Hoofdstuk 2: De paraplufiets
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Op maandag regende het. Natuurlijk regende het. Floor had de hele dag in de klas naar buiten zitten kijken, naar de grijze lucht en de plassen op het schoolplein. Juf Marieke had twee keer haar naam moeten roepen bij het rekenen.
Om kwart over drie stond opa al bij het hek. Hij had zijn regenpak aan, het gele, waarin hij eruitzag als een grote banaan. Naast hem stond de paraplufiets.
Het was opa's oude transportfiets, zwart en zwaar, met een grote bak voorop. Maar aan het stuur had hij een lange stang vastgeschroefd. En boven op die stang zat een paraplu. Geen gewone paraplu. Het was een enorme, groen-wit gestreepte strandparasol, die nu nog dichtgevouwen was.
Een paar kinderen uit groep 5 bleven staan om te kijken.
„Hij gaat vanzelf open als het regent”, legde opa uit. Hij wees naar een sponsje dat aan een touwtje naast het stuur hing. „Als die spons nat wordt, wordt hij zwaar. Dan trekt hij aan het touw, en dan klapt de paraplu uit. Ik heb er drie weken aan gewerkt.”
„Maar het regent al”, zei Floor. „En hij is nog dicht.”
Opa keek naar de spons. Die hing er druipend bij. „Hij moet even opwarmen”, zei hij.
Floor ging achterop zitten, op de bagagedrager. Opa stapte op en zette af. De fiets slingerde een beetje, want de stang met de parasol was zwaar. Maar toen ze eenmaal reden, ging het best.
Ze reden door de Schoolstraat en langs de bakker. Het regende harder. Floors haar plakte tegen haar voorhoofd en er liep water in haar kraag.
„Opa! Hij gaat nog steeds niet open!”
„Geduld!”
Ze sloegen de hoek om bij frituur 't Hoekske. En precies daar, waar je de Markt op komt, trok de spons eindelijk aan het touw.
Wham.
De parasol klapte met een knal open. Hij was nog groter dan Floor had gedacht. Het was alsof ze ineens onder een tent fietsten. Het regende niet meer op haar hoofd.
„Zie je wel!” riep opa. „Droog als een beschuitje!”
Toen kwam de wind.
Op de Markt waait het altijd harder, want er staan geen huizen in de weg. De wind greep de parasol beet, zoals een hand een vlieger grijpt. De fiets maakte een rukje naar voren. En nog een. En toen gingen ze ineens heel hard.
„Opa, rem!”
„Ik rem!”
Floor hoorde het piepen van de remmen. Maar de wind duwde harder dan opa remde. Ze schoten over de klinkers. Ze zoefden langs de kerk. Een man met een hond sprong opzij. Een duif fladderde verschrikt op.
Op de Markt stonden ook nog een paar kramen van de weekmarkt, die bijna weg wilden. De kaasboer was zijn kazen aan het inpakken. De fiets schoot vlak langs zijn kraam. De rand van de parasol tikte tegen een rij Goudse kazen, en een kaas zo groot als een autoband rolde van de tafel en stuiterde over straat.
„Hé!” riep de kaasboer.
„Sorry!” riep Floor achterom.
Recht voor hen stond het gemeentehuis. Een groot, deftig gebouw met brede trappen. En voor die trappen lag de fontein, met een stenen vis die water uit zijn bek spoot.
„Opa, de fontein!”
„Weet ik!”
„Opa, stúúr!”
Opa stuurde. Hij stuurde naar links. Maar de wind wilde naar rechts. De fiets reed tegen de rand van de fontein, stopte met een schok, en Floor en opa vlogen eroverheen. Plons.
Het water was ijskoud. Floor kwam proestend boven. Ze zat tot haar middel in de fontein, naast de stenen vis. Opa zat naast haar. Zijn bril hing scheef aan het touwtje. Boven hun hoofd stond de parasol nog steeds trots open, vastgeschroefd aan de fiets die half in het water hing.
„Nou”, zei opa. Hij veegde het water uit zijn ogen. „We zijn er.”
De mevrouw achter de balie van het gemeentehuis keek niet eens heel verbaasd toen er twee druipende mensen binnenkwamen. Misschien gebeurde dat vaker in Klompendonk.
„We willen de burgemeester spreken”, zei Floor. Er liep een straaltje water uit haar mouw op de balie.
„De burgemeester is in vergadering”, zei de mevrouw. „Waar gaat het over?”
„Over de schuur van mijn opa. Die mag niet weg.”
De mevrouw tikte iets in op haar computer. Toen pakte ze de telefoon. Een paar minuten later kwam er iemand de trap af. Lang, dun, grijs pak.
Meneer Hagelaar.
Hij bleef staan en keek naar hen. Naar het gele regenpak van opa, waar nog een waterplant aan hing. Naar Floors natte haar. Toen keek hij door het raam naar buiten, naar de fontein met de fiets en de gestreepte parasol erin.
„Meneer Van Gils”, zei hij. „Is dat uw fiets in de fontein?”
„Het is een paraplufiets”, zei opa trots. „Hij werkt prima. Alleen het remmen moet nog beter.”
Meneer Hagelaar zuchtte heel diep. Daarna legde hij uit dat er niets meer aan te doen was. De gemeenteraad had het besloten. Er moest een parkeerplaats komen. De schuur moest weg. Hij zei het allemaal heel rustig en heel beleefd, en hoe beleefder hij het zei, hoe bozer Floor werd.
„Maar u kunt toch een andere plek zoeken voor die auto's?” vroeg ze.
„Dat is niet aan mij”, zei meneer Hagelaar. „Alleen de burgemeester en de raad kunnen dat veranderen. En die hebben het al besloten.” Hij keek op zijn horloge. „Ik moet weer aan het werk. En u moet uw fiets uit de fontein halen. Er is een regel over fonteinen. Die weet ik toevallig zeker.”
Hij liep de trap weer op.
Floor bleef staan in de hal. Er vormde zich een plasje rond haar schoenen. Ze voelde zich ineens heel klein en heel nat. Opa legde een koude hand op haar schouder.
„Kom, meisje”, zei hij zacht. „We gaan naar huis. Je moeder vermoordt me als je ziek wordt.”
Ze liepen naar de deur. En toen zag Floor de poster.
Hij hing op het prikbord naast de uitgang, tussen een briefje over het ophalen van oud papier en een foto van een vermiste kat. Het was een grote, felgele poster met een plaatje van een gloeilamp erop.
GROTE UITVINDERSMARKT KLOMPENDONK. Zaterdag 23 november in gymzaal De Donk. Voor iedereen die iets heeft bedacht! Jury: burgemeester Van den Akker. Hoofdprijs: de Gouden Moer, 250 euro en een gesprek met de burgemeester over jouw idee.
Floor las het één keer. Toen las ze het nog een keer. Haar hart begon te bonken.
„Opa”, zei ze. „Opa, kijk.”
Opa zette zijn bril op. Hij las de poster. Zijn wenkbrauwen gingen langzaam omhoog.
„Een gesprek met de burgemeester”, zei Floor. „Als we winnen, mogen we met haar praten. Dan kunnen we vertellen over de schuur. Dan kúnnen ze het veranderen. Dat zei hij zelf!”
„Floor...”
„Jij bent de beste uitvinder van heel Klompendonk!”
„Ik ben fietsenmaker”, zei opa. „Geen uitvinder.”
„Je hebt een pannenkoekenkatapult gebouwd”, zei Floor. „En een paraplufiets. Fietsenmakers doen dat niet.”
Opa zei niets. Hij keek naar de poster. Hij keek naar buiten, naar de fontein, waar de parasol nog steeds vrolijk boven het water stond. Er stonden een paar mensen omheen. Iemand maakte een foto.
Floor trok een van de aanmeldformulieren los die onder de poster in een plastic mapje zaten. Het werd meteen nat in haar hand.
„We doen mee”, zei ze.
Buiten begon opa te niezen. Drie keer achter elkaar. Toen trokken ze samen de paraplufiets uit de fontein, en duwden hem door de regen naar huis. De parasol kreeg niemand meer dicht.