Hoofdstuk 11: Twaalf uur
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Op zondag was de bakkerij stil. De Werner was uit, de Hobart sliep, de rekken waren leeg op een paar verdwaalde kruimels na. Het rook nog naar gisteren, naar roggebrood en kaneel en koffie, maar het was een geur die al aan het wegtrekken was, zoals een feest de ochtend erna.
Sanne zat aan de werktafel met een blocnote, een rekenmachine van Riek met grote knoppen en het schrift van Gradus, dat ze niet nodig had, maar dat ze erbij had gelegd zoals je iemand meeneemt naar een moeilijk gesprek.
Ze schreef twee kolommen.
Links: Van Dalen. € 320.000. Daaronder: huur Amsterdam voor drie jaar. Een buffer. Tijd. Geen zorgen. Terug naar Brightwave in november, twee ochtenden, Nordbank in januari. Of niet terug, en iets anders zoeken, met geld achter de hand. Alles was mogelijk met driehonderdtwintigduizend euro. Dat was het mooie eraan.
Rechts: Coöperatie. € 168.400. Daaronder schreef ze niets. Ze staarde naar het getal. Toen schreef ze eronder: Geen bakker.
Want dat was het echte probleem, en dat wist iedereen, ook al had niemand het gisteren hardop gezegd. Een dorpswinkel met vrijwilligers achter de kassa, dat kon. Dat gebeurde op meer plekken. Maar een bakkerij zonder bakker was een winkel met een oven waar je planten op kon zetten. En Henk lag thuis op de bank met een warmtekussen en een verbod van Thea om ooit nog iets zwaarders dan een theekopje te tillen.
Ze dacht aan wat Henk had gezegd, met zijn hand om de hare, in de Caddy. Je moet het zelf doen. Of je moet het niet doen.
Ze schreef eronder, heel klein: Ik?
En toen, nog kleiner, omdat ze er niet omheen kon: Burn-out.
Om twaalf uur kwam Jan Bulten langs, in zijn zondagse trui, met zijn laptop onder zijn arm en een gezicht als iemand die op een begrafenis komt waar hij niet zeker weet of hij de overledene kende.
Ze rekenden samen. Jan was penningmeester geweest van de voetbalclub, de muziekvereniging en de kerk, en hij rekende zoals Henk bakte: langzaam, met veel „wacht even” en „nee, dat klopt niet”, en dan ineens klopte het.
„Als jij het voor de taxatiewaarde zou verkopen,” zei hij, „tweehonderdtachtig, dan komen we honderdtwaalfduizend tekort. Dat halen we niet. Niet voor maandag. Niet voor kerst.”
„En als ik het voor minder verkoop?”
Jan keek haar aan over zijn leesbril.
„Hoeveel minder?”
„Wat is het minimum dat ik nodig heb?” Ze zei het meer tegen zichzelf dan tegen hem. „Niet wat ik wil. Wat ik nodig heb.”
Ze rekende het hardop uit. Haar spaargeld, dat sinds de zomer dunner was geworden dan ze wilde toegeven. Wat er overbleef van haar salaris als ze stopte. De huur in Amsterdam, die ze kon opzeggen. Twee maanden opzegtermijn. Haar spullen, die ze kon opslaan of verkopen of hierheen halen. Ze kon boven de bakkerij wonen. Als de coöperatie het pand kocht, kon zij de bovenwoning huren. Voor weinig, als ze ook bakte.
„Tweehonderddertig,” zei ze. „Dan kan ik het. Net.”
Jan rekende. „Dan komen we tweeënzestigduizend tekort.”
„Ik leen jullie een deel terug,” zei Sanne. „Van de verkoopprijs. Een lening. Achtergesteld, zo heet dat toch? Dat jullie me in tien jaar terugbetalen, als het goed gaat.”
„En als het niet goed gaat?”
„Dan heb ik pech.”
Jan zette zijn bril af en wreef in zijn ogen.
„Dat is heel genereus,” zei hij. „En het is heel onverstandig. Als penningmeester moet ik je dat zeggen.”
„Dat weet ik.”
„Hoeveel?”
„Dertigduizend.”
Hij rekende. „Dan komen we tweeëndertigduizend tekort.”
Ze zwegen allebei. Buiten, op de Brink, liep een vrouw met een hond langs, die bij elke linde bleef staan.
Ellen belde om acht uur 's avonds.
„Dinie heeft me gebeld,” zei ze zonder inleiding. „Natuurlijk heeft Dinie me gebeld.”
„Mam...”
„Ze vertelde dat er gisteren een rij stond tot aan de kerk. Dat Bets Gerritsen nog leeft. Bets Gerritsen! Die was al oud toen ik vijftien was. En dat Henk zijn rug weer heeft verrekt en dat jij de hele dag achter de toonbank hebt gestaan en dat je eruitzag, ik citeer, als Riek in 1985, maar dan met beter haar.” Ellen was even stil. „Is dat zo?”
„Dat van het haar weet ik niet.”
Aan de andere kant van de lijn hoorde ze haar moeder ademhalen. Een lange, langzame ademhaling, alsof ze zich voorbereidde op een duik.
„Ik heb nog geld van oma's huis,” zei Ellen. „Van Ans. Dat heb ik nooit aangeraakt. Het staat al elf jaar op een spaarrekening, en elke keer als ik ernaar keek, dacht ik: dat is niet van mij, dat is van dat huis waar het niet ging. Ik wist nooit wat ik ermee moest.” Ze slikte. „Hoeveel komen jullie tekort?”
„Mam, je hoeft niet...”
„Hoeveel, Sanne.”
„Tweeëndertigduizend.”
„Dan koop ik voor tweeëndertigduizend euro aandelen,” zei Ellen. „Zeg maar tegen Dinie dat ze daar geen onvoldoende voor krijgt.”
Sanne zat op Rieks stoel bij het raam en kon even niets zeggen.
„Ik doe het niet voor het dorp,” zei Ellen. „Laat dat duidelijk zijn. Ik doe het ook niet voor Riek. Ik doe het omdat ik je twee weken geleden aan de telefoon niet herkende, en gisteren aan Dinie wel. Ik weet niet of dat door die bakkerij komt. Maar ik ga het niet nog een keer van je afpakken.”
„Je hebt niks afgepakt.”
„Jawel,” zei Ellen. „Toen wel. Nu niet meer.”
Wessel stond om tien uur 's avonds met twee bekers koffie voor de achterdeur. Hij had Fenna om negen uur naar bed gebracht. Ze sliep nu, zei hij, bij hem thuis, met de babyfoon die hij van Rik had geleend, en Thea zat ernaast met een breiwerk, omdat Thea vond dat Henk op de bank niet haar gezelschap nodig had maar zijn rust.
Ze gingen op de stoep zitten, aan de achterkant, waar je uitkeek op het tuintje en het schuurtje van de Gazelle en een appelboom die volgens Henk door Gradus was geplant in het jaar dat hij Riek ten huwelijk vroeg.
„Ik hoorde het van Dinie,” zei Wessel. „Van je moeder.”
„Natuurlijk hoorde je het van Dinie.”
Ze dronken koffie. Hij was niet lauw, deze keer, en niet te zoet.
„Ik ga je niet vragen te blijven,” zei hij na een tijd.
„Dat weet ik.”
„Ik bedoel het niet... Ik bedoel dat ik het niet ga vragen omdat het jouw beslissing is. Niet die van mij. Niet die van Dinie. Niet die van Riek.” Hij keek naar de appelboom. „Iedereen hier wil iets van je. Je moeder had gelijk. Ik ook, waarschijnlijk. Dus ik vraag niks.”
„Wat zou je willen? Als je het wel vroeg?”
Hij zweeg lang. Zo lang dat ze dacht dat hij geen antwoord ging geven.
„Dat het licht 's ochtends aan is,” zei hij toen. „Als ik om zes uur de schuur opendoe. Dat ik naar de overkant kijk, en het licht is aan.” Hij haalde zijn schouders op. „Dat is alles.”
Sanne legde haar hoofd tegen zijn schouder. Het was niet gepland. Het was ook niet romantisch, met de koude stoep en de geur van zaagsel en de muis die in het schuurtje aan iets knaagde. Het was gewoon: een hoofd en een schouder, en de schouder die niet wegschoof.
„Als ik dit doe,” zei ze, „dan doe ik het niet voor jou.”
„Mooi,” zei hij. „Dat zou ook een slecht idee zijn.”
„En niet zoals Gradus. Ik ga niet om half vier beginnen en om negen uur 's avonds nog PowerPoints maken voor Dinie. Ik ga om half zes beginnen. Om één uur is de bakkerij dicht. Maandag en dinsdag ben ik vrij. En als het niet gaat, als ik merk dat het weer gebeurt, dat ik weer kleiner word, dan stop ik. Dan zoeken ze maar een ander.”
„Dat moet je tegen Dinie zeggen.”
„Dat ga ik tegen Dinie zeggen.”
„Ik wil erbij zijn,” zei Wessel, en voor de tweede keer in drie weken hoorde ze hem lachen, met zijn mond dicht, door zijn neus.
Op maandagochtend om half negen belde Sanne naar Brightwave. Ze vroeg niet naar Mark. Ze vroeg naar de vrouw van HR, die ze niet kende en die vriendelijk was op de manier van iemand die dit vaker had meegemaakt.
„Ik ga mijn contract opzeggen,” zei Sanne. „Ik kom niet terug.”
Het was stil aan de andere kant.
„Mag ik vragen wat je gaat doen?”
Sanne keek uit het raam, naar de Brink, naar de schuur, waar de deuren al openstonden.
„Ik ga brood bakken,” zei ze. „In de Achterhoek.”
De vrouw van HR lachte. Het was geen spottende lach. Het was de lach van iemand die even zelf aan een raam stond.
„Dat is,” zei ze, „het beste ontslag dat ik dit jaar heb gehad.”
Mark belde tien minuten later. Ze nam niet op. Ze stuurde hem een bericht: Dank voor alles. Succes met Nordbank. Als je ooit in Ellekamp bent: de krentenwegge is goed.
Om tien over half twaalf belde ze Esselink.
Hij nam op na één keer overgaan, alsof hij naast de telefoon had gewacht. Ze zei het kort. Dat ze het bod niet aannam. Dat het pand naar Coöperatie Dorpswinkel Ellekamp ging. Dat ze hem bedankte voor zijn moeite.
„Dat is uw goed recht,” zei Esselink, op een toon die betekende dat hij het niet begreep. „Ik zal het mijn cliënt doorgeven.”
Drie minuten later belde Thijs van Dalen zelf.
„Mevrouw De Groot,” zei hij. Hij klonk niet boos. Hij klonk als iemand die een schaakpartij had verloren en eerlijk genoeg was om de zet van zijn tegenstander te bewonderen. „Ik heb in Gelderland zes coöperaties zien beginnen. Vier zijn er dicht. Ik geef deze twee jaar.”
„Dat kan,” zei Sanne.
„En als het misgaat?”
„Dan komt u over twee jaar terug,” zei ze. „En dan hebt u in elk geval een goede krentenbol gehad.”
Hij lachte. Kort, verrast.
„Ik kom misschien eerder,” zei hij. „Mijn vrouw is in verwachting. In maart.” Hij aarzelde. „Ik wist niet eens wat een krentenwegge was, tot vorige week.”
„Dan bestel je hem op tijd,” zei Sanne. „Een kraamwegge moet 's ochtends uit de oven komen.”
Om twaalf uur sloeg de kerkklok. Ze telde mee, twaalf keer, zittend op Rieks stoel, met het schrift op schoot. Bij de twaalfde slag stond ze op en ging naar beneden, en in de winkel draaide ze het bordje in de deur om.
Gesloten. Maar niet lang meer.