Hoofdstuk 12: Krentenwegge

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Op zaterdag 21 november ging de wekker om vijf uur. Niet om half vier. Om vijf uur.

Sanne lag nog even te luisteren naar het huis. De ketel bromde, tevreden, met genoeg water. Op het dak tikte iets, een eikel misschien, of de marter die volgens Bertus al jaren in de dakgoot woonde en daar meer recht op had dan zij. Beneden, in de bakkerij, hoorde ze niets. Maar ze wist dat de Werner daar stond te waken, op de lage stand, warm in zijn steen.

Haar spullen uit Amsterdam stonden nog voor de helft in dozen in het kamertje aan de achterkant. Wessel had ze twee weken geleden met de Caddy opgehaald, op een maandag, haar vrije dag, en hij had in de Javastraat drie kwartier rondgereden voor een parkeerplek en daarna nooit meer iets over Amsterdam gezegd, behalve: „Daar wonen veel mensen.” Haar planten stonden in de vensterbank bij Rieks stoel. De monstera vond de Achterhoek maar niks. De rest deed het prima.

De leesbril lag nog op het nachtkastje. Op het puzzelboekje. Ze had het woordzoekertje afgemaakt, op een avond, met Rieks bril op, die een beetje te sterk was. Het laatste woord was ZUURDESEM geweest.


Om half zes stond ze in de bakkerij, in een witte bakkersbroek die nu wel paste, omdat Thea hem had ingenomen en de pijpen had verlengd met een strook stof van een ander wit, zodat je een randje zag. Henk was er al. Natuurlijk was Henk er al. Hij zat op een stoel met een hoge rugleuning die Wessel voor hem had gemaakt, naast de werktafel, met een kussen in zijn onderrug en een thermosfles op schoot, en hij noemde zichzelf adviseur.

„Een adviseur,” zei hij, „is iemand die niks tilt en alles beter weet. Daar ben ik vijftig jaar voor opgeleid.”

Naast hem stond Kevin, de postbode. Kevin had drie weken geleden zijn baan bij de post opgezegd, omdat hij, zei hij, liever iets maakte dan iets bracht, en nu werkte hij vier ochtenden per week in de bakkerij voor een loon dat de coöperatie met moeite kon betalen en dat hij aanvulde met bezorgen voor de apotheek in Lichtenvoorde. Hij was goed. Hij was beter dan Sanne in de eerste week was geweest. Hij had geduld, en grote handen, en hij luisterde naar Henk zonder te zeggen dat Henk ouderwets was.

Ze bakten. Wit, bruin, volkoren, roggebrood, krentenbollen. Appelflappen die niet openbarsten. Boterkoek, de echte. En vier krentenweggen, ruim een meter elk, die ze met de schieters in de oven schoven, Sanne aan de ene kant, Kevin aan de andere, op het ritme van Henks „hup”, die hij vanuit zijn stoel riep als een stuurman op een sloep.

Om zes uur keek Sanne door het raam naar de overkant. In de schuur van Wessel ging het licht aan.

Ze keek even, en ging weer aan het werk.


De winkel was anders en toch hetzelfde. Wessel had de oude toonbank op zijn nieuwe poten laten staan en er aan de linkerkant een tweede, kleinere toonbank aan vastgemaakt, van hetzelfde eikenhout, voor de kassa van de dorpswinkel. Er stonden schappen langs de muur, laag, zodat Bets Gerritsen vanaf haar rollator overal bij kon. Melk, eieren van de boer aan de Haarloseweg, aardappels van Bertus, koffie, wc-papier, batterijen, postzegels, de dingen waarvoor je niet naar Lichtenvoorde wilde. In de hoek bij het raam stonden drie tafeltjes en een koffiemachine. Gert had erover geklaagd tot hij hoorde dat de koffiehoek om één uur dichtging en De Zwaan pas om twee uur openging, en daarna had hij er zelf een bord voor geschilderd: Koffie. Daarna: De Zwaan.

Boven de deur hing een nieuw bordje, ook van Wessel, met eenvoudige letters ingebrand in eikenhout. Dorpswinkel Ellekamp. De gouden letters op het raam waren gebleven, BAKKERIJ, en daaronder G. Wolters & Zn., hoewel er nooit een zoon was geweest. Sanne had overwogen er & Nicht van te maken. Henk had gezegd dat Gradus zich dan in zijn graf zou omdraaien, en Dinie had gezegd dat dat misschien goed voor hem zou zijn.

Ze hadden het zo gelaten.

De koopakte was donderdag getekend, bij de notaris in Lichtenvoorde. Dinie had gehuild. Jan Bulten had elke pagina twee keer gelezen, en een keer een komma gevonden die hij niet vertrouwde. Ellen was er geweest, in haar donkerblauwe regenjas, en had haar handtekening gezet onder de aandelen, tweeëndertigduizend euro, en daarna buiten op het bankje voor het kantoor een sigaret gerookt, de eerste in vijftien jaar, en gezegd dat Sanne dat tegen niemand mocht zeggen.


Om negen uur ging de deur open.

Er stond weer een rij, maar een andere rij dan op de proefdag. Minder lang. Rustiger. Mensen die niet kwamen kijken, maar boodschappen doen. Dat vond Sanne mooier, al kon ze niet precies zeggen waarom.

Harm Klein Gunnewiek knipte het lint door. Hij was tweeënnegentig geworden, drie weken geleden, en had op zijn verjaardag de plak krentenwegge van de proefdag opgegeten, uit zijn zakdoek, droog en hard, en gezegd dat het de beste was die hij ooit had gehad. Hij hield de schaar met twee handen vast. Het lint was rood en kwam van de carnavalsvereniging.

„Ik heb gezegd dat ik er nog één wilde zien opengaan,” zei hij, toen het lint op de tegels lag. „Daarna mocht ik.” Hij keek rond, naar de schappen, de koffiehoek, de rekken met brood. „Maar het ziet er gezellig uit. Ik blijf nog even.”

Er werd geklapt. Er werd gelachen. Dinie hield een toespraak die zes minuten duurde en waarvan iedereen alleen het laatste zinnetje onthield: „Blijft de winkel, dan blijven wij. Gert, dank je wel voor je bierviltje.”

Gert stond in de deuropening en deed alsof hij het niet hoorde.


Om half elf kwam Ellen binnen. Ze had in de bovenwoning geslapen, deze keer niet op de bank maar in de slaapkamer aan de achterkant, waar Sannes dozen stonden, het kamertje van Wessel van vroeger, en daar had ze niets over gezegd. Ze droeg een schort. Ze had zelf gevraagd of ze een uurtje achter de kassa mocht staan.

„Een uurtje,” zei ze. „Meer niet. Ik heb niks met dit dorp.”

Na twee uur stond ze er nog. Ze kende de prijzen van alles uit haar hoofd en ze had met Bets Gerritsen een kwartier gepraat over een meester van De Esch die in 1980 met de schoolkas naar Spanje was vertrokken. Ze had een vrouw uit Lichtenvoorde, die hier speciaal voor de opening naartoe was gekomen, uitgelegd hoe een krentenwegge hoorde. „Je eet hem met boter,” zei ze. „Altijd. Anders kun je net zo goed een krentenbol kopen in de supermarkt.”

Sanne hoorde het vanuit de bakkerij en moest zich vasthouden aan de werktafel om niet te lachen.


Om half een, toen het brood bijna op was en de koffiehoek leegliep, stond Wessel bij de deur. Hij had een schroevendraaier in zijn hand. Hij keek omhoog, naar het belletje.

„Wat doe je?” vroeg Sanne.

„Riek had gelijk,” zei hij. „Het kozijn moet een beetje werken. Anders klinkt het niet.”

Hij draaide een schroef van het bovenste scharnier een halve slag los. Toen nog een kwart slag. Hij deed de deur open en dicht.

Het belletje rinkelde. Vol, laag, een klank die door de hele winkel ging en tot in de bakkerij doorklonk, en tot op de Brink. Iedereen in de winkel keek op. Bets Gerritsen legde haar hand op haar hart. Henk, op zijn stoel in de bakkerij, riep: „Zo! Zo klinkt hij!”

„Hij klemt nu weer een beetje,” zei Wessel.

„Dan moeten we hem optillen en draaien,” zei Sanne.

„Ja.” Hij stak de schroevendraaier in een van zijn vele zakken. „Fenna is vanmiddag bij mij. Ze wil pannenkoeken. Met appel.” Hij keek naar de deur, naar het belletje. „Maandag is je vrije dag.”

„Dat klopt.”

„Dan bak ik pannenkoeken. Maandag. Als je wilt.”

„Met appel?”

„Ik doe er altijd appel in.”

„Dat weet ik,” zei Sanne. „Dat heeft Fenna me verteld.”

Hij keek haar aan, en daar was weer die vis, die even aan de oppervlakte kwam. Deze keer bleef hij iets langer.


Om één uur draaide Sanne het bordje om. Gesloten. Morgen weer open, van negen tot één. Ze veegde de vloer. Ze zette de stoelen op de tafeltjes. Ze zette de Werner op de lage stand, waken, en zei hem gedag, zoals Henk dat deed.

Toen pakte ze het schrift van Gradus en ging aan de werktafel zitten. Ze sloeg het open op de bladzijde van de krentenwegge, met de doorhalingen en de verbeteringen, de vetvlekken en de twee handschriften. Niet zuinig met de krenten. Een wegge waar je de krenten moet zoeken, is een belediging voor het kind. En daaronder, met potlood: Voor Sanne, als ze komt. Ze was er gek op.

Ze pakte een pen. Ze dacht lang na. Toen schreef ze eronder, in haar eigen handschrift, dat rond was en een beetje schuin, en nog niet erg gewend aan dit soort papier:

Ze is gekomen. Ze vindt het nog steeds lekker. Henk zegt dat er te veel kaneel in zit. Henk heeft geen smaak. — S.

Ze keek ernaar. Ze dacht aan alles wat er nog kon misgaan. Aan Van Dalen, die twee jaar had gegeven. Aan de bank, die over een half jaar de cijfers wilde zien. Aan haar eigen hoofd, dat op sommige ochtenden nog steeds een paar centimeter naar links schoof, en dan moest ze tellen, in, vier tellen, vast, vier tellen, uit. Het ging altijd over. Dat was het enige wat ze wist.

Ze klapte het schrift dicht en legde het op de bovenste ovendeur, precies in het midden, waar ze het had gevonden.

Buiten, aan de overkant, stond Wessel in de deur van zijn schuur. Fenna hing aan zijn arm en zwaaide. Sanne zwaaide terug.

Morgen om half zes ging het licht weer aan.