Hoofdstuk 8: Ellen

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Ellen de Groot bleef in de deuropening staan alsof er een onzichtbare drempel was die ze niet over kon. Ze keek naar de toonbank, de rekken, het tegeltableau met de molen. Ze keek niet naar Sanne.

„Hij klemt niet meer,” zei ze.

„Wessel heeft hem gemaakt.”

„Wessel Hoftijzer? Een zoon van Gerrit?” Ellen trok een gezicht. „Gerrit bezorgde hier het brood, op een bakfiets. Hij floot zo vals dat de honden ervan gingen janken.”

„Wessel fluit niet. Wessel zegt bijna niks.”

„Dan heeft hij in elk geval iets geleerd van zijn vader.” Ze rolde haar koffer over de drempel en het belletje rinkelde, dun. Ellen keek omhoog. Iets in haar gezicht trok samen, heel kort, en ontspande weer. „Dat ding klonk vroeger anders.”

„Dat zegt iedereen.”

Ze gingen naar boven. Ellen liep de trap op met haar hand aan de leuning, die Wessel had gemaakt, en zei niets over de leuning. Boven bleef ze staan in de woonkamer, bij het bruine bankstel en de gehaakte kleedjes en de stoel bij het raam, en Sanne zag haar moeder voor het eerst in haar leven iets doen wat op aarzelen leek.

„Ze heeft niks veranderd,” zei Ellen. „In veertig jaar. Niks.”

„Hoe weet je dat? Je bent hier nooit geweest.”

„Ik ben hier wel geweest. Daarvoor.” Ze zette haar tas op de bank. „Ik heb in die slaapkamer geslapen. Daar, waar jij nu slaapt. Drie jaar lang.”


Ze dronken thee aan de keukentafel. Ellen had stroopwafels meegenomen uit Utrecht, in een blik, en zette dat op tafel als een verdedigingslinie.

„Ik ben gekomen omdat je niet opneemt,” zei ze. „Ik heb je zes keer gebeld. Je hebt me twee berichtjes gestuurd. Over brood. Sanne, je bent ziek. Je zit in een burn-out. Je hoort te rusten. En in plaats daarvan sta je om vijf uur 's ochtends in een bakkerij en maak je PowerPoints voor een dorpscomité.”

„Hoe weet je dat van die PowerPoint?”

„Omdat Dinie Lammers mijn nummer nog had. Uit 1981.” Ellen zette haar kopje neer. „Ze belde gisteren om te vragen of ik me nog herinnerde dat ze me ooit een onvoldoende had gegeven voor een opstel over mijn huisdier. Ik had geen huisdier. En toen vroeg ze of ik misschien aandelen wilde kopen.”

Sanne lachte, ondanks zichzelf. Ellen lachte niet.

„Je wordt hier opgeslokt,” zei ze. „Zo gaat dat. Het begint met een pan soep en een kraamvisite en voor je het weet zit je in de carnavalscommissie en heb je geen leven meer. Ze bedoelen het goed. Dat is juist het gevaarlijke.”

„Ik doe het niet voor hen.”

„Voor wie dan wel?”

Sanne had geen antwoord. Ze pakte de brief uit de envelop, die ze in haar broekzak droeg sinds gisteravond, en legde hem op tafel.

Ellen keek ernaar zonder hem aan te raken. Ze herkende het handschrift; dat zag Sanne aan de manier waarop haar kin zich spande.

„Lees maar,” zei Sanne.

„Ik weet wat erin staat.”

„Hoe kun je dat weten?”

„Omdat ze het me zelf heeft gezegd. Twee jaar geleden. Ze belde me. Ze had mijn nummer van Ans, van vroeger. Ze zei dat ze de bakkerij aan jou ging nalaten, en dat ze het me liever zelf vertelde. Dat ze vond dat ik het verdiend had om het van haar te horen.” Ellen keek uit het raam, naar de lindes. „Ik heb opgehangen.”

„Mam.”

„Ik heb gewoon opgehangen. En toen heb ik twee jaar gewacht tot ze terug zou bellen, en dat deed ze niet. En toen kreeg ik een kaartje van de notaris.”


Het kwam er in stukjes uit, die middag en die avond, tussen de thee en de soep van Dinie die er nog steeds was en een wandeling over de Brink die Ellen niet wilde maken en toch maakte.

Sanne wist dat haar opa had gedronken. Dat had haar moeder een keer gezegd, op een toon die betekende dat je er niet verder over moest vragen. Ze had niet geweten hoe erg het was geweest. Dat oma Ans op een gegeven moment Ellen op de bus had gezet, met een koffer, naar Ellekamp, naar haar zus. „Voor een paar weken,” had ze gezegd. Het waren drie jaar geworden.

„Het was het fijnste wat me ooit is overkomen,” zei Ellen. Ze zei het niet zacht. Ze zei het als een verwijt aan zichzelf. „Gradus leerde me deeg kneden. Riek leerde me fietsen zonder handen. Ik zat op De Esch, bij Dinie Lammers, die toen net begon en nog jong was en dacht dat ze de wereld kon veranderen. Ik had vriendinnen. Ik ging naar de kermis. Ik was gewoon een meisje.” Ze schudde haar hoofd. „En toen werd ik achttien, en ik dacht: als ik hier blijf, word ik dit. Dan word ik een bakkersvrouw in een dorp van negenhonderd mensen. En ik wilde iets anders. Ik wilde studeren, ik wilde de stad in, ik wilde niet meer het meisje zijn dat werd opgevangen. Dus ik ging. En ik kwam niet terug. Want als ik terugkwam, zou ik moeten toegeven dat ik er gelukkig was geweest.”

„En ik dan?” vroeg Sanne. „Waarom mocht ik na mijn twaalfde niet meer?”

Ellen zweeg lang. Buiten reed een auto met een aanhanger vol hout over de Brink.

„Omdat je hier zo blij was,” zei ze ten slotte. „Elke zomer kwam je terug en praatte je drie weken over niks anders. Tante Riek dit, oom Henk dat. Oom Henk. Hij was je oom niet eens.” Ze haalde adem. „En toen je twaalf was, belde Riek. Of je niet een jaar bij haar mocht komen wonen. Een jaar maar, om naar De Esch te gaan, te wennen aan een rustiger leven, want je was zo'n gespannen kind, zei ze. En toen dacht ik: ze pakt haar af. Ze pakt jou ook af.”

„Dat was niet wat ze deed.”

„Nee,” zei Ellen. „Dat weet ik nu ook. Maar toen niet.” Ze keek naar haar handen, die op tafel lagen, rimpelig, met een trouwring die ze nog droeg hoewel Sannes vader al acht jaar weg was. „Dus heb ik gezegd dat het niet meer kon. Dat je ging hockeyen in de zomer. Dat je het druk had. En jij hebt het geloofd, want je was twaalf, en daarna was je dertien, en toen wilde je niet meer.”

Sanne stond op en liep naar het raam. Ze keek naar de lindes, naar de schuur van Wessel, waar het licht brandde, naar het krijtbord van De Zwaan waar nu Bingo vrijdag op stond.

„Ze had een stoel voor me klaarstaan,” zei ze. „Elk jaar met haar verjaardag. Dat heeft Wessel me verteld.”

Achter haar was het stil.

„Ik weet het,” zei Ellen. „Ze stuurde me elk jaar een foto. Van die stoel.”


Ellen sliep op de bank. Ze weigerde de slaapkamer, waar Sanne nu sliep, en ze weigerde het bed van Riek, en ze sliep onder een dekbed dat naar kamfer rook, met haar armen over elkaar, zoals ze altijd sliep, als iemand die op de wacht staat.

Zondagochtend nam Sanne haar mee naar De Zwaan, voor koffie en een uitsmijter, omdat er in het pand geen ontbijt was dat niet uit soep bestond. Het café was vol met mensen die uit de kerk kwamen. Henk zat met Thea aan het tafeltje bij het raam.

Hij stond op toen hij hen zag binnenkomen. Hij stond echt op, met zijn pet in zijn hand, en Sanne zag zijn rug protesteren.

„Ellen,” zei hij.

„Henk.”

Ze bleven tegenover elkaar staan. Toen zei Henk: „Je kneedde altijd veel te hard. Gradus zei: dat kind wil het deeg wurgen.”

Ellen keek hem aan. En toen gebeurde er iets wat Sanne nooit eerder had gezien: haar moeder begon te lachen, niet beleefd, niet kort, maar echt, met haar hoofd achterover, en ze sloeg haar hand voor haar mond en haar ogen werden nat.

„Ik wilde het ook wurgen,” zei ze. „Ik wilde alles wurgen, toen.”

Ze gingen bij Henk en Thea zitten. Ze bleven twee uur. Ellen at een uitsmijter met ham en kaas en een plak krentenbrood van Thea's zus uit Vragender, en zei dat het niet zo goed was als dat van Wolters, en Thea zei dat haar zus dat niet hoefde te horen.

Sanne keek naar haar moeder en dacht: wie is dit.


's Middags, terug in de woning, zat Sanne met haar laptop op de bank. Er was een mail binnengekomen van Esselink. Ter informatie bij het bod van mijn cliënt: in de bijlage de bouwkundige quickscan en de verbouwingsbegroting, zodat u kunt zien dat het bod reëel is en op een zorgvuldige berekening is gebaseerd.

Ze opende de bijlage. Een pdf van achtentwintig pagina's. Foto's van het dak, van de goten, van de vochtplek in de kelder die ze zelf nog niet had gezien. Een berekening voor het verwijderen van de oven. Gat in achtergevel, kraanwerk, afvoer. Een plattegrond van twee appartementen, met een balkonnetje aan de lindekant, precies zoals Dinie had gezegd.

En op pagina eenentwintig, een offerte. Timmerwerk en interieurbouw, sloop winkelinventaris, nieuwe indeling begane grond en verdieping. Bovenaan, in een sober lettertype, zonder logo:

Timmerwerk Hoftijzer, Brink 9, Ellekamp.

Gedateerd 12 juni.

Sanne staarde ernaar. Ze scrolde terug, en weer vooruit. Juni. Toen Riek nog leefde. Toen Riek in De Lindehof lag, in Lichtenvoorde, met een gebroken heup, en Wessel volgens Dinie elke week bij haar langsging.

Ze dacht aan de deur die hij had gemaakt, aan de plank met Jesse erin, aan de koffie naast haar op de grond bij de koeienstal. Aan Omdat het honderdvijftien jaar van ons is geweest.

Ellen kwam binnen met twee koppen thee en zag haar gezicht.

„Wat is er?”

Sanne draaide de laptop naar haar toe. Ellen las. Ze zette de thee neer, heel voorzichtig, en ging naast haar zitten.

„Zie je,” zei ze zacht. Er zat geen triomf in. Alleen vermoeidheid. „Zo gaat het hier. Iedereen houdt van je, en iedereen wil iets van je.”

Aan de overkant van de Brink ging het licht in de schuur uit.