Hoofdstuk 7: De proefrit

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Twee weken lang werkten ze elke dag aan de pannenkoekentandem.

Floor kwam na school meteen naar de schuur. Senna kwam ook, bijna elke middag. Ze had de tekening van oma Jet overgetekend op een groot vel, met alle maten erbij. Het hing nu met punaises aan de muur, naast het oude bord met de prijzen van binnenbanden uit 1992.

Opa had twee oude fietsen uit elkaar gehaald. Een rode damesfiets en een groene herenfiets met een gebogen stuur. Hij had ze achter elkaar gezet en aan elkaar gelast, met een lange stang ertussen. Het zag er een beetje vreemd uit, alsof twee fietsen elkaar een knuffel gaven en niet meer los konden komen.

„Frankenstein”, zei Senna. „Zo moeten we hem noemen.”

„Hij heet de pannenkoekentandem”, zei opa streng. Maar Floor zag dat hij moest lachen.

Boven het achterwiel bouwde opa het bakgedeelte. Een ronde bakplaat die kon draaien, met eronder een klein gasbrandertje. Een emmer met een kraantje erin, voor het beslag. En aan het eind een houten arm met een veer, net als bij de pannenkoekenkatapult. Alles zat met kettingen en tandwielen vast aan de trappers van de achterste fiets.

„Als je trapt”, legde opa uit, „gaat het kraantje open. Er valt een klodder beslag op de bakplaat. De plaat draait langzaam rond. Als de pannenkoek gaar is, is hij bij de arm. De arm klapt omhoog. En de pannenkoek vliegt naar het bordje.”

„En wie houdt het bordje vast?” vroeg Floor.

„Het publiek”, zei opa. „Dat is juist het mooie.”

Floor mocht voorop zitten, om te sturen. Opa ging achterop, om te trappen. Hij had de sterkste benen van de hele Kerkstraat, zei hij altijd. Veertig jaar fietsen proefrijden, dat doet wat met je kuiten.


Op zaterdag 9 november was het zover. De eerste proefrit.

Het was koud en helder. De lucht was blauw als een nieuwe fietsbel. Floor had haar dikke jas aan en haar muts op. Opa had zijn gele regenpak aan, voor de spetters.

Ze reden de tandem uit de schuur, over het pad, de Kerkstraat op. Er kwamen mensen kijken. Papa stond in de voortuin met Bram op zijn schouders. Senna stond op de stoep met een stapel kartonnen bordjes. Mama kwam ook naar buiten, met haar armen over elkaar. Ze zei niks, maar Floor zag dat ze een frons had.

Zelfs mevrouw Snellen stond achter haar raam. Napoleon zat naast haar op de vensterbank.

„Klaar?” vroeg opa.

Floor greep het stuur stevig vast. „Klaar.”

„Gas aan.” Opa draaide het brandertje open. Het blauwe vlammetje floepte aan. „En... trappen!”

Ze zetten af.

De tandem was zwaar. Heel zwaar. Hij slingerde de eerste meters van links naar rechts, en Floor moest al haar kracht gebruiken om recht te blijven. Maar toen kregen ze vaart. De wielen gingen soepeler draaien. De kettingen ratelden. En achter haar hoorde Floor het tandwiel van de bakplaat klikken.

„Het eerste beslag!” riep opa.

Floor durfde niet achterom te kijken. Maar ze rook het. De geur van een bakkende pannenkoek, midden op straat.

„Bordje klaarhouden, Senna!”

Senna hield een bordje omhoog. Ze reden langs haar. Er klonk een klak van de houten arm. En toen vloog er een pannenkoek over Floors hoofd, in een mooie boog door de lucht, en landde op Senna's bordje.

Precies erop.

Senna gilde van blijdschap. Papa juichte. Bram klapte in zijn handjes. Zelfs mama's frons werd een klein beetje minder.

„Hij werkt!” schreeuwde Floor. „Opa, hij werkt!”

„Ik trap wat harder!” riep opa terug. „Dan gaat hij sneller bakken!”

„Nee, niet doen...”

Maar opa deed het al.

Floor voelde de tandem een ruk naar voren maken. Ze gingen sneller. Veel sneller. Het tandwiel achter haar klikte niet meer, het ratelde. En toen hoorde ze een geluid dat ze herkende. Een akelig, hoog piepje.

Het kraantje van de emmer schoot open. Helemaal open.

Er kwam geen klodder beslag meer uit. Er kwam een straal. De bakplaat draaide zo snel dat het beslag er niet meer op bleef liggen. Het vloog eraf, alle kanten op. Over opa's regenpak. Over de straat. En over Floor.

Een dikke, koude golf beslag spatte tegen haar achterhoofd en droop over haar muts naar voren. Recht in haar ogen.

Ze zag niets meer.

„Opa! Ik zie niks!”

„Remmen!”

„Waar is de rem?!”

Ze kneep in iets. Het was de bel. Tring. Ze kneep in iets anders. Dat was wel de rem. Maar te laat. De tandem schoot van de weg af, de stoep op, en reed recht de heg van de familie Van Rooij in.

Het was een ligusterheg. Dik en stevig. De tandem bleef er met het voorwiel in steken en kantelde langzaam naar de zijkant. Floor viel zacht, in de heg zelf, tussen de takjes en het beslag.

Opa viel niet zacht. Hij viel op de stoep.


Floor veegde het beslag uit haar ogen. Ze krabbelde overeind uit de heg. Haar muts was weg en ze had overal schrammetjes. Maar daar dacht ze niet aan.

Opa lag op de grond naast de tandem. Hij hield zijn enkel vast. Zijn gezicht was grauw.

„Opa!”

„Niks aan de hand”, zei opa door zijn tanden. „Niks aan de hand, meisje.”

Maar mama was er al. Ze rende over de stoep, knielde naast hem en voelde aan zijn enkel, met vlugge, zekere handen. Zo deed ze dat in het ziekenhuis, wist Floor. Opa kreunde.

„Niet gebroken”, zei mama na een tijdje. „Wel flink verstuikt. Je mag er de komende twee weken niet op lopen. En zeker niet op fietsen.”

„Twee weken?” zei opa. „Maar de markt...”

„Pa.” Mama's stem was scherp. Floor had haar nog nooit zo tegen opa horen praten. „Hou nou op met die markt. Kijk nou wat er gebeurt. Eerst die fontein. Dan die wekker. En nu dit. Je bent drieënzeventig. Je kunt niet zo doorgaan.”

„Sandra...” zei papa zacht.

Maar mama ging door. Haar stem trilde. „In De Linde is een appartement vrij. Ik wilde het je nog niet vertellen. Maar misschien is het beter, als die schuur toch weggaat. Dan ben je veilig. Dan hoef ik me niet elke nacht af te vragen wat je nu weer aan het bouwen bent.”

Het werd heel stil op straat.

Opa keek naar mama. Toen keek hij naar Floor. Hij zag aan haar gezicht dat ze het al wist. Dat zag Floor. Ze zag het aan de manier waarop zijn schouders zakten.

Papa en mama hielpen hem overeind. Hij leunde op hen allebei en hinkte naar zijn huis. Bij de voordeur draaide hij zich nog één keer om. Hij keek naar de tandem in de heg. Het beslag droop van de bakplaat op de stoep. Het brandertje was uit.

„We stoppen ermee, Floor”, zei hij. „Het is klaar.”

Toen ging de deur dicht.