Hoofdstuk 4: De kippenwekker
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Drie dagen lang bleef de deur van de schuur dicht.
Opa deed boodschappen. Opa las de krant. Opa veegde de bladeren van zijn stoep. Maar hij ging niet naar zijn werkplaats. Als Floor uit school kwam en bij hem aanbelde, zat hij in zijn stoel bij het raam, met de radio aan.
„Wat ga je vandaag uitvinden?” vroeg ze dan.
„Niks, meisje. Ik ben moe.”
Op zaterdag hield Floor het niet meer uit. Ze liep met Bram naar de achtertuin van opa, waar Mientje woonde. Mientje was opa's kip. Ze was bruin met een wit vlekje op haar kop, en ze legde bijna elke dag een ei. Het hok stond vlak naast de schuur.
„Opa”, riep Floor door het open keukenraam. „Mientje heeft gisteren een ei gelegd en niemand heeft het gevonden. Bram is erop gaan staan.”
„Het was per ongeluk”, zei Bram.
„Er moet iets komen dat laat weten wanneer er een ei is”, zei Floor. „Een soort... eierbel.”
Ze zei het niet zomaar. Ze zei het omdat ze opa kende. Ze zag hoe hij zijn krant liet zakken. Hoe hij naar het kippenhok keek. Hoe zijn vingers op de leuning begonnen te tikken, alsof ze al aan het bouwen waren.
„Een eierbel”, mompelde hij. „Hm.”
Een uur later stond hij in de schuur.
Die avond liet opa trots zijn kippenwekker zien. Floor vond het een wonderlijk ding.
Onder het nest van Mientje had opa een plankje schuin gelegd. Als er een ei werd gelegd, rolde dat over het plankje naar beneden, in een gootje van een oude regenpijp. Onderaan het gootje lag een zacht kussentje, zodat het ei niet brak. Maar vlak voor het kussentje tikte het ei tegen een hendeltje. En dat hendeltje zat met een draad vast aan een heleboel andere dingen.
Aan de fietsbel van de paraplufiets. Aan een oude koperen toeter. Aan een lamp in opa's slaapkamer. En aan een plastic eend die kwaakte als je erop drukte.
„Zo weet ik meteen dat ik een vers ei heb”, zei opa. „Dan kan ik het opbakken als het nog warm is.”
„Is het niet een beetje veel?” vroeg Floor. „Die toeter en zo?”
„Ik slaap vast”, zei opa. „Het moet hard.”
Om vijf uur 's nachts werd Floor wakker van een geluid dat ze nog nooit had gehoord.
TRING-TRING-TRING-TRING.
TOEEEEEEET.
KWAK. KWAK. KWAK.
Ze schoot rechtop in bed. Het was pikdonker. Even wist ze niet waar ze was. Toen hoorde ze het weer. De fietsbel, die maar bleef rinkelen. De toeter, die klonk als een boot die de haven in kwam. En daartussendoor, heel dapper, de eend.
Ze rende naar het raam. In de tuin van opa ging de lamp aan en uit, aan en uit. Mientje stond op het dak van haar hok en kakelde alsof ze het zelf ook allemaal heel erg vond.
Overal in de straat gingen lichten aan. Een hond begon te blaffen. Toen nog een. Iemand riep iets uit een raam wat Floor beter niet kon herhalen.
Papa stond ineens naast haar, in zijn onderbroek, met zijn haar rechtop. „Wat is dát?”
„De kippenwekker”, zei Floor.
„De wát?”
Beneden op straat ging een voordeur open. Mevrouw Snellen kwam naar buiten in een lange roze ochtendjas. Ze had een haarnetje op en in haar hand had ze een zaklamp. Achter haar liep Napoleon. Hij zag eruit alsof hij iemand wilde bijten.
Mevrouw Snellen liep recht naar de achtertuin van opa. Floor zag het licht van de zaklamp over het hek zwaaien. Toen hoorde ze haar stem, nog harder dan de toeter.
„TOON VAN GILS! HET IS VIJF UUR!”
Even later kwam opa naar buiten. Hij had zijn pyjama aan en zijn bril op zijn hoofd. Hij liep naar het kippenhok, rommelde wat aan de draad, en toen was het eindelijk stil.
Heel even maar. Toen kwaakte de eend nog één keer. Heel zachtjes. Alsof hij sorry zei.
„Het ei is heel”, hoorde Floor opa zeggen. Hij hield iets omhoog in het licht van de zaklamp. „Kijk, Riet. Helemaal heel.”
Mevrouw Snellen zei niks meer. Ze draaide zich om, liep terug naar haar huis en sloeg de deur zo hard dicht dat de brievenbus ervan klepperde.
De volgende middag zag Floor wat mevrouw Snellen had gedaan.
Ze ging van deur tot deur, de hele Kerkstraat langs. Ze had een klembord bij zich met een vel papier. Floor liep een stukje achter haar aan, zonder dat ze het zag, en las over haar schouder mee bij de deur van de familie Van Rooij.
Wij, bewoners van de Kerkstraat, zijn VOOR de parkeerplaats. Weg met de herrie, de rook, de vliegende pannenkoeken en de sokken in onze bomen.
Eronder stonden al heel veel handtekeningen. Wel twintig. Floor zag de naam van de kaasboer staan. En die van de meneer met de hond van de Markt.
Ze rende naar huis. Ze wilde het aan opa vertellen. Maar toen ze door de achterdeur haar eigen keuken binnenkwam, hoorde ze stemmen. Mama en papa zaten aan tafel. Ze praatten zacht, op de manier waarop grote mensen praten als ze niet willen dat kinderen het horen.
Floor bleef staan in de bijkeuken, tussen de jassen.
„Het was vijf uur 's nachts, Sandra”, zei papa. „De hele straat stond naast zijn bed.”
„Ik weet het.” Mama klonk moe. „En vorige week die fontein. Hij had wel iets kunnen breken. Hij is drieënzeventig, Joost.”
„Misschien is het niet eens zo erg, dat die schuur weggaat.”
Het was even stil. Floor hoorde een lepel tegen een kopje tikken.
„In De Linde is een appartement vrij”, zei mama toen. „Ik heb het gisteren gezien. Op de tweede verdieping, met een balkon. Er is altijd iemand in de buurt. Er is een restaurant. Dan hoeven we ons nooit meer zorgen te maken.”
„En wat zegt je vader daarvan?”
„Ik heb het hem nog niet gevraagd. Ik wil wachten tot de schuur weg is. Dan is er hier toch niks meer voor hem.”
Floor stond heel stil tussen de jassen. Ze rook de natte wol van haar eigen winterjas. Ze hoorde haar hart kloppen in haar oren.
De Linde. Dat was de grote witte flat aan de andere kant van het dorp, naast de supermarkt. Waar oude mensen woonden. Waar je niet mocht boren na zes uur. Waar je geen kip mocht houden.
Waar geen schuur was.
Floor dacht niet aan de parkeerplaats meer. Ze dacht niet aan de uitvindersmarkt, of aan Jesse, of aan mevrouw Snellen met haar klembord. Ze dacht maar aan één ding.
Als de schuur weg was, ging opa ook weg.