Hoofdstuk 9: Zaagsel

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Op maandagochtend bracht Sanne haar moeder naar het station van Lichtenvoorde-Groenlo. Het was een klein station met een perron waar de wind vrij spel had, een kaartautomaat en een bankje met een bordje dat je er niet mocht roken. Ze waren te vroeg. Ellen stond met haar rolkoffer naast zich en keek in de richting waar de trein vandaan moest komen, alsof ze hem daarmee kon dwingen.

„Je gaat naar die Wessel,” zei ze.

„Ja.”

„Doe het niet terwijl je boos bent.”

„Ik ben niet boos.”

Ellen keek haar van opzij aan, met de blik waarmee ze vroeger rapporten had gelezen.

„Je bent zo boos dat je je autosleutels al drie keer in je andere zak hebt gestopt.”

De trein kwam. Ellen tilde haar koffer naar binnen, weigerde hulp, bleef in de deuropening staan en zei: „Ik koop geen aandelen. Dat je het weet.” Ze aarzelde. „Nog niet.”

De deuren schoven dicht voordat Sanne iets kon terugzeggen.


De schuur was open. De machine zeurde niet. Wessel stond aan een werkbank met een beitel en een houten hamer en hakte een uitsparing in een balk, met korte, precieze slagen. Er lag zaagsel op de vloer als verse sneeuw.

Sanne hield haar telefoon omhoog, met de offerte op het scherm.

„Twaalf juni,” zei ze.

Wessel keek ernaar. Hij legde de beitel neer, heel rustig, en de hamer ernaast, recht.

„Ja,” zei hij.

„Ja? Is dat alles?”

„Wat wil je dat ik zeg? Dat staat er. Die heb ik gemaakt.”

„Terwijl ze nog leefde. Terwijl jij elke week bij haar op bezoek ging. Terwijl jij hier deuren maakte en planken en mij vertelde hoe erg het was dat ik nooit kwam.” Haar stem trilde, en ze haatte het. „En op vrijdagavond in De Zwaan sta jij te vertellen dat het pand honderdvijftien jaar van het dorp is geweest. Terwijl je allang wist hoeveel het kost om het te slopen. Omdat jij het hebt uitgerekend.”

Wessel veegde zijn handen af. Hij keek haar niet aan.

„Het was dinsdag,” zei hij.

„Wat?”

„In De Zwaan. Dat was dinsdag, niet vrijdag.”

Ze kon hem wel slaan. Ze had nog nooit van haar leven iemand willen slaan, en nu stond ze in een schuur vol zaagsel met haar vuisten in haar jaszakken.

„Leg het dan uit,” zei ze.

„Waarom? Je hebt het al besloten.” Hij pakte de beitel weer op. „Een Arnhemmer met een tablet stuurt je een pdf, en jij gelooft hem. Prima. Dat mag. Over twee weken zit je weer in Amsterdam, en dan maakt het toch niet uit wie die muren eruit haalt.”

„Dat is niet eerlijk.”

„Nee,” zei hij. „Dat is het niet.”

Ze had weg moeten gaan. Dat wist ze later. Maar ze was moe en verdrietig en er zat nog iets van gisteren in haar, iets van haar moeder op de bank met haar armen over elkaar, en het kwam eruit voordat ze het kon tegenhouden.

„Weet je wat ik denk? Dat jij net zo bang bent als ik. Alleen verstop jij je in een schuur. Je praat tegen hout, omdat hout niet terugpraat. Je doet alsof je niemand nodig hebt, en je kijkt op mensen neer die weggaan, omdat je zelf nooit ergens naartoe durft.”

Het werd heel stil in de schuur. Buiten, op de Brink, riep een kraai.

Wessel legde de beitel neer. Voor het eerst keek hij haar recht aan, en zijn gezicht was niet boos. Het was dicht, als een deur.

„Ga dan,” zei hij zacht. „Dat doet iedereen toch.”


Ze ging. Ze liep terug over de Brink, door de bakkerij, naar het schuurtje achter in de tuin waar Rieks fiets stond, een zwarte Gazelle met een terugtraprem en een mand voorop en banden die ze bij het tankstation in Lichtenvoorde had opgepompt op de dag dat ze krenten kocht. Ze stapte op en fietste het dorp uit. Ze wist niet waarheen. Ze wilde alleen weg van de Brink, van de lindes, van de schuur waar het licht niet aanging.

Het begon te regenen bij de kapel. Niet hard. Gewoon die eindeloze, grijze Achterhoekse regen die er altijd al geweest leek te zijn.

Ze fietste door. Langs de Esweg, waar Rik en Mirthe woonden, langs maïsvelden en weilanden waar koeien met hun koppen omlaag in de regen stonden alsof ze ergens om rouwden. Ze nam een zandpad dat ze niet kende, en nog een. Ze huilde, een beetje, wat je in de regen tenminste niet zag. Haar jeans werden zwaar en koud en plakten aan haar knieën.

Toen klonk er onder haar een doffe knal en zakte haar achterwiel in.

Ze stond midden op een zandweg tussen twee bossen, met een lekke fiets en een telefoon met twaalf procent batterij en geen idee waar ze was. Ze lachte. Wat moest ze anders.

Honderd meter verderop stond een boerderij. Een oude, lage boerderij met een rieten dak dat aan één kant groen uitsloeg en een schuur ernaast met een open deur. Ze liep ernaartoe, met de fiets aan haar hand, die zijn achterwiel over het zand sleepte.

In de schuur zat een oude man op een emmer en sorteerde aardappels.

„Lek,” zei hij, nog voor ze iets had gezegd. Hij keek naar haar fiets. „Dat is de Gazelle van Riek.”


Hij heette Bertus te Brake. Hij was eenentachtig en woonde hier sinds zijn geboorte, alleen sinds zijn vrouw drie jaar geleden was overleden, en hij plakte haar band in vijftien minuten, met een emmer water en een plakset die eruitzag alsof hij uit de oorlog stamde. Daarna zette hij koffie, in een keuken met een plavuizen vloer en een kachel die snorde, en gaf hij haar een droge trui van zijn vrouw, een blauwe, met een rendier erop.

„Die droeg ze met kerst,” zei hij. „Ze zou het niet erg vinden.”

Sanne zat bij de kachel met haar handen om de beker en voelde haar knieën langzaam terugkomen.

„Ik kende Gradus al toen ik nog in de korte broek liep,” zei Bertus. „Hij was vijftien jaar ouder dan ik en een rotjong. Hij gooide met kastanjes naar ons. En toen werd hij bakker en ineens was hij de rustigste man van het dorp. Dat doet brood met je, zei hij. Je kunt niet opschieten. Je moet wachten.” Hij roerde in zijn koffie, die al lang geen suiker meer nodig had. „Riek was degene die alles regelde. Gradus bakte, Riek kende iedereen. Wie ziek was, wie een kind kreeg, wie zijn rekening niet kon betalen. Die kregen gewoon brood. Ze schreef het op in een boekje en dan was het boekje kwijt.”

Hij grinnikte.

„Toen Gradus dood was, dacht iedereen dat ze zou stoppen. Ze was vierenzeventig. Maar de week na de begrafenis stond het halve dorp in de winkel. Niet voor brood. Gewoon om er te zijn. En ze zei: nou, als jullie hier dan toch staan, kan ik net zo goed open blijven.”

„Zeventien jaar,” zei Sanne.

„Zeventien jaar.” Bertus knikte. „Met Henk. En met Wessel.”

Sanne keek op. „Met Wessel?”

„Weet je dat niet?” Bertus keek haar over zijn bril aan. „Zijn vader, Gerrit, is jong overleden. Wessel was negentien. Zijn moeder is daarna naar haar zus in Duitsland gegaan, en Wessel bleef hier, met een timmeropleiding die hij nog niet had afgemaakt en een huurhuis dat hij niet kon betalen. Hij heeft twee jaar boven de bakkerij gewoond. In het kamertje aan de achterkant. Riek gaf hem eten en Gradus gaf hem een sleutel van de schuur aan de overkant, die toen van de bakkerij was, om in te werken. Die schuur heeft hij later van Riek gekocht. Voor een prikje. Riek wilde er eigenlijk niks voor hebben, maar hij wilde per se betalen.”

Sanne zei niets. Ze dacht aan het kamertje aan de achterkant, waar nu dozen stonden, waar ze nog niet eens had gekeken.

„Wessel is niet een prater,” zei Bertus. „Maar hij zou voor die vrouw door het vuur zijn gegaan. Toen die ontwikkelaar er in de zomer al omheen liep te snuffelen, toen Riek nog in De Lindehof lag, heeft Wessel een offerte voor hem gemaakt. Dat vond het hele dorp raar. Dinie was woedend.”

„Waarom deed hij het dan?”

„Omdat Riek het hem vroeg.” Bertus haalde zijn schouders op. „Ze wilde weten wat het kostte. Wat het pand waard was, als het kapot ging. Zodat ze kon uitrekenen hoeveel het dorp nodig zou hebben om het te redden. Zo was ze. Ze hield niet van verrassingen. En Wessel was de enige die ze vertrouwde om het eerlijk op te schrijven.”

Hij nam een slok.

„En in augustus, na de begrafenis, kwam die Van Dalen weer langs en vroeg of Wessel de klus wilde doen. Ik zat toen in De Zwaan. Wessel stond aan de bar. Hij zei geen nee. Hij zei iets anders. Iets wat ik niet ga herhalen tegen een dame in de trui van mijn vrouw.”

Sanne zette haar beker neer. Haar handen waren warm, haar gezicht was warm. Van binnen was het koud geworden.

„Ik heb iets heel stoms tegen hem gezegd,” zei ze.

„Dat doen we allemaal,” zei Bertus. „Bij Wessel helpt het als je daarna iets komt vragen. Hij is slecht met sorry. Hij is goed met klussen.”


Ze fietste terug in de schemering, met droge sokken van Bertus en de rendiertrui onder haar natte jas, langs het zandpad en de Esweg en de kapel. Het was opgehouden met regenen. Boven de maïsstoppels hing een smalle, oranje streep, alsof iemand de horizon met een mes had opengesneden.

Halverwege belde ze Dinie.

„Zaterdag,” zei ze. „Het bod van Van Dalen loopt zaterdag af. Ik wil dat jullie die dag een proefdag houden. In de bakkerij. Echt brood, echte koffie, alles. Ik wil dat iedereen ziet dat het kan. En ik wil dat jullie die dag de toezeggingen ophalen. Geen intenties, geen vage beloftes. Handtekeningen. Bedragen.”

Het bleef even stil aan de andere kant.

„Je wilt het niet aan hem verkopen,” zei Dinie langzaam.

„Ik weet niet wat ik wil. Ik wil weten of het kan. Dat is iets anders.”

„Dat is precies hetzelfde, liefje,” zei Dinie. „Maar ik zal het niet tegen je zeggen.”

Het was donker toen ze op de Brink aankwam. In de schuur van Wessel brandde licht. Ze zette de fiets tegen een linde en liep over het natte gras. De grote deuren stonden op een kier. Ze schoof ze een stukje verder open.

Wessel stond aan dezelfde werkbank als vanochtend, met dezelfde balk. Hij keek op.

„Ik heb een toonbank nodig die niet wiebelt,” zei Sanne. „En een paar rekken. Voor zaterdag.”

Hij keek haar lang aan. Naar de trui, die onder haar jas uitstak. Het rendier.

„Dat is van Dina te Brake,” zei hij.

„Ik had een lekke band.”

„Bij Bertus.”

„Ja.”

Hij knikte langzaam, alsof daarmee een heleboel was gezegd. Wat misschien ook zo was.

„Zaterdag,” zei hij. „Dat is in vijf dagen.”

„Ja.”

Hij pakte de beitel op. Hij keek ernaar, en legde hem toen weer neer.

„Oké,” zei Wessel.