Hoofdstuk 7: Een plan op een bierviltje
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Het nieuwe plan begon op een bierviltje.
Dat was niet Sannes idee. Ze had haar laptop meegenomen naar De Zwaan, woensdagochtend om tien uur, toen het café nog dicht was en Gert de stoelen van de tafels haalde. Ze had een leeg document geopend en een titel getypt en was toen blijven hangen, met haar vingers boven de toetsen, terwijl Dinie tegenover haar zat en Jan Bulten, de penningmeester met de ringbaard, koffie inschonk uit een thermoskan.
„Wat wil je zeggen?” vroeg Sanne. „In één zin. Als je iemand bij de deur hebt en hij heeft dertig seconden voordat zijn aardappels aanbranden.”
Dinie dacht na. Jan dacht na. Gert, achter de bar, dacht hardop na.
„Dat we niet weg willen,” zei hij. „Dat is het toch? Dat er straks niks meer is en dan gaan de jongeren weg en dan gaan de ouderen naar een flat in Lichtenvoorde en dan is het hier een slaapdorp met een kerk en een café waar niemand komt.”
„Dat is één zin,” zei Jan. „Maar wel een lange.”
Gert pakte een bierviltje uit de stapel op de bar, draaide het om en schreef er met een balpen iets op. Hij schoof het over de tafel naar Sanne.
Blijft de winkel, dan blijven wij.
Ze keek ernaar. Ze dacht aan de slogans die ze bij Brightwave had bedacht, voor banken en energiebedrijven en een keer voor een merk havermelk, met een team van zes mensen en een budget waar je hier de Brink van kon kopen.
„Dat is goed,” zei ze. „Dat is echt heel goed.”
„Ik weet het,” zei Gert. „Ik heb ook nog een bierviltje waarop ik heb opgeschreven waarom er geen koffiehoek mag komen. Wil je die ook?”
Ze werkte vier dagen aan het plan. Ze wilde het niet, en ze deed het toch, en dat was precies het soort ding waar ze voor gewaarschuwd was.
Ze liep met haar telefoon door het dorp en vroeg mensen of ze een foto mocht maken en een vraag mocht stellen. Bets Gerritsen, de vrouw met de rollator, vierentachtig, die sinds de Spar dicht was één keer per week met de buurtbus naar Lichtenvoorde ging, en die de rest van de week leefde van wat haar buurman meenam. De postbode, Kevin, die uitrekende dat hij in zeven maanden voor achthonderd euro aan tankstationbroodjes had gegeten. Rik en Mirthe met Jesse, die wilden blijven wonen waar ze waren opgegroeid maar niet wisten of er straks nog een school zou zijn. De oude man met de stropdas, die Harm Klein Gunnewiek bleek te heten, eenennegentig, de oudste van het dorp, die zei: „Ik heb in mijn leven acht winkels zien sluiten. Ik wil er graag één zien opengaan. Daarna mag ik.”
Ze schreef het allemaal op. Ze maakte een nieuwe presentatie, zonder cirkeldiagram, met grote foto's en weinig woorden. Ze rekende met Jan het plan opnieuw door. Niet zeshonderd mensen met twee aandelen, maar een opbouw: wie meer kan, geeft meer. Bedrijven uit de omgeving vragen. De boeren met een melkveebedrijf. Gert, onder protest. Een lening bij de bank, maar kleiner, met een garantie van de gemeente, die Jan al eerder had geprobeerd te krijgen maar die toen was gestrand omdat er geen pand was.
„Nu is er een pand,” zei Jan. „Als jij het verkoopt.”
„Ik verkoop het aan Van Dalen,” zei Sanne. „Dat heb ik gezegd.”
„Ja,” zei Jan, en hij sloeg zijn spreadsheet op. „Dat heb je gezegd.”
's Avonds zat ze aan de keukentafel boven, met het schrift van Gradus naast haar laptop, en werkte door. Om elf uur. Om twaalf uur. Om half twee kwam ze bij de dia met de foto van Harm Klein Gunnewiek, en zag ze haar eigen gezicht weerspiegeld in het donkere scherm, met diepe kringen onder haar ogen, en schrok ze. Het was het gezicht dat ze in augustus in de spiegel van de wc bij Brightwave had gezien.
Ze klapte de laptop dicht.
Donderdagochtend stond Henk om zeven uur bij de achterdeur, met zijn thermosfles.
„Je ziet er niet uit,” zei hij.
„Dank je.”
„Hoe laat ben je naar bed gegaan?”
„Laat.”
Hij zette de thermosfles op de werktafel en keek haar aan, lang, met zijn grote handen op het hout.
„Gradus,” zei hij, „heeft in 1988 een hartaanval gehad. Hier. Op deze vloer. Om vier uur 's ochtends, met een baktafel krentenbollen in de oven. Ik vond hem. Hij lag daar en hij zei: Henk, haal die bollen eruit, anders verbranden ze.” Henk schudde zijn hoofd. „Hij is daarna nog eenentwintig jaar blijven bakken. Maar hij ging nooit meer voor vijf uur aan het werk. Riek heeft hem een wekker gegeven die alleen om vijf uur kon. Daar had ze een horlogemaker in Groenlo voor betaald.”
Sanne zei niets.
„Wat ik bedoel,” zei Henk, „is dat het hier niet hoeft. Dat ouwe gedoe van jullie. Dat je jezelf opbrandt voor iets wat het niet waard is. Of voor iets wat het wél waard is. Het maakt niet uit. Je brandt toch op.” Hij schroefde de thermos open. „Vandaag bakken we niet. Vandaag ga je wandelen. En om vijf uur ga je slapen.”
„Om vijf uur 's middags?”
„Als het moet.”
Ze ging wandelen. Ze sliep, niet om vijf uur, maar om negen uur, twaalf uur aan één stuk, en werd vrijdag wakker van de kerkklok en zonlicht op het dekbed en voelde zich voor het eerst in lange tijd niet alsof ze uit een put omhoog moest klimmen.
Op vrijdagmiddag, om half vier, stond er een meisje met een vlecht voor de winkeldeur.
„Papa zegt dat ik je niet mag lastigvallen,” zei Fenna. „Maar het is woensdag.”
„Het is vrijdag.”
„Ja, maar het is mijn papa-week. En hij moet tot zes uur een trap afmaken voor iemand in Zieuwent. Dus eigenlijk is het net een woensdag.” Ze keek langs Sanne heen, naar de bakkerij. „Bak je vandaag?”
Ze bakten. Een kleine portie, alleen boterkoek, uit het schrift. Op de bladzijde stond De echte, niet die van de Spar, en daaronder een lijst ingrediënten zonder één getal, alleen veel boter, nog wat meer boter. Fenna las het hardop voor, met de ernst van iemand die een wet voorleest. Ze drukte met haar duim het deeg in de vorm, kraste er met een vork een ruitjespatroon in en bestreek het met ei, met haar tong tussen haar tanden van concentratie.
„Mijn papa kan niet bakken,” zei ze. „Hij maakt alleen pannenkoeken. Maar die zijn wel lekker. Hij doet er appel in. Mama zegt dat het een wonder is dat hij een vork kan vasthouden zonder er een kast van te maken.”
Sanne lachte. „Woont je mama in Doetinchem?”
„Met Joost. Joost is aardig. Hij heeft een hond.” Ze haalde haar schouders op, op precies dezelfde manier als haar vader. „Papa heeft geen hond. Papa heeft zaagsel.”
Terwijl de boterkoek in de oven stond, ging Fenna aan de werktafel zitten en sloeg het schrift van Gradus open, alsof het haar schoolboek was. Ze bladerde, lachte om de tekening van het kniepertjesijzer, vroeg wat sukade was en wat oostenwind met brood te maken had.
„Er zit iets los,” zei ze toen.
Achter in het schrift, onder het omgeslagen kartonnen kaft, was iets in de vouw geschoven. Een envelop. Wit, dun, met een rand die vergeeld was. Op de voorkant stond Sanne. Hij was dichtgeplakt.
Sanne pakte hem voorzichtig aan. Fenna keek haar aan met grote ogen.
„Is dat een schatkaart?”
„Ik denk het niet.”
„Doe je hem open?”
„Straks,” zei Sanne. „Als de boterkoek eruit is.”
Ze las de brief die avond, toen Wessel Fenna kwam halen en de boterkoek in een doos meenam, met een knikje dat misschien dankjewel betekende. Ze zat in Rieks stoel bij het raam, met uitzicht op de lindes, en het licht van de ene lantaarnpaal op de Brink.
Lieve Sanne,
Als je dit leest, ben ik er niet meer en ben jij er wel. Dat is precies de verkeerde volgorde, maar zo gaat het meestal.
Ik weet niet wat je met de bakkerij gaat doen. Dat hoef ik ook niet te weten. Ik wil alleen dat je weet waarom ik hem aan jou geef en niet aan je moeder. Ellen heeft hier drie jaar bij mij gewoond, toen ze vijftien was en het thuis niet ging. Daar zal ze je niet veel over verteld hebben. Ze was hier gelukkig, denk ik, maar dat mocht ze niet van zichzelf, en op haar achttiende is ze vertrokken en niet meer teruggekomen. Ik heb haar nooit kwalijk genomen dat ze wegging. Ik heb haar wel kwalijk genomen dat ze jou meenam. Dat was niet eerlijk van mij. Daarom krijgt zij deze brief niet. Zij weet het al.
Jij was er gek op, hier. Op de wegge, op de oven, op onder de toonbank zitten. Ik denk dat je dat bent vergeten. Ik wil niet dat je hier gaat wonen omdat je je schuldig voelt. Verkoop het als je moet. Ik zou het je niet kwalijk nemen. Maar bak eerst één wegge, en eet er een plak van, met boter, en kijk dan wat je wilt.
En als je Henk ziet: hij had gelijk, het was te zoet. Zeg het Gradus niet.
Je tante Riek
Sanne vouwde de brief dicht en weer open en weer dicht. Ze had al een wegge gebakken. Twee zelfs. Ze had er een plak van gegeten, de derde, de bakkersplak.
Ze wist nog steeds niet wat ze wilde.
Zaterdagochtend om half elf rinkelde het belletje. Sanne kwam de trap af, in de witte bakkersbroek, met haar haren in een knot. In de deuropening stond een vrouw in een donkerblauwe regenjas, met een rolkoffer en een uitdrukking op haar gezicht alsof ze een pijnlijke tand had.
„Je neemt je telefoon niet op,” zei Ellen de Groot.