Hoofdstuk 1: De pannenkoekenkatapult

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Op zaterdagochtend rook de hele Kerkstraat naar pannenkoeken. Dat kwam niet door de bakker. Dat kwam door opa Toon.

Floor Verhoeven zat nog in haar pyjama aan het ontbijt toen ze het hoorde. Eerst een zacht gezoem. Dan een klik. En dan een geluid alsof er een natte handdoek tegen een raam sloeg.

Floor keek op. Tegen het keukenraam plakte een pannenkoek. Hij gleed langzaam naar beneden en liet een vette streep achter op het glas.

„Mam”, zei Floor. „Er hangt een pannenkoek aan ons raam.”

Mama keek niet eens op van haar krant. „Dan is opa wakker.”

Floor schoof haar stoel naar achteren, trok haar laarzen aan onder haar pyjamabroek en rende naar buiten. Haar kleine broertje Bram kwam er meteen achteraan, met een boterham met hagelslag in zijn hand.

Opa Toon woonde in het huis naast hen, op nummer 14. Achter zijn huis stond de schuur. Het was geen gewone schuur. Vroeger was het de winkel van opa geweest. Boven de deur hing nog steeds een houten bord met afgebladderde letters: RIJWIELHANDEL T. VAN GILS. Veertig jaar lang had opa daar de fietsen van het hele dorp gemaakt. Lekke banden, kapotte remmen, kettingen die eraf vlogen. Opa kon alles repareren.

Nu was hij met pensioen. En sinds hij met pensioen was, repareerde hij niets meer. Hij vond dingen uit.

De deur van de schuur stond open. Binnen was het warm en rommelig. Er hingen fietswielen aan de muur, er stonden potten vol schroeven en op de werkbank lag een berg tandwielen. In het midden van de schuur stond iets wat Floor nog nooit had gezien.

Het was een soort houten arm, vastgemaakt aan een oude fietstrapper. Aan het eind van de arm zat een koekenpan. Naast het apparaat stond een gasstelletje met een tweede pan erop, en daarnaast een emmer beslag.

Opa stond ernaast in zijn blauwe overall. Zijn bril hing aan een touwtje om zijn nek, en er zat meel in zijn grijze wenkbrauwen.

„Floor!” riep hij. „Net op tijd. Kijk eens wat ik gemaakt heb.”

„Ik heb het al gezien”, zei Floor. „Hij hangt aan ons raam.”

Opa krabde aan zijn hoofd. „Ja, dat was proefje nummer één. Een beetje te veel kracht. Maar nu heb ik de veer losser gedraaid. Dit is de pannenkoekenkatapult, jonge. Je bakt de pannenkoek, je legt hem in de pan aan de arm, je trapt op de trapper en hup! Hij vliegt zo op je bord. Je hoeft nooit meer op te staan van tafel.”

„Maar je moet toch opstaan om te trappen?” vroeg Bram met zijn mond vol hagelslag.

Opa keek hem even aan. „Daar ga ik nog wat op verzinnen”, zei hij.

Hij schepte beslag in de pan en bakte een mooie, gouden pannenkoek. Toen schoof hij hem met een spatel in de koekenpan aan de arm. Hij zette een bord op een kruk, een paar meter verderop.

„Floor, wil jij trappen?”

Dat wilde Floor wel. Ze zette haar voet op de oude trapper. Hij voelde stroef, alsof er al jaren geen olie meer aan was gekomen.

„Rustig aan”, zei opa. „Niet te hard. Een klein duwtje maar.”

Floor duwde. Er gebeurde niks.

„Iets harder”, zei opa.

Floor duwde harder. Er kraakte iets. Toen schoot de trapper ineens naar beneden. De houten arm zwiepte omhoog, de pan klapte tegen een balk, en de pannenkoek vloog de schuur uit. Hij zeilde over het grasveld, over de heg, recht naar de oprit.

Daar liep op dat moment een man.

Hij was lang en dun en had een grijze regenjas aan. Onder zijn arm droeg hij een map. Hij keek omhoog, net op tijd om te zien wat er op hem af kwam, maar niet op tijd om weg te duiken.

Pats.

De pannenkoek landde precies op zijn hoofd. Hij hing over zijn oren als een slappe muts.

Het was heel even stil. Bram hield op met kauwen. Opa liet de spatel zakken. Floor durfde niet te ademen.

De man tilde langzaam een slip van de pannenkoek op, zodat hij één oog vrij had.

„Goedemorgen”, zei hij. „Ik zoek meneer Van Gils.”


Opa had de man binnen gevraagd en hem een theedoek gegeven. Nu zaten ze met z'n allen in opa's keuken. De man heette meneer Hagelaar en hij kwam van de gemeente. Er zat nog een stukje pannenkoek in zijn haar, vlak boven zijn linkeroor. Floor zag het wel, maar ze durfde er niets van te zeggen.

„Wilt u er stroop bij?” vroeg Bram.

„Bram”, siste Floor.

„Nee, dank je”, zei meneer Hagelaar. Hij veegde zijn bril schoon en sloeg zijn map open. „Meneer Van Gils, ik kom over uw schuur.”

„Mijn werkplaats”, zei opa.

„Uw schuur”, zei meneer Hagelaar. „U heeft er al twee brieven over gekregen. Maar u heeft niet teruggeschreven.”

Opa wees naar een stapel post op het aanrecht. Die was zo hoog dat hij bijna omviel. „Ik lees niet zo graag brieven”, zei hij. „Er staat nooit iets leuks in.”

„Dat klopt”, zei meneer Hagelaar. „In deze ook niet.” Hij schoof een papier over de tafel. „De gemeente Klompendonk gaat een parkeerplaats aanleggen. Voor het nieuwe dorpshuis aan de overkant. De grond achter uw huis is van de gemeente. Dat is altijd al zo geweest. U mocht de schuur er gebruiken zolang u uw winkel had. Maar de winkel is dicht. Dus de schuur moet weg.”

Floor voelde haar maag een raar sprongetje maken. Niet een leuk sprongetje, zoals in een achtbaan. Meer zoals wanneer je merkt dat je je gymtas bent vergeten.

„Weg?” zei ze. „Hoe bedoelt u, weg?”

„Afgebroken”, zei meneer Hagelaar. „Op maandag 2 december komt de sloper.”

Opa zei niets. Hij pakte zijn bril van het touwtje en zette hem op zijn neus. Hij las de brief. Hij las hem nog een keer. Toen legde hij hem neer en keek naar buiten, naar de schuur. Het oude bord boven de deur hing een beetje scheef.

„Daar heb ik veertig jaar gewerkt”, zei hij zacht.

„Dat begrijp ik”, zei meneer Hagelaar. Hij klonk niet gemeen. Hij klonk als iemand die dit al heel vaak had gezegd. „Maar regels zijn regels.”

Hij stond op, deed zijn map dicht en liep naar de deur. Daar draaide hij zich nog één keer om.

„O, en meneer Van Gils? Die vliegende pannenkoeken. Daar is ook een regel voor, denk ik. Ik ga het opzoeken.”

Toen was hij weg.


Floor bleef nog lang bij opa. Ze hielp hem de schuur op te ruimen. Ze veegden het beslag van de vloer en hingen de koekenpan aan een spijker. Opa floot niet, zoals anders. Hij zei bijna niks.

„Opa”, zei Floor ten slotte. „Ze mogen je schuur niet afbreken.”

„Ze mogen het wel, meisje. Dat is het nou juist. Het is hun grond.”

„Dan moeten we iets verzinnen.”

Opa glimlachte een beetje. „Ik verzin de hele dag dingen. Kijk maar.” Hij wees om zich heen. Naar de fiets met de paraplu erop. Naar de grote houten kist met de vreemde trechter, waar SOKKEN op stond. Naar de pannenkoekenkatapult. „Maar ik heb nog nooit iets verzonnen tegen de gemeente.”

Floor keek naar al die rare, prachtige dingen. Ze dacht aan alle zaterdagen die ze hier had doorgebracht. Aan de geur van olie en hout. Aan opa die haar had geleerd hoe je een band plakt, toen ze zes was.

„Dan wordt dat je volgende uitvinding”, zei ze.

Opa keek haar aan over de rand van zijn bril. Even zei hij niets. Toen begonnen zijn ogen te glimmen, net als altijd wanneer hij een idee kreeg.

„Maandag na school”, zei hij, „gaan we naar het gemeentehuis. En we gaan op de fiets.”

„Welke fiets?” vroeg Floor.

Opa wees naar het ding met de paraplu.

Floor slikte. Dat was nou precies de fiets waar ze bang voor was geweest.