papa hem had neergezet. Er zat nog beslag op. Het was opgedroogd tot een harde, gele korst. Het voorwiel was helemaal krom. Het zag eruit als een chips.

„Dat noemen ze een acht”, zei Floor. Dat had opa haar ooit geleerd. „Als je wiel zo krom is dat het lijkt op een acht.”

„Kun je dat maken?”

„Opa wel.”

Ze probeerden het toch. Senna las in een boek uit de bibliotheek over fietsen repareren. Floor zocht het goede gereedschap op de werkbank. Bram mocht ook helpen. Hij vond dat geweldig. Hij had een te groot werkhandschoen aan en hield een schroevendraaier vast alsof het een zwaard was.

„Als we het wiel plat op de grond leggen”, zei Senna, „en er iemand op gaat staan, dan wordt het vanzelf weer recht.”

Het klonk logisch. Ze legden het wiel op de grond, met de bolle kant omhoog. Bram ging erop staan. Hij wiebelde een beetje.

„Spring maar”, zei Floor.

Bram sprong.

Het wiel boog door onder zijn voeten, helemaal plat. En toen sprong het terug. Met een harde twang, als een veer. Bram werd gelanceerd. Hij vloog met zijn armen wijd door de deur van de schuur naar buiten en landde met een zachte plof in de composthoop.

Floor en Senna renden naar buiten. Bram zat midden in de aardappelschillen en de bladeren. Er hing een bananenschil over zijn schouder. Hij keek heel verbaasd.

„Nog een keer!” riep hij.

„Nee”, zeiden Floor en Senna tegelijk.

Het wiel was nog net zo krom als eerst. Misschien zelfs nog wat krommer.

Floor ging op de rand van het kippenhok zitten. Mientje kwam naast haar staan en pikte aan haar veter. Floor voelde ineens hoe moe ze was. Moe van alles. Van de brieven, de borden, de sokken, het beslag. Van mama, die nu thuis rondliep met een stapel folders van De Linde. Van opa achter zijn dichte deur.

„We hebben gewoon geen tandem”, zei ze. „Zonder tandem kunnen we niks.”


Die avond lag ze lang wakker. Ze dacht aan mevrouw Snellen. Aan het klembord met al die handtekeningen. Aan het gezicht achter het keukenraam, dat niet boos had gekeken.

Woensdagmiddag haalde ze haar spaarpot leeg. Er zat zes euro veertig in. Daarvan kocht ze bij bakker Van Rooij op de Markt een kleine appeltaart.

Toen ging ze aanbellen op nummer 16.

Het duurde lang voordat er iemand opendeed. Eerst hoorde ze geschuifel. Daarna een ketting die van de deur ging. Toen stond mevrouw Snellen in de deuropening, met Napoleon tussen haar benen.

„Wat moet je?” vroeg ze.

Floor hield de appeltaart omhoog. „Sorry”, zei ze. „Voor de sokken. En de wekker. En de bladeren in uw keuken.”

Mevrouw Snellen keek naar de taart. Toen naar Floor. Ze zei een hele tijd niets.

„Kom maar binnen”, zei ze toen. „Je laat de warmte eruit.”


Het huis van mevrouw Snellen was klein en warm. Het rook naar koffie en naar de kachel. Overal stonden spulletjes. Porseleinen beeldjes, plantjes in potten, een klok die hard tikte. En foto's. Heel veel foto's, op elke kast en aan elke muur.

Mevrouw Snellen sneed de taart aan en zette twee bordjes op tafel. Floor kreeg chocolademelk. Napoleon sprong op een stoel en keek naar de taart alsof hij er recht op had.

Floor keek naar een foto aan de muur. Het was een oude foto, een beetje bruin geworden. Er stond een jonge vrouw op, met lang donker haar. Ze zat op een blauwe fiets en lachte breed naar de camera. Achterop zat een baby in een fietsstoeltje.

„Bent u dat?” vroeg Floor.

„Dat ben ik”, zei mevrouw Snellen. „In 1974. Met mijn dochter Anja.” Ze pakte de foto van de muur en keek ernaar. „Die fiets heb ik toen gekocht bij je opa. Tweedehands. Ik had bijna geen geld. Mijn man werkte in de fabriek in Eindhoven, en we moesten elk dubbeltje omdraaien.”

Ze legde de foto op tafel.

„Die fiets ging steeds kapot”, vertelde ze. „Lekke banden. Een ketting die eraf liep. Elke keer bracht ik hem naar je opa. En elke keer maakte hij hem. En weet je wat hij ervoor vroeg?”

Floor schudde haar hoofd.

„Niks”, zei mevrouw Snellen. „Nooit één cent. Hij zei: ‚Breng maar eens een stuk taart, Riet.’ Dat deed ik dan.” Ze schoof het bordje met de appeltaart een stukje naar Floor toe. „Grappig, hè. Dat jij nu met taart komt.”

Floor wist niet wat ze moest zeggen. Ze nam een hap. De taart was nog warm.

„Maar waarom heeft u dan getekend?” vroeg ze ten slotte. „Voor de parkeerplaats?”

Mevrouw Snellen zuchtte. Ze aaide Napoleon over zijn grote kop.

„Omdat ik boos was”, zei ze. „Om vijf uur 's nachts ben je altijd boos.” Ze keek naar het raam, naar de schuur van opa, die je vanaf hier precies kon zien. „En omdat het me verdrietig maakt, als ik hem daar zie rommelen. Mijn Harrie was net zo. Altijd aan het knutselen. Hij is twee jaar geleden overleden. Sindsdien is het hier zo stil.”

Floor dacht aan oma Jet. Aan het groene schrift. Ze vertelde het allemaal. Over de tekening van de pannenkoekentandem. Over de markt. Over de Frankenstein-fiets in de heg, en opa's enkel, en De Linde. Het kwam er allemaal uit, als water uit een kraan die je niet meer dicht krijgt.

Mevrouw Snellen luisterde. Ze onderbrak haar niet één keer.

Toen Floor klaar was, stond mevrouw Snellen op. Ze pakte een sleutelbos van een haakje bij de deur.

„Kom eens mee”, zei ze.

Ze liepen door de achtertuin naar een klein houten schuurtje. Mevrouw Snellen moest even aan het slot morrelen. Toen ging de deur open, met een lange piep.

Binnen was het donker en het rook naar stof. Er stond een grasmaaier. Een paar tuinstoelen. En onder een geruit kleed iets lang en hoog.

Mevrouw Snellen trok het kleed weg.

Het was een tandem. Een echte. Donkerblauw, met glimmende spatborden en twee leren zadels. Er zat een beetje stof op, maar verder zag hij er bijna nieuw uit.

„Die hebben Harrie en ik gekocht toen we veertig jaar getrouwd waren”, zei mevrouw Snellen. „Bij je opa, natuurlijk. We reden er elke zondag mee naar de Bossche Broek en terug. Sinds Harrie dood is, heeft hij hier gestaan.”

Floor durfde bijna niets te zeggen. „Hij is prachtig”, fluisterde ze.

Mevrouw Snellen streek met haar hand over het zadel. Ze keek er lang naar.

„Ik weet niet of ik hem kan missen”, zei ze. „Ik moet erover nadenken.”


Die avond kon Floor weer niet slapen. Ze dacht aan de blauwe tandem. Aan de foto van de lachende vrouw. Aan Harrie, die ze nooit had gekend.

Om tien uur stond ze op om water te drinken. Ze keek uit het raam van haar slaapkamer.

En toen zag ze het.

In de schuur van opa brandde licht.