Hoofdstuk 10: Proefdag
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Vijf dagen is niets. Vijf dagen is een werkweek, een vakantie die net te kort is, de tijd die een pakketje uit China nodig heeft. Maar in die vijf dagen gebeurde er in Bakkerij Wolters meer dan in de zeven maanden ervoor.
Dinie zette een tafel in De Zwaan en noemde het het hoofdkwartier. Ze had een lijst met namen en telefoonnummers, en een tweede lijst met namen die ze nog niet had maar wel zou krijgen, en ze belde vanaf acht uur 's ochtends iedereen die ooit een voet in Ellekamp had gezet. Jan Bulten maakte formulieren voor de toezeggingen, op papier, want, zei hij, „een handtekening op een scherm is geen handtekening, dat is een veeg”. Gert van het café zei dat hij nog steeds tegen de koffiehoek was en zette toen zelf drie thermoskannen klaar, voor zaterdag.
Kevin de postbode deed flyers in elke brievenbus. Op de voorkant stond een foto van de Brink, recht dit keer, en daaronder het bierviltje van Gert, letterlijk, gefotografeerd op een tafel van De Zwaan, met de koffiekring er nog op. Blijft de winkel, dan blijven wij. Zaterdag 24 oktober, proefdag in Bakkerij Wolters, vanaf zeven uur.
Henk kwam elke ochtend. Hij liet Sanne het roggebrood zetten, wat zestien uur duurde, niet sjoemelen, en liet haar het zelf opnieuw doen toen ze op dinsdag de oven drie graden te laag had gezet. Hij leerde haar appelflappen vouwen, zodat ze niet openbarsten. Hij leerde haar de Hobart lezen zoals je een oude hond leest: wanneer hij wil, wanneer hij moe is, wanneer hij gaat bijten.
En Wessel werkte 's nachts.
Ze hoorde hem pas op woensdagnacht. Om twee uur werd ze wakker van een zacht schrapend geluid onder haar, een geluid dat ze niet kende. Ze liep op blote voeten de trap af. In de winkel brandde één lamp. De oude toonbank stond in het midden van de ruimte, op zijn zijkant, als een gestrande walvis, en Wessel lag eronder op een deken, met een zaklamp in zijn mond en een schaaf in zijn hand.
Hij haalde de zaklamp uit zijn mond toen hij haar zag.
„De poten waren rot,” zei hij. „Allemaal. Hij stond al jaren op de vitrine, niet op zijn poten. Een wonder dat hij nooit is ingezakt.”
„Het is twee uur 's nachts.”
„Overdag heb ik werk.” Hij schoof onder de toonbank vandaan en ging rechtop zitten, met zaagsel in zijn haar. „Ik moet die trap voor Zieuwent afmaken. Die mensen hebben al drie maanden geen trap. Ze gaan met een ladder naar bed.”
Sanne ging naast hem op de tegels zitten, in haar pyjama, met haar armen om haar knieën.
„Ik heb het kamertje achter gezien,” zei ze. „Met de dozen.”
Hij zei niets.
„Bertus heeft het me verteld. Van je vader. En dat je hier hebt gewoond.”
„Bertus praat te veel.”
„Bertus heeft mijn band geplakt en me een trui met een rendier gegeven. Bertus mag alles.”
Hij schoof de schaaf over de vloer, heen en weer, langzaam.
„Ik had het je moeten zeggen,” zei hij toen. „Van die offerte. Dat Riek het vroeg. Ik dacht... Ik weet niet wat ik dacht. Dat het niet uitmaakte. Dat je toch zou gaan.” Hij keek naar de schaaf. „En je had gelijk. Over het hout.”
„Ik had geen gelijk. Ik was gemeen.”
„Je kunt allebei tegelijk zijn.” Hij haalde zijn schouders op. „Dat leer je met een dochter van negen.”
Ze bleven een tijdje zo zitten, op de koude tegels, met de lamp en de toonbank op zijn kant. Toen stond Sanne op en zette koffie, boven, en kwam terug met twee mokken, en ze dronk de hare zittend op de trap terwijl hij nieuwe poten onder de toonbank zette, van eikenhout, met pennen in plaats van schroeven, omdat schroeven, zei hij, op een dag gaan roesten en pennen niet.
„Dat is ook hoe Gradus het zou willen,” zei hij.
„Hoe weet je dat?”
„Hij heeft het me geleerd. In die schuur.” Hij tikte een pen op zijn plek, met een paar zachte slagen van de hamer. „Gradus zei: een bakker en een timmerman doen hetzelfde. Je maakt iets wat mensen elke dag gebruiken en waar ze nooit over nadenken. Als ze erover nadenken, heb je het slecht gedaan.”
Op vrijdagmiddag stond de toonbank weer op zijn plek, op vier nieuwe poten, met een blad dat Wessel had geschuurd en geolied tot het glansde als honing. Hij wiebelde niet. Je kon erop leunen met je volle gewicht, en Fenna, die vanaf vrijdag weer een papaweek had, deed het om te testen, en klom er toen bovenop en ging staan, tot Wessel haar er met één arm af tilde.
Er stonden nieuwe rekken, eenvoudig, van steigerhout, en een plank aan de muur voor de koffiekopjes. Het tegeltableau met de molen was schoongemaakt door Thea, met een tandenborstel. De kalender van de meelfabriek hing op oktober.
„Je moet hem op november zetten,” zei Henk. „Een kalender loopt voor. Anders is het alsof je terugkijkt.”
Ze begonnen om drie uur 's nachts.
Henk was er, en Thea, die zei dat ze er was om Henk in de gaten te houden en vervolgens vier uur lang krentenbollen vormde met de snelheid van een machine. Fenna sliep op een stapel meelzakken in de hoek, onder Wessels jas, omdat ze per se de eerste bollen uit de oven wilde zien. Dinie kwam om vijf uur met een kratje eieren en een gezicht alsof ze een oorlog ging winnen.
De Werner draaide op volle kracht. Het was warm in de bakkerij, zo warm dat de ramen besloegen en Sanne haar mouwen tot haar ellebogen opstroopte. Ze bakten witte bollen en bruine bollen, casino's en volkoren. Roggebrood dat sinds woensdag had staan wachten, in zijn blikken, en dat zwart en zwaar en glanzend uit de oven kwam en rook als een bos na de regen. Appelflappen. Twee platen boterkoek, de echte. En vier krentenweggen, elk ruim een meter, die ze samen met Henk in de oven schoof op het ritme van zijn „hup”.
Om half zeven keek ze naar buiten. Het was nog donker. Op de Brink, onder de lindes, stond een rij.
Een echte rij. Twintig mensen, misschien dertig, met jassen en sjaals en thermosbekers, sommigen met kinderen aan de hand, een paar met honden. Bets Gerritsen met haar rollator, vooraan. Kevin, in zijn vrije tijd. Harm Klein Gunnewiek, met zijn stropdas, op een klapstoeltje dat iemand voor hem had meegenomen. Bertus te Brake, in een jas die net zo oud leek als zijn plakset.
„Godallemachtig,” zei Henk zacht, naast haar bij het raam.
Om zeven uur draaide Sanne het bordje om. Ze had het zelf geschreven, die nacht, met een stift op de achterkant van het oude kartonnetje: Vandaag open. Proefdag. Daaronder, kleiner: Dank voor uw klandizie.
Het belletje rinkelde. Het klonk dun. Niemand kon het horen, want de hele Brink praatte tegelijk.
Ze verkochten alles.
Om negen uur was het witbrood op. Om half tien de krentenbollen. De rij hield niet op; als er vooraan iemand wegging, sloot er achteraan iemand aan. Het werd licht, en daarna een beetje zonnig, en Gert zette tafels buiten onder de lindes en schonk koffie uit zijn thermoskannen, in kopjes van De Zwaan, en zei tegen iedereen die het wilde horen dat dit eenmalig was.
Aan een tafel bij de deur zaten Dinie en Jan, met de formulieren. Er stond een rij voor de tafel, en die werd ook niet korter. Mensen schreven bedragen op. Vijftig euro. Honderd. Twee aandelen, vier, tien. Een jonge vrouw met een baby in een draagzak tekende voor vijfhonderd euro en zei: „Dat is wat ik in een jaar aan benzine naar de Jumbo kwijt ben.” Een melkveehouder van de Haarloseweg kwam binnen in zijn overall en zei tegen Jan dat hij vijfduizend wilde geven, „maar zet maar niet op de lijst, mijn vrouw hoeft het niet te weten”. Bertus tekende voor twee aandelen en zei dat het er drie hadden moeten zijn, maar dat de derde van Dina was, en dat Dina altijd al zuinig was geweest.
Sanne stond achter de nieuwe toonbank, in Rieks witte broek, met meel op haar gezicht en haar haar uit haar knot, en zei honderd keer „wat mag het zijn” en tweehonderd keer „dank u wel”, en werd niet moe. Of wel moe, maar het andere moe. Het moe van iets.
Om kwart over negen gebeurde het.
Henk stond in de bakkerij en tilde een plaat roggebrood uit de oven, zelf, omdat Sanne voorin stond en Thea net naar de wc was. Een plaat van een kilo of twaalf. Niks bijzonders, voor iemand die dat bijna vijftig jaar had gedaan. Sanne hoorde het geluid zelfs aan de toonbank: een korte, scherpe uitroep, en dan een klap van metaal op tegels.
Ze rende naar achteren. Henk stond voorover gebogen bij de werktafel, met beide handen op het hout, en zijn gezicht was grauw.
„Niks,” zei hij tussen zijn tanden. „Niks aan de hand.”
Het roggebrood lag over de vloer.
Thea was er binnen tien seconden. Ze zei niets tegen Henk, geen verwijt, niks. Ze sloeg alleen haar arm om zijn middel, zoals je dat doet bij iemand met wie je al vijfenveertig jaar getrouwd bent, en zei: „Kom. Naar huis.”
Wessel reed hen in de Caddy naar de Kerkstraat. Henk zat voorin, met zijn hoofd tegen de hoofdsteun en zijn ogen dicht. Toen Sanne bij het portier stond, deed hij zijn ogen open.
„Het is mijn rug, meisje,” zei hij. „Het is niet jouw schuld. Maar ik kan je niet meer helpen. Niet zo. Dat moet je weten.” Hij pakte haar hand en kneep erin, met zijn grote, verbrande vingers. „Je moet het zelf doen. Of je moet het niet doen.”
Om elf uur was alles op. Elke bol, elke flap, elk kruimeltje boterkoek. De vier weggen waren in plakken verkocht, en de laatste plak was naar Harm Klein Gunnewiek gegaan, die hem in zijn zakdoek wikkelde en zei dat hij hem bewaarde voor zijn verjaardag, volgende week. Hij werd tweeënnegentig.
Sanne zat op de stoep, op dezelfde plek als drie weken geleden. Fenna zat naast haar en at een appelflap die ze had verstopt. Op de Brink ruimden mensen de tafels op.
Dinie kwam naar buiten met de formulieren tegen haar borst.
„Jan heeft geteld,” zei ze. „Met de toezeggingen van vandaag, met wat we al hadden, met wat de bank onder voorwaarden wil lenen, met de garantie van de gemeente als we die krijgen...” Ze haalde adem. „Honderdachtenzestigduizend vierhonderd euro.”
Het was veel. Het was meer dan Sanne had durven hopen. Het was niet genoeg.
Haar telefoon trilde in haar schortzak. Ze keek. Twee berichten. Het eerste van Mark: Hoi Sanne! Hoe staat het met het opbouwschema? HR wil maandag graag een bevestiging. Spreek je snel! Het tweede was een mail van Esselink.
Geachte mevrouw De Groot, mijn cliënt heeft vernomen dat er in het dorp vandaag een actie was. Hij respecteert dat, maar wil graag duidelijkheid. Hij verhoogt zijn bod tot € 320.000 kosten koper. Dit bod verlengt hij tot uiterlijk maandag 26 oktober, 12.00 uur. Daarna trekt hij zich definitief terug.
Ze liet het scherm aan Dinie zien. Dinie las het. Ze zei niets. Ze ging naast Sanne op de stoep zitten, met de formulieren op haar schoot, en zo zaten ze daar, drie op een rij, een oude vrouw, een moe meisje van negen en een vrouw van vierendertig in een te korte bakkersbroek, met een lege bakkerij achter zich en de lindes voor zich en het getal 320.000 tussen hen in, als iets wat nog moest rijzen.