Hoofdstuk 3: De sokkensorteermachine

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Het aanmeldformulier lag op opa's keukentafel te drogen. Het was een beetje gekreukeld en de inkt van de letters was uitgelopen, maar je kon alles nog lezen.

Naam van de uitvinder(s): Dat had Floor al ingevuld. Toon van Gils en Floor Verhoeven.

Naam van de uitvinding: Daar stond nog niks.

Het was woensdagmiddag. Floor had geen school, en opa had geen zin. Dat zag ze aan hem. Hij zat aan tafel met een kop koffie die allang koud was, en hij keek naar het formulier alsof het een rekening was.

„Welke uitvinding nemen we mee?” vroeg Floor voor de derde keer.

„Ik weet het niet, meisje.”

„De pannenkoekenkatapult?”

„Die schiet pannenkoeken op ambtenaren.”

„De paraplufiets?”

„Die staat nog steeds open in de schuur. Ik krijg dat ding niet meer dicht.” Opa zuchtte. „Floor, al mijn uitvindingen gaan mis. Allemaal. Dat is gewoon zo.”

„Niet allemaal”, zei Floor. „Wat doet die grote kist met SOKKEN erop?”

Opa keek op. Er kwam een klein, voorzichtig lichtje in zijn ogen. „De sokkensorteermachine”, zei hij. „Die heb ik nooit echt geprobeerd.”


De kist stond achter in de schuur, onder een oud laken. Toen opa het laken eraf trok, wolkte er stof op. Floor moest niezen.

Het was een houten kist, zo groot als een wasmachine. Bovenop zat een grote trechter van blik. Aan de zijkant zat een slang, net als bij een stofzuiger. En aan de voorkant zaten zes laatjes met allemaal een kleur erop geschilderd: wit, zwart, blauw, rood, grijs en gestreept.

„Je stopt alle sokken in de trechter”, legde opa uit. „Dan zuigt de machine ze naar binnen. Binnen zit een draaiende schijf met kleine spiegeltjes. Die kijken welke kleur de sok heeft. En dan blaast hij hem in het goede laatje. Zo heb je nooit meer een sok zonder maatje.”

„Dat is geniaal”, zei Floor. En dat meende ze. Bij hen thuis lag een hele mand met losse sokken. Mama zei altijd dat de wasmachine ze opat.

„Hij is een beetje sterk afgesteld”, zei opa. „De motor komt uit een oude bladblazer.”

„Dat geeft niks. Ik haal sokken.”

Ze rende naar huis. Mama sliep nog, want ze had nachtdienst gehad in het ziekenhuis. Floor sloop naar de bijkeuken en pakte de mand met losse sokken. Er zaten wel vijftig sokken in. Witte gymsokken van papa. Kleine dinosaurussokken van Bram. De zwarte sokken die mama naar haar werk aandeed. En een paar dikke wollen sokken met rendieren, die oma Jet nog had gebreid. Floor twijfelde even. Toen liet ze ze erin zitten.

In de schuur stond opa klaar. Hij had een veiligheidsbril opgezet en een stekker in zijn hand.

„Klaar?”

„Klaar.”

Opa stopte de stekker in het stopcontact.

De machine begon te brommen. Toen te ronken. Toen te brullen. De hele kist trilde. De potten met schroeven op de werkbank rammelden. Floor hield de mand boven de trechter en kieperde hem om.

De sokken verdwenen in één keer. Floor hoorde ze naar binnen schieten. Floep, floep, floep. Binnen in de kist ratelde en zoemde het.

„Hij werkt!” riep ze.

Toen ging het laatje met wit open. Er kwam een witte sok uit. Hij lag er keurig in.

„Hij werkt echt!” riep Floor. „Opa!”

Opa straalde. Hij deed een klein dansje in zijn overall.

Toen begon de machine te piepen.

Het was een hoog, akelig piepje, zoals een fluitketel die op springen staat. De kist begon te schudden. Het schudden werd stuiteren. En toen vlogen alle zes de laatjes tegelijk open, en er kwam een storm van sokken uit.

Ze vlogen overal heen. Tegen het plafond. Tegen de muur. Een zwarte sok sloeg tegen Floors wang. Een dinosaurussok bleef aan een fietswiel hangen. De machine draaide zich langzaam een kwartslag om, als een kanon, en spoot de rest van de sokken recht door de openstaande deur naar buiten.

„Stekker!” riep Floor. „Opa, de stekker!”

Opa dook naar het stopcontact. Met een laatste zucht viel de machine stil.

Het was heel stil in de schuur. Er dwarrelde nog een sok naar beneden. Hij landde op opa's hoofd.


Buiten zag het er niet goed uit.

Er hingen sokken in de heg. Er hingen sokken in de appelboom. Op het dak van opa's schuur lag een witte gymsok van papa. En aan de lantaarnpaal aan de overkant hing, heel hoog, een rode sok te wapperen als een vlaggetje.

In de voortuin van nummer 16 stond mevrouw Snellen. Mevrouw Snellen was de buurvrouw van opa. Ze was al heel oud en ze vond bijna alles vervelend: spelende kinderen, blaffende honden, en vooral opa. Ze had een grote, dikke kat die Napoleon heette. Napoleon zat naast haar op het tuinpad. Over zijn kop hing een grijze sok.

„Toon van Gils!” riep mevrouw Snellen. „Wat is dit?”

„Dat is een sok, Riet”, zei opa.

„Dat zie ik ook wel!”

Napoleon schudde met zijn kop. De sok viel eraf. Hij keek er beledigd naar en liep weg met zijn staart omhoog.

Toen ging bij Floor thuis het slaapkamerraam open. Mama stak haar hoofd naar buiten. Haar haar zat in de war en ze had nog een kussenafdruk op haar wang. Ze keek naar de heg. Naar de appelboom. Naar de lantaarnpaal.

„Floor”, zei ze, heel langzaam. „Zijn dat onze sokken?”


Het duurde de hele middag om alle sokken terug te vinden. Floor klom in de appelboom. Opa haalde de sok van het dak met een lange stok. De rode sok aan de lantaarnpaal kregen ze niet naar beneden. Die bleef daar gewoon hangen.

Ze waren net klaar toen er iemand op een mountainbike de Kerkstraat in kwam. Boven zijn hoofd zoemde iets. Een drone. Een glimmende, zwarte drone met vier propellers en een lampje dat rood knipperde.

Het was Jesse Pronk. Jesse zat bij Floor in de klas. Hij was elf, want hij was een keer blijven zitten, en dat mocht niemand zeggen. Zijn vader had een bedrijf dat drones verkocht. Jesse had altijd de nieuwste spullen. En hij liet dat ook altijd merken.

Hij remde vlak voor Floor. De drone bleef boven hem hangen, als een grote zoemende wesp.

„Hé Floor”, zei hij. „Ik zag jullie in de dorpsapp. In de fontein.” Hij grijnsde. „Mijn moeder heeft het filmpje vijf keer bekeken.”

Floor voelde haar wangen warm worden. „En?”

„Ik hoorde dat jullie meedoen aan de uitvindersmarkt.” Hij keek naar de schuur, en naar opa, die nog een bruine sok in zijn hand had. „Ik doe ook mee. Met de Pronk-Drone 3000. Die kan pakjes bezorgen. Zelf. Zonder dat iemand hem bestuurt.” Hij wees omhoog. „Deze is nog maar het oude model.”

„Fijn voor je”, zei Floor.

„Ik zeg het alleen maar”, zei Jesse. „Jullie hoeven niet eens te komen. Jullie winnen toch nooit.”

Hij trapte weg. De drone zoemde achter hem aan. Bij de lantaarnpaal bleef hij even hangen, pakte met een klein grijpertje de rode sok, en liet hem voor Floors voeten vallen.

Toen was hij de hoek om.

Floor raapte de sok op. Ze kneep er zo hard in dat haar knokkels wit werden.

Achter haar zei opa zacht: „Misschien heeft die jongen wel gelijk, meisje.”

Floor draaide zich om. Opa zag er ineens heel moe uit. Hij liep de schuur in en deed de deur achter zich dicht.

Floor bleef alleen achter op het pad. Ze haalde het aanmeldformulier uit haar jaszak. Bij Naam van de uitvinding schreef ze met grote letters: VOLGT NOG.

Toen liep ze naar het gemeentehuis en gooide het in de brievenbus. Voordat ze zich kon bedenken.