Hoofdstuk 6: De Zwaan

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Het kantoor van Brightwave lag op de vierde verdieping van een gebouw aan de Wibautstraat dat vroeger een drukkerij was geweest en daar nu trots op was. Er hingen oude zetkasten aan de muur als decoratie, met loden letters erin die niemand meer gebruikte. In de lift hing een scherm met de omzet van het kwartaal.

Sanne stond om tien uur bij de receptie en kreeg een bezoekerspasje.

„Het is een tijdelijk systeem,” zei het meisje achter de balie verontschuldigend. „Omdat je pas uit het systeem bent gehaald. Dat gebeurt automatisch na zes weken afwezigheid.”

Ze had zeven jaar in dit gebouw gewerkt. Ze had de koffiemachine helpen uitkiezen. Ze droeg een sticker met BEZOEKER op haar borst.

Mark kwam haar halen, in een trui met een kraag die waarschijnlijk meer had gekost dan haar fiets, en omhelsde haar met beide armen, waarbij hij op haar rug klopte zoals je bij een goede vriend doet die uit het ziekenhuis komt. Ze liepen langs de open werkplekken. Mensen keken op van hun schermen, glimlachten, zwaaiden. Een paar kwamen naar haar toe. Sanne! Hoe is het? Je ziet er goed uit! Wat ben je bruin! Ze was niet bruin. Ze had drie dagen in de wind op een Brink gestaan.

De vergaderkamer heette Lissabon. Alle vergaderkamers waren naar steden genoemd. Er zat een vrouw van HR die ze niet kende, met een laptop en een glimlach. Er stond een schaal met fruit op tafel. Sanne keek naar de bananen en moest ineens denken aan de brief van de notaris.

„We willen het je zo makkelijk mogelijk maken,” zei de vrouw van HR. „Een opbouwschema. Vanaf half november twee ochtenden per week. Geen klantcontact in het begin. Gewoon weer wennen.”

„En Nordbank?” vroeg Sanne.

„Nordbank is een mooi vooruitzicht,” zei Mark. „Een stip op de horizon. Als het goed gaat, en dat gaat het, zou het fijn zijn als je vanaf januari weer meedraaide. Jij bent de beste die we hebben voor dat soort klanten. Dat weet je.”

Ze wist het. Dat was het probleem. Ze was er goed in geweest, zo goed dat niemand had gemerkt dat ze steeds kleiner werd, als een kaars die van binnen opbrandt maar van buiten nog dezelfde vorm heeft.

Ze zei dat ze erover na zou denken. Ze zei dat het een goed plan was. Ze dronk een kop koffie uit de machine die ze zelf had helpen uitkiezen, en die smaakte naar karton, dat had hij altijd al gedaan, dat was haar alleen nooit opgevallen.

Om kwart over twaalf stond ze buiten, op de Wibautstraat, tussen de trams en de fietsers en de mensen met oortjes in. Ze had zich voorgenomen nog een paar dagen in haar eigen huis te blijven. Haar planten water te geven. De post open te maken.

Om half een zat ze in de Yaris op de A1.


Ze kwam om tien voor acht aan op de Brink, met natte haren van een bui bij Lochem en een maag die alleen een broodje van een tankstation had gehad. De ramen van De Zwaan waren beslagen. Er stonden fietsen tot aan de lindebomen, kriskras door elkaar, sommige tegen elkaar aan geleund als oude mensen op een bankje.

Binnen was het warm en vol. De zaal achter het café, met een houten vloer en een klein podium met een rood gordijn, rook naar bier en natte jassen en de frituur. Er stonden rijen klapstoelen, en ze waren allemaal bezet. Mensen stonden langs de muren. Sanne herkende er een paar: de vrouw met de rollator, de postbode, Rik van de kraamvisite met de babyfoon nog altijd aan zijn riem, de oude man met de stropdas. Henk zat helemaal vooraan, met zijn pet op zijn knie, naast een kleine vrouw met grijs krulhaar die Thea moest zijn.

Wessel stond achterin, tegen de bar. Hij zag haar binnenkomen en schoof een halve meter op, zodat er naast hem een plekje vrij was. Hij zei niets. Ze ging er staan.

Op het podium stond Dinie met een microfoon die ze niet nodig had, naast een scherm waarop een PowerPoint werd geprojecteerd. De eerste dia had een foto van de Brink, iets scheef, met daaroverheen in een lettertype dat Sanne pijn deed aan haar ogen: ELLEKAMP BLIJFT! Plan voor een dorpswinkel. Er stond een uitroepteken achter. Er stond een clipart-afbeelding van een winkelmandje naast.

„We willen het samen doen,” zei Dinie. „Als dorp. Als noaber. Zoals we het altijd hebben gedaan.”

Ze legde het plan uit. Het was goed, in de kern. Een coöperatie, Dorpswinkel Ellekamp, waarin iedere inwoner lid kon worden. Leden kochten aandelen van vijftig euro. Met dat geld, plus een lening, plus een subsidie van de gemeente die ze misschien konden krijgen, zouden ze het pand van Riek kopen. Een kleine winkel voor de dagelijkse boodschappen. Een koffiehoek. Een plek voor de bieb-bus, die nu op de parkeerplaats bij de kerk stopte. En brood, als ze een bakker konden vinden. Vrijwilligers achter de kassa.

Toen kwamen de getallen. Dinie las ze voor van een A4'tje dat in haar hand trilde.

„We hebben uitgerekend dat we, als zeshonderd mensen elk twee aandelen kopen, zestigduizend euro hebben,” zei ze. „Dan hebben we nog een lening nodig van...”

Ze aarzelde.

„Van tweehonderdduizend,” zei de penningmeester, een man met een ringbaard die naast haar zat.

In de zaal werd gemompeld. Iemand vroeg wie die lening dan zou geven. Iemand anders vroeg wie die dan moest terugbetalen. Een vrouw achterin riep dat haar zus in een dorp bij Winterswijk ook zoiets had gehad, en dat het na een jaar dicht was gegaan omdat er niemand meer achter de kassa wilde staan. Een man zei dat hij liever zag dat er nieuwe huizen kwamen, voor jongeren, want zijn kinderen konden hier niks vinden. Gert van het café zei dat hij in elk geval geen concurrentie wilde van een koffiehoek.

Het ging alle kanten op. Dinie probeerde het in goede banen te leiden. Ze klikte naar de volgende dia, waar een cirkeldiagram op stond dat niets duidelijk maakte, in vijf tinten groen.

Sanne voelde iets in zich omhoogkomen. Het was niet de paniek van de wc, niet de dichtgeknepen borst van de koeienstal. Het was ouder dan dat. Het was het gevoel dat ze vroeger had in vergaderingen waar iemand een goed idee slecht verkocht: een soort ongeduld in haar vingers.

Ze keek opzij. Wessel stond met zijn armen over elkaar.

„Ze gaat het verliezen,” zei Sanne zacht.

„Ja.”

„Waarom zeg je niks?”

„Ik ben timmerman,” zei hij. „Ik zeg nooit iets op dit soort avonden.”

Toen deed hij het toch.

Iemand vooraan, een vrouw met een jas van een duur merk, die volgens het gefluister om Sanne heen pas twee jaar in het dorp woonde, in een verbouwde boerderij aan de Haarloseweg, stond op en zei: „Met alle respect, Dinie. Maar is het niet een beetje naïef? De erfgenaam wil verkopen. Er ligt een bod. Waarom zouden we doen alsof het pand van ons is?”

Het werd stil.

Wessel haalde zijn armen niet van elkaar. Hij zei, niet eens hard, vanaf de bar: „Omdat het honderdvijftien jaar van ons is geweest.”

Iedereen draaide zich om. Hij keek niemand aan. Hij keek naar het scherm, naar de scheve foto van de Brink.

„Elke kraamwegge in dit dorp kwam uit die oven,” zei hij. „Elke begrafenis had krentenbrood van Wolters. Mijn vader heeft daar zijn eerste baan gehad, als bezorger, op een bakfiets. Ik heb er als kind in de vitrine mijn eerste gevulde koek aangewezen. Dat is niet naïef. Dat is gewoon waar het over gaat.” Hij haalde zijn schouders op. „Of het genoeg is, weet ik niet. Maar dat is waar het over gaat.”

Niemand zei iets. Dinie keek naar hem vanaf het podium met haar mond een beetje open.

En toen, voordat ze er goed over had kunnen nadenken, hoorde Sanne zichzelf praten.

„Jullie pitch is slecht.”

Honderdvijftig hoofden draaiden zich naar haar om.

Haar hart klopte in haar keel. Ze dacht: wat doe ik. Ze dacht: dit is niet van mij. Ze dacht: ik ben hier met verlof, ik ben ziek, ik ben bezoeker. Maar haar mond was al bezig, en hij deed wat hij zeven jaar lang had gedaan bij Brightwave.

„Sorry,” zei ze. „Dat klonk harder dan ik bedoel. Het plan is goed. Het idee is goed. Maar jullie beginnen met geld, en daar haken mensen af. Je moet beginnen met wat je verliest als het niet doorgaat. Met wat hij net zei.” Ze knikte naar Wessel, zonder hem aan te kijken. „En jullie getallen zijn te groot en te vaag. Niemand kan zich iets voorstellen bij tweehonderdduizend euro. Maar iedereen weet wat het kost om elke week naar Lichtenvoorde te rijden voor een pak melk. Zet dat erin. Hoeveel ritten, hoeveel kilometer, hoeveel mensen hier geen auto hebben. Zet foto's erin van échte mensen, niet van een winkelmandje. En dat cirkeldiagram...” Ze haalde adem. „Dat moet eruit.”

Er werd gelachen. Eerst een paar mensen, toen meer. De oude man met de stropdas klapte in zijn handen.

Dinie keek haar aan vanaf het podium. Haar ogen glinsterden, en dit keer niet van ontroering.

„Zo,” zei ze in de microfoon, „dan weet ik in elk geval wie ons gaat helpen met een nieuwe presentatie.”

„Nee,” zei Sanne. „Nee, ik bedoel... Ik ga het pand verkopen. Ik kan niet...”

„Je hebt er een week de tijd voor,” zei Dinie onverstoorbaar. „Volgende dinsdag gaan we langs de deuren. Dan moet het goed zijn.”

Naast haar, aan de bar, hoorde Sanne een geluid dat ze in eerste instantie niet herkende. Ze keek opzij.

Wessel lachte. Zacht, met zijn mond dicht, zodat het alleen uit zijn neus kwam. Maar hij lachte.

„Wat?” zei ze.

„Niks,” zei hij. „Je bent er gewoon net zo slecht in als Riek.”

„Waarin?”

„In nee zeggen.”