Hoofdstuk 6: De bladblazer
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Op woensdagochtend lag de hele tuin van opa vol bladeren. Het had 's nachts gestormd. De grote kastanje bij het hek had al zijn blad tegelijk laten vallen, en nu lag er een bruingele deken over het gras, over het pad en over het dak van het kippenhok.
„Om twee uur komen ze”, zei Floor. „Dan moet het hier netjes zijn.”
Senna was er al om negen uur. Ze had een schetsboek bij zich en een etui met wel dertig potloden. Opa had koffie gezet voor zichzelf en warme chocolademelk voor de meiden. Ze stonden met z'n drieën in de deuropening van de schuur en keken naar de bladeren.
„Dat is een hoop vegen”, zei Senna.
„Vegen?” zei opa. „Wie zegt er iets over vegen?”
Hij verdween in de schuur. Ze hoorden geschuif en gerommel. Er viel iets om. Toen kwam hij terug met een apparaat op zijn rug, zoals een rugzak. Er kwam een dikke slang uit, met een brede mond aan het eind. Aan de zijkant hing een grote jutezak.
„De bladzuiger”, zei opa. „Hij zuigt alle bladeren op en stopt ze in de zak. Zo ben je in tien minuten klaar.”
„Is dat dezelfde motor als bij de sokkenmachine?” vroeg Floor voorzichtig.
„Een andere”, zei opa. „Een betere. Van een oude grasmaaier.”
Floor en Senna keken elkaar aan.
„We gaan wel een stukje naar achteren”, zei Senna.
Opa trok aan een koord. De motor sputterde, hoestte en sloeg aan met een geluid als een boze brommer. Er kwam een blauw wolkje uit. Opa richtte de slang op de bladeren.
Eerst werkte het. Het werkte zelfs heel goed. De bladeren verdwenen in de slang, en de jutezak werd dikker en dikker. Opa liep in een rechte lijn over het gras, en achter hem bleef een keurig, groen pad over.
„Zie je wel!” riep hij boven het lawaai uit.
Toen kwam de slang bij de kastanje. En daar lag niet alleen blad. Daar lagen ook kastanjes. Heel veel kastanjes.
De slang zoog er een paar naar binnen. Floor hoorde ze ratelen in de motor. Tak-tak-tak. Toen klonk er een knal. De motor sloeg over. En ineens zoog de bladzuiger niet meer. Hij blies.
Hij blies alles weer naar buiten. Niet alleen de bladeren van de grond, maar ook alle bladeren uit de zak. Het was alsof er een vulkaan van herfst uitbarstte. Een enorme wolk van bruin, geel en oranje schoot de lucht in. En opa, die de slang niet meer in bedwang had, draaide rond als een tol.
„Stop hem!” gilde Floor.
„Waar zit die knop?!” riep opa.
De slang zwiepte naar links. Recht naar het hek. Recht naar de tuin van mevrouw Snellen.
Mevrouw Snellen had haar keukenraam open. Ze luchtte altijd om tien uur 's ochtends, dat wist de hele straat. Floor zag de bladerwolk over het hek zeilen, als een zwerm vogels. Hij vloog door het open raam naar binnen.
Er klonk een gil. Daarna gekletter. Toen een kat die heel hard blies.
Eindelijk vond opa de knop. De motor viel stil. Het werd stil in de tuin. Overal dwarrelden nog bladeren naar beneden. Er zat een blad in Senna's haar. Er zat een kastanje in opa's kraag.
In het keukenraam van mevrouw Snellen verscheen een hoofd. Het zat vol bladeren. Op haar schouder lag een kastanjedop.
Ze zei niets. Ze keek alleen naar opa. Toen deed ze heel langzaam het raam dicht. En dat was nog veel enger dan als ze had geschreeuwd.
Uiteindelijk veegden ze de tuin toch met een bezem. Het duurde twee uur. Om half twee waren ze klaar, en om twee uur precies ging de bel.
Het waren er acht. Senna telde ze. Acht kinderen uit groep 7, met fietsen en rugzakken en gezichten vol nieuwsgierigheid. Opa liet ze de schuur zien. Hij liet de pannenkoekenkatapult zien, die hij nu op een veilige stand had gezet. Bram mocht hem bedienen, en de pannenkoeken landden keurig op een bord, één voor één. De kinderen juichten.
Daarna mochten ze zelf iets bouwen. Opa gaf iedereen een doos met oude onderdelen: schroeven, veertjes, wieltjes en stukjes ijzerdraad. Twee jongens maakten een auto die op een elastiekje reed. Een meisje bouwde een vogelvoederhuisje met een bel erin. Het was rumoerig en vies en geweldig.
Floor ging in de tussentijd de bovenste plank opruimen. Daar lagen dozen die al jaren niet open waren geweest. Ze wilde er ruimte maken voor het gereedschap. Achter de laatste doos zat een laatje, zo klein dat ze het bijna over het hoofd zag. Ze trok eraan. Het klemde. Ze trok harder.
In het laatje lag een schrift.
Het was een oud schrift met een harde, groene kaft. De hoeken waren rond van het vele gebruik. Op de voorkant stond, in sierlijke letters met vulpen: Ideeën. J. en T.
Floor sloeg het open.
Het stond vol tekeningen. Dat zag ze meteen. Tekeningen van machines en wielen en raderen, met pijltjes en kleine aantekeningen ernaast. Sommige in opa's kriebelige handschrift. Maar de meeste in een ander handschrift. Rond en netjes.
Het handschrift van oma Jet.
Floor wist het zeker. Oma had elk jaar haar verjaardagskaart geschreven. Ze had dat handschrift elk jaar gezien, tot drie jaar geleden.
Ze bladerde verder. Halverwege het schrift was een dubbele pagina, helemaal volgetekend. Bovenaan stond in grote letters:
DE PANNENKOEKENTANDEM. Voor de kermis. Ooit!
Het was een tekening van een tandem, een fiets voor twee personen. Voorop zat iemand die stuurde. Achterop zat iemand die trapte. En tussen hen in, boven het achterwiel, zat een ingewikkeld apparaat. Floor zag een bakplaat, een emmer, en een draaiende arm. Er liepen pijltjes van de trappers naar de arm, en van de arm naar een rij bordjes. Op de bordjes landden pannenkoeken.
Onder de tekening stond: Trappen = bakken = gooien. Iedereen een pannenkoek! Jet, mei 1979.
„Opa”, zei Floor. Haar stem klonk raar. „Opa, kom eens.”
Opa kwam. Hij veegde zijn handen af aan zijn overall en kwam naast haar staan. Hij zag het schrift. Toen zag hij de tekening.
Hij zei een hele tijd niets. Hij pakte het schrift heel voorzichtig van haar aan, alsof het van glas was. Met zijn duim streek hij over de letters.
„Die heeft oma bedacht”, zei hij. „Toen we net getrouwd waren. Ze wilde ermee naar de kermis, en dan iedereen gratis pannenkoeken geven.” Hij slikte. „We zijn nooit verder gekomen dan de tekening. Er kwam altijd iets tussen. De winkel. Je moeder. Het leven.”
Senna was ook komen kijken. Ze keek over Floors schouder naar de tekening.
„Die is mooi”, zei ze zacht. „Echt heel mooi.”
Floor keek naar opa. En ineens wist ze het. Ze wist het zo zeker als ze nog nooit iets had geweten.
„Die bouwen we”, zei ze. „Voor de uitvindersmarkt. De pannenkoekentandem.”
Opa keek op van het schrift. Zijn ogen waren een beetje rood. Maar hij glimlachte.
„Ik heb geen tandem meer”, zei hij.
„Je bent fietsenmaker”, zei Floor. „Je maakt er toch gewoon één?”
Opa lachte. Hij klapte het schrift dicht en drukte het tegen zijn borst.
„Allee dan”, zei hij. „We bouwen hem.”
Toen Floor even later de kinderen uitzwaaide bij het hek, keek ze toevallig naar het huis van mevrouw Snellen. Achter het keukenraam stond de buurvrouw. Ze had alles gezien, dat wist Floor zeker. Maar ze keek niet boos. Ze keek naar de schuur met een gezicht dat Floor niet kon lezen.
Toen ze zag dat Floor haar zag, trok ze snel het gordijn dicht.